Alles nieuw

Zolang wij op deze aarde leven, worden wij ieder jaar geconfronteerd met een nieuw kalenderjaar èn met een nieuw levensjaar. Maar op 31 december is ieder ‘nieuw jaar’ alweer verouderd en voorbij. En wanneer we nog op deze aarde leven, is op onze verjaardag ook dat tot nu toe ‘nieuwe levensjaar’ onherroepelijk voorbij. Sommige mensen worden er depressief van, dat alles zo vergankelijk is. Anderen blijven steeds achterom kijken en ‘leven’ in het verleden. Maar kan dat ooit het doel van ons leven zijn?

Is er dan niets dat blijvend nieuw al op deze aarde is? Alleen de Bijbel kan daar een antwoord op geven. Ze laat duidelijk zien dat iets dat blijvend nieuw is, alleen door God bewerkt en geschonken kan worden. Een mens is nooit daartoe in staat. En deze God van de Bijbel, die op de troon zit, openbaart:

                                             “Zie, IK maak alle dingen nieuw” (Op 21:5)

God is in Zijn Zoon Jezus Christus al bijna 2000 jaar geleden begonnen, enkele aspecten hier en nu al blijvend nieuw te maken. Andere volgen later naar Zijn belofte. Laten wij enkele eens op een rijtje zetten opdat God nog concreter aangebeden en gedankt wordt – en wij bemoedigd worden.

 

 1. Het nieuwe verbond in Christus’ bloed

Jezus Christus is “de middelaar van een nieuw verbond”[1]. Gods kinderen uit Joden en niet-joden staan onder het nieuwe verbond in het uitgegoten zoenbloed van Jezus Christus op Golgotha (Lk 22:20). Wij hebben nu toegang tot de heilige, rechtvaardige God via de “nieuwe en levende weg” door Jezus Christus bereid (Heb10:20). Ja, de nieuwe en levende weg tot God is de Persoon van Jezus Christus Zelf, die gezegd heeft: “Ik ben de weg” (Joh 14:6).

Ook in het gebed is er geen andere weg tot God dan in de Naam van zijn Zoon, Jezus Christus. Bidden tot God via andere zogenaamde middelaars (o.a. de r.-k. Maria of andere overleden ‘heiligen’) is een illegitieme en doodlopende weg. God kan dan immers niet (ver)horen. Dienaren van Jezus Christus zijn “door God bekwaam gemaakt om dienaren van een nieuw verbond te zijn, niet van de letter, maar van de Geest” (2Kor 3:6a). Helaas zijn er talloze mensen die zichzelf dienaren van Christus noemen, maar nog steeds teksten uit Gods oude verbond met het oude volk Israel op de gemeente van Christus onder het nieuwe verbond toepassen om hun eigen theorie te onderbouwen. Dat is dan ongeoorloofde inlegkunde, of wel toevoeging aan Gods Woord (Spr 30:6).

 2. “In Christus” – de nieuwe positie voor God

“Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping” (2Kor 5:17). De ‘oude positie’ voor God: “in (de gevallen) Adam” is voor een kind van God “voorbijgegaan, het nieuwe (de nieuwe positie voor God: “in Christus”) is gekomen”.  Een kind van God heeft enerzijds een nieuwe positie gekregen: “in Christus” – God ziet Zijn geestelijk kind “in Christus”, de “Rechtvaardige” aan als gerechtvaardigd. Of zoals de profeet Jesaja het zo mooi zegt:

“… mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met klederen van het heil, de mantel der
gerechtigheid
mij omgedaan” (Js 61:10; vgl. Fil 3:7-9). En “Hierdoor weten wij, dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van zijn Geest gegeven heeft”, leert ons 1Joh 4:13. Zolang iemand nog niet uit God geboren en dus nog “in Adam” is, geldt: “Wij zijn allen geworden als een onreine, al onze gerechtigheid is als een bezoedeld kleed” (Js 64:5; vgl. Mt 22:11-12).

Toetsen wij onszelf: Hebben wij ons door God voor God al laten bekleden met de “mantel der gerechtigheid in Christus”?

2.1 Wie is kostbaar in Gods oog?

Er is maar één antwoord: Jezus Christus, zijn geliefde, unieke, kostbare Zoon alleen! Hij immers heeft zondaren met zijn “kostbaar (offer)bloed vrijgekocht”[2]. Hij “legde zijn leven af om het weer te nemen”, als zijnde “dit het gebod van mijn Vader ontvangen” (Joh 10: 17-18; Js 53:10,12). De Zoon “heeft zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle namen geschonken … ” (Fil 2:6-8). Jezus Christus alleen is van God mijn kostbare ‘mantel der gerechtigheid’ geworden, waarmee ik voor de heilige, rechtvaardige God kan bestaan (1Kor 1:30). Niet ik als drager ben kostbaar, maar Christus, mijn omhullende “mantel der gerechtigheid”.

God nu ziet zijn kinderen “in Christus”, dat wil zeggen: in zijn geliefde, kostbare Zoon aan. Uiteraard is dus niet een gelovige kostbaar, ook niet ‘een parel in Gods hand’. Hoe komen christenen er dan toe om (o.a. onder invloed van de humanistische psychologie) te beweren: ‘Jij bent (ik ben) kostbaar in Gods oog’ – zelfs tegenover nog niet bekeerde mensen? De Zoon heeft toch geen waardevolle prijs (zijn kostbaar bloed) betaald voor een kostbare ‘parel’, maar voor ‘waardeloos materiaal’ (zogenaamd wama)? Of zoals iemand het uitdrukte: “Hij is gekomen om onbruikbaar oud ijzer op te kopen”. Meer nog: “Ik weet dat in mij (mijn oude mens) geen goed woont” (Rom 7:18). De Zoon heeft ons, zondaren, met de Vader verzoend “toen wij nog (Gods) vijanden waren” (Rom 5: 8,10). Gods vijanden ‘kostbaar’?

Dat is wat voor ons zondige mensen het begrijpen verre te boven gaat. Er is geen enkel aanknopingspunt in de mens, ook niets ‘kostbaars’ in een kind van God zelf. Wie tegen Gods Woord in verkondigt ‘Jij bent kostbaar … jij bent een parel in Gods hand’, heeft niets van de heiligheid en gerechtigheid van God begrepen, niets van de ernst van de zonde tegenover Hem en niets van de diepte van Gods oordeel over onze zonde op zijn geliefde Zoon in onze plaats op Golgotha.
Moet Christus ook ons verwijten: “U weet niet, dat u bent …”?  Hebben ook wij misschien “ogenzalf” van Hem nodig om de waarheid over ons te zien en Bijbels licht om onze geestelijke blindheid te willen erkennen (Op 3:17-19)? De Bijbel zegt ook dat Jezus Christus de uitverkoren, kostbare hoeksteen van zijn Gemeente, een geestelijk huis, is (1Pe 2: 4-7). Christus is het fundament van zijn Gemeente, in de eerste eeuw gelegd door apostelen en profeten. Ieder zie wel toe hoe hij daarop voortbouwt. Alleen als het materiaal goud, zilver of kostbaar gesteente is, houdt het werk stand in het prijs gericht van Jezus Christus voor Gods kinderen (1Kor 3:10-15).

Maar alles, wat in de kracht en wijsheid, met het motief en naar de wil van de ‘oude mens’ is gedaan, vergaat op die dag als “hout, hooi of stro”.

De apostel Paulus zegt dan ook:  “Ik zal het niet wagen van iets anders te spreken dan van hetgeen Christus door mij bewerkt heeft … door woord en daad” (Rom 15:18-19). Alleen Christus’ werk door ons is van blijvende waarde, evenals Christus’ werk in ons.

2.2 Het volk Israël onder de wet – kostbaar in zichzelf?

Om te ‘bewijzen’ dat wij, individuele gelovigen onder het Nieuwe Verbond, ‘kostbaar in Gods oog en hooggeschat’ zijn, neemt men een tekst uit zijn verband (Js 43: 1-4) en past dit woord, dat uitsluitend tot het volk Israël in zijn geheel gezegd is, op zich als individueel christen of op een medechristen toe. Is dat wel geoorloofde interpretatie van Gods Woord? Of is dat eerder misbruik van Gods Woord, om een eigen theorie proberen te onderbouwen. Moet dat niet als zonde beleden worden?
God spreekt direct tot Israël (vers 1) en zegt o.a. “Ik , de Here, ben uw God, de Heilige Israëls, uw Redder (uit Egypte)”. Na enkele beloften zegt God: “Ik de Here, uw Heilige, de Schepper van Israël, uw Koning” (vers 15).

Waarom zegt God tot het volk Israël dat het kostbaar is in zijn ogen? Paulus somt de voorrechten van Israël op (Rom 3:1-2; 9:4). Het voornaamste voorrecht is: “uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus (Messias)” (Rom 9:5; 1:3; Joh 4:22).

3. “Christus in mij” – de nieuwe natuur

Anderzijds heeft een kind van God innerlijk een nieuwe natuur gekregen, “de nieuwe mens”. Paulus schrijft:

“en de nieuwe mens aandoet die naar God geschapen is in gerechtigheid en heiligheid van de waarheid” (Ef 4:24). En hij schrijft de gelovigen te Kolosse: “U hebt de oude mens met zijn praktijken afgelegd en de nieuwe mens aangedaan die vernieuwd wordt tot de kennis naar het beeld van Hem, die hem geschapen heeft” (Kol 3:9-10).

De “oude mens”, de inwendige zondige natuur is onze erfenis van Adam, de gevallen eerste mens. De “nieuwe mens” is uitsluitend Gods nieuwe schepping in een mens die zich op Bijbelse wijze met berouw bekeerd heeft vàn alle duisternis in zijn leven tót God in Jezus Christus opdat Hij voortaan de Heer van het hele leven is (Hnd 17:30-31; 20:20-21; 26:18-20). Daar gaat het om. “Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is”- ook innerlijk (Gal 6:15). Want “God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit (eeuwige) leven is in de Zoon. Wie de Zoon heeft, hééft het leven, wie de Zoon niet heeft, heeft het leven niet” en dus ook niet de inwoning van de Heilige Geest (1Joh 5:11-12; Joh 14:20; 17;26b; Rom 8:9b, 10).

“En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven hééft” (1Joh 3:24; 1Kor 6:19).

3.1 Een kind van God – zonder ‘oude mens’?

De “nieuwe mens” is op deze aarde echter géén vervanging van de “oude mens”[3]. Een wedergeboren christen draagt tot zijn heengaan de “oude mens”of zonde in zich. De apostel Johannes waarschuwt christenen: “Indien wij zeggen dat wij geen zonde (oude mens) hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is niet in ons” (1Joh 1:8).  De apostel Paulus getuigde enerzijds:”Christus leeft in mij”, want “het had God behaagd … zijn Zoon in mij (niet: aan mij) te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen zou verkondigen” (Gal 2:20; 1:15-16; vgl. 2Kor 11:10; 13:3). En “Hij, die in Petrus werkte om apostel voor de besnedenen te zijn, werkte ook in mij voor de heidenen” (Gal 2:8). Daarom: “Ik zal het niet wagen van iets anders te speken dan van hetgeen Christus door mij bewerkt heeft … door woord en daad, door kracht van tekenen en wonderen, door de kracht van de Heilige Geest” (Rom 1518-19).

Het evangelie in een notendopje luidt: Christus voor mij (in mijn plaats) gestorven en opgestaan, Christus in mij levend door de Heilige Geest (Zijn leven in mij), Christus door mij werkzaam – alles tot eer van God.

Anderzijds zei Paulus tevens: ”Ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees geen goed woont” (Rom 7:18). Hij zei niet: ‘woonde’. De gezegende apostel Paulus wist en bekende dat hij nog steeds de oude mens in zich had. Daarom kon hij tegenover Timoteüs getuigen (1Tim 1:15): “Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard, dat Christus in de wereld gekomen is om zondaren te behouden, onder wie ik een eerste plaats inneem”- niet: innam (verleden tijd!). Omdat Christus in de Heilige Geest, de Geest der Waarheid, in hem woonde, kon Paulus naar waarheid zeggen: “Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is ..”(2Kor 11:10) – dus ook ten aanzien van Rom 7:18 en 1Tim 1:15.

3.2 De ‘oude mens’ – de slechte wortel

Deze inwendige “oude mens” is de “slechte wortel” van alle zonden, dwaalleringen en dwaalpraktijken – ook van gelovigen. De “oude mens” is ook bron van eigen verzoeking (Jak 1:13-15), van zelfmisleiding (Rom 7:11; 1Kor 3:18; 15:33-34; Jak 1:22, 26; 1Joh 1:8; vgl. Obadja 3a) en (zelf)bedrog (Job 15:35; Spr 26:24; Mt 13:22; Mk 4:19; Rom 3:13). “De slechte wortel (boom) brengt slechte vruchten voort” en “kàn geen goede vrucht voortbrengen” (Mt 7: 17-18).

De inwendige “oude mens” is bovendien aanknopingspunt voor misleiders (2Joh 7; Mt 24: 4-5, 11, 24) en bedrieglijke arbeiders (2Kor 11:2-5, 13-15; 12: 26b; Gal 2:4; 2Pe 2: 1-3, 13; Kol 2: 4, 8; vgl. Jr 6:13; 8:10b) vaak ook met bedrieglijke, zelfs grote tekenen en wonderen (Mt 24:24).
De inwendige zonden natuur is eveneens aanknopingspunt voor de tegenstander om de wedergeboren christen te verzoeken, te misleiden, te bedriegen en te beïnvloeden.

3.3 Geen onderscheid – wel verscheidenheid

Wat betreft de nieuwe positie voor God “in Christus” zijn al Gods kinderen gelijk. “U hebt u met Christus bekleed” (let. “U hebt Christus aangedaan”, Gal 3:27). Voor hen allen is dezelfde “Christus Jezus van God geworden tot gerechtigheid” voor God (1Kor 1:30; 2Kor 5:21).

Deze door God gewerkte en geschonken eenheid in Christus Jezus is een organische eenheid, geen organisatorische. Het is dus ongehoorzaamheid, wanneer wij de geschonken geestelijke eenheid met onze organisatorische activiteiten (een kring vormen, elkanders handen vastpakken of omarmen) proberen aan te vullen (Spr. 30:6). Het is helemaal het toppunt, wanneer een medechristen, die aan een dergelijke lichamelijke kringvorming niet willen deelnemen, letterlijk buitengesloten wordt.

Wat betreft de innerlijke geestelijke nieuwe natuur is er verscheidenheid zoals dat in het fysieke leven het geval is: Er zijn geestelijke baby’s of onmondige in Christus (zoals gelovigen in de gemeente van Korinte, 1Kor 3:1-2), er zijn kinderen en jeugdigen evenals vaders (en moeders) in Christus (1Joh 2: 12-14). De apostel Paulus was een ‘vader in Christus’ met diverse geestelijke kinderen, zoals in de gemeente in Korinte (1Kor 4:14-15). Hij was ook geestelijke vader van Timoteüs (1Kor 4:17; Fil 2:22; 1Tim 1:2, 18; 2Tim 1:2), van Titus (Titus 1:4) en van Onesimus (Filémon 10).

Gods doel met Zijn kinderen is uiteraard, dat ze geestelijk en psychisch volwassen en dan ook geestelijke vaders en moeders worden. Zo vermaant de apostel Petrus: “Verlangt als nieuwgeboren kinderen naar de redelijke, ònvervalste melk, opdat u daardoor (geestelijk) moge groeien” (1Pe 2:2).
Er is bovendien enerzijds geestelijke éénheid van alle leden van het Lichaam van Christus in haar Hoofd. Maar er is verscheidenheid van gaven en diensten van de afzonderlijke leden (Rom 12:3-8; 1Kor 12).

3.4 Onze verantwoordelijkheid ten aanzien van de ‘nieuwe mens’ nu

God, de Vader, gaf de nieuwe natuur in ons opdat “wij in nieuwheid des levens zouden wandelen” (Rom 6: 4; vgl. Kol 2:6-7).

Tot deze nieuwe levenswandel behoort Jezus Christus’ nieuwe gebod voor de Zijnen: “dat u elkaar liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat u ook elkaar lief hebt” (Joh 13: 34). Die nieuwe maatstaf is dus Christus’ wegcijferende, opofferende liefde voor ons (Joh 15:12-13; 1Joh 3:16). Maar is het voor ons ooit mogelijk om zó medegelovigen lief te hebben – ook als zij ons niet of verkeerd begrijpen, ons teleurstellen, ons verachten, ons tegenwerken of zelfs ons belasteren of haten?

God, de Vader en Jezus Christus, onze Heer geven nooit een gebod zonder vooraf de mogelijkheid tot gehoorzamen te hebben bereid. Wij kunnen met deze zichzelf wegcijferende, zichzelf opofferende liefde liefhebben omdat éérst deze “liefde Gods (agapè) in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, die ons gegeven is”, en wel “zo zeker als Christus … voor goddelozen gestorven is” (Rom 5:5-6). Gods kinderen worden dus opgeroepen om met deze al geschonken agapè de medegelovige lief te hebben! Deze liefde is blijvend en vergaat dus nooit (1Kor 13: 4-6, 13).

Het oude criterium onder het oude verbond in het oude Israel was: je naaste liefhebben zoals je gewend bent jezelf lief te hebben. Voor ‘eigenliefde’ van een discipel van Jezus Christus is in het Nieuwe Testament echter geen plaats meer (Luk 9: 23; 14:25-26, 33; Rom 6:6).

 Met welk doel heeft God in de gelovige Christen de nieuwe mens geschapen? De apostel Paulus legt uit: “Wij zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen” ((Ef 2:10; Titus 2:14). Verder getuigde David al: “De Here trok mij op uit de kuil van het verderf ..Hij stelde mijn voeten op een rots, mijn schreden (wandel) maakte Hij vast, Hij gaf mij een nieuw lied  in de mond, een lofzang aan onze God” (Ps  40: 3-4). Het nieuwe lied van David werd na vers 3 theocentrisch. Het ‘oude lied’ is een ‘ik-lied’ en klaaglied, egoïstisch en egocentrisch, waarbij (bijna) alles om mijzelf draait.

“Het nieuwe lied” van de 24 oudsten is ook christocentrisch: het Lam Gods staat in het middelpunt evenals in “het nieuwe gezang” van de 144.000 (Op 5:9; 14:1-4).

 4. Wat nog komt …

4.1. Gods kinderen is een nieuw lichaam beloofd (Fil 3:21). Zij verwachten Jezus Christus als Verlosser uit de hemelen, die “ons vernederd lichaam zal veranderen, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt” (Rom 8:29; 1Kor 15:49). Als onderpand daarvan heeft God Zijn kinderen de Heilige Geest in hun harten gegeven en hen met de Geest “verzegeld”(2Kor 2:21-22; 5:1-5; Ef 1:13-14; 4:30; Rom 8:11). 

4.2. Gods kinderen krijgen ook nieuwe ogen: “Wij zullen Hem gelijk zijn, want wij zullen Hem zien zoals Hij is” – “in zijn heerlijkheid” (1Joh 3:2; Joh 17:24) – zonder “als dood voor Zijn voeten” te vallen zoals de apostel Johannes overkwam (Op 1:17). 

4.3. Jezus Christus heeft hun een nieuwe woning in het huis van de Vader bereid (Joh 14:2).

4.4. In het nieuwe Jeruzalem ontvangen Gods kinderen een nieuwe naam (Op 2:17; 3:12; 5:9; 22:4).

4.5. “Hemelen en aarde zullen vergaanU echter blijft en deze zullen verouderen als een kleed” ((Heb 1:11; Js 51: 6; Mt 5:18; 2Pe 2:12; Op 20:11).  “De gehele schepping zucht” onder de universele wet van verval, vergankelijkheid en dood (Rom 8:22).

Maar “Wij verwachten naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont” (2Pe 3:13; Js 65:17; 66:22). “Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen die Hem liefhebben” (1Kor 2:9).

Naast dit uitzicht op de geweldige toekomst geldt voor ons leven hier en nu: “Het zijn de gunstbewijzen van de Here dat wij niet (geheel) omgekomen zijn, want Zijn barmhartigheden houden niet op, elke morgen zijn zij nieuw, groot is uw trouw! (Kl 3:23)”.

God is en blijft in Zijn wezen dezelfde (Ps 102:28). Maar God deed en doet niet altijd hetzelfde. Hij verzorgde maar éénmaal het volk Israel 40 jaar lang met manna. “Zodra ze het van de opbrengst van het land hadden gegeten, hield het manna op” (Joz 5:12). Evenzo is Jezus Christus dezelfde (Heb 1:12b; 13:8), namelijk in Zijn wezen. Maar Hij deed en doet niet altijd hetzelfde. Hij heeft bv. maar eenmaal de vijgenboom, die geen enkele vrucht had, “vervloekt”, zodat deze “van de wortel af verdord was” (Mk 11: 12-14, 20-21; Lk 13: 6-7).

“Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is om oneindig veel meer te doen
dan wij bidden of beseffen,

Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten,

van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen (Ef 3: 20-21)”.

 

 

Els Nannen

2012

 


[1] Heb 9:15; 8:6; 12:24; vgl. Jr 31:31

[2] Gr. lutrousthai:  krijgsgevangenen loskopen voor een losgeld (lutron, Mt 20:28; Mk 10:45). Zie ook Titus 2:14

[3] Dat is één van de dwaalleringen van o.a. Neil T.Anderson en zijn organisatie Freedom in Christ Ministries van
1989. Zie  Els Nannen: Waarlijk vrij? Bevrijdingspastoraat in het licht, pag. 335-402. Voorhoeve, 2010