“Zie, het (offer)lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt(Joh 1:29)

Deze prediking van Johannes de Doper maakte hem tot “de grootste onder de profeten” (Lk 7:28) van het Oude Testament. De apostel Petrus schrijft: “Naar dit heil hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, naspeurend op welke of wat voor tijd de Geest van Christus in hen doelde toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden dat over Christus zou komen” (1Pe 1:10e.v.).
Om van het (offer)lam Gods te kunnen getuigen, moest Johannes de Doper eerst zelf in Jezus de Zoon van God herkennen en erkennen (Joh 1:33). Daarna bewerkte zijn verkondiging van de lijdende Christus als Gods offerlam schuldbesef, berouw en schuldbelijdenis. Dat alles moest niet alleen zichtbaar worden in de  “doop in water tot bekering”, maar ook in “vrucht die aan de berouwvolle bekering beantwoordt” (Mt 3:2,5-6,8,11a).
Wij lezen nergens, dat Johannes de Doper predikte dat Jezus de Koning uit Davids geslacht was en evenmin dat hij een ‘opwekking’ aankondigde. Toen en nu is nogal altijd alleen de verkondiging van Gods Offerlam ten behoeve van onze zonde Gods kracht tot behoud (1Kor 1:18,22; Lk 24:25-27,45-47; Js 53).

Onmogelijk
De offers in Israël onder het Oude Verbond waren wel een afbeelding van en verwijzing naar Jezus, het Lam Gods. Maar deze dieren konden de zonden alleen voor Gods aangezicht bedekken. Zo werd in het Oude Testament ‘vergeven’ en ‘bedekken’ soms in één adem genoemd, zoals David in zijn boetepsalm 32:1 deed. Maar kan een gelovige, nadat de Here Jezus alles aan het kruis volbracht heeft, dat nog wel in gebed of lied nazeggen? Het zoenbloed van Hem reinigt immers van alle zonden, zodat ze er niet meer zijn, ook niet ‘bedekt’ (1Joh 1:7,9)!
Het offerbloed van dieren kon de zonden nooit wegnemen: ”Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen” (Hb 10:4,11; zie ook 9:15). Bovendien was het onmogelijk dat één offer van dieren voor iedere Israëliet en voor al zijn zonden voor altijd vergeving kon bewerken.

Geen ander zoenoffer voor de zonde
”Daarom zegt Hij (Jezus) bij Zijn komst in de wereld: Slachtoffers en offergaven hebt U (God) niet gewild, maar een lichaam hebt U Mij bereid …Toen zei Ik: Zie, hier ben ik… om Uw wil, o God, te doen” (Ps 40:7-9; Hb 10:4-10; Joh 10:17-18).
De apostel Petrus schrijft over de Here Jezus: “die Zelf onze zonden in Zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij aan de zonden afgestorven,voor de gerechtigheid zouden leven” (1Pe 2:24; Hb 10:10). Jezus heeft Zichzelf ten offer gebracht (Hb 7:27; Ef 5:2).
”Waar dan vergeving bestaat, is er niet langer een offer voor zonden” (Hb 10:18). Alle bloedige of onbloedige offers binnen en buiten het christendom zijn daarom ongeldig en zinloos.

Geen andere (Hoge)priester
Met Jezus’ vervulling van de offers voor de zonden onder het Oude Verbond is zodoende ook het priesterschap voor die offers in Hem, dè Hogepriester, vervuld. “Juist doordat Hij in eeuwigheid blijft, heeft Hij een priesterschap dat op geen ander kan overgaan. Daarom kan Hij ook volledig redden, wie door Hem tot God gaan, omdat Hij altijd leeft om voor hen te pleiten (Hb 7:24-28).

Gods ‘wortelbehandeling’
De Here Jezus zei: “De slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen” (Mt 7:17-18). Bijbels realisme is dat men geen goede vrucht in Bijbelse zin verwachten kan van de inwendige ‘oude mens’, de ‘slechte wortel’.
Er is dus meer dan vergeving van persoonlijke zonden nodig. Immers, de zonden zijn alleen uitdrukking en uitwerking van de inwendige zondige natuur, de zonde, ook ‘oude mens’ genoemd. Dieroffers konden en kunnen nooit de heerschappij van deze zonde doorbreken, laat staan een nieuwe natuur, de nieuwe mens teweeg brengen.
God echter pakte in de Zoon aan het kruis de wortel aan: “Want wat de wet niet vermocht…God heeft door Zijn eigen Zoon in een menselijk lichaam te zenden aan dat der zonde gelijk, de zonde veroordeeld in het Lichaam (van de Zoon), opdat de eis der wet vervuld zou worden …” (Rom 8:3-4).

Geen andere oplossing – meegekruisigd
“Thans is Hij (Jezus) éénmaal bij de voleinding der eeuwen verschenen om door Zijn offer de zonde weg te nemen”(Hb 9:26). De oude mens is ”met Christus meegekruisigd, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht ontnomen zou worden en wij niet langer slaven van de zonde zouden zijn…Laat daarom de zonde (oude mens) niet langer als koning heersen… zodat u aan zijn begeerte zou gehoorzamen … ,maar stelt u ten dienste van God … en uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God” (Rom 6:6-14)!
Wel is in Christus de heerschappij van de ‘oude mens’ gebroken, maar niet zijn aanwezigheid opgeheven  in een kind van God. Heiliging van de gelovige kan nooit zondeloosheid op deze aarde betekenen. Alle ‘ervaringen’ van ‘zondeloosheid’ zijn zelfbedrog of misleiding door Gods tegenstander.
Er is dus ‘maar’ één antwoord op de inwonende ‘oude mens’ en de daaruit voortvloeiende zonden: het feit van Romeinen 6. De ‘oude mens’ is geen demon die ‘uitgedreven’ kan en moet worden. Evenmin behoren zonden tot demonen. Ze komen uit het eigen, verderfelijke hart (Mk 7:20-23; Jr 17:9; Rom 1:21-32; 2Tim 3:1-7). Zonden moeten aan God beleden worden. En men moet er radicaal mee breken (Spr 28:13; 2Tim 2:19b; Hnd 26:20).

Het Lam van God vandaaggeen ander evangelie
Matteüs, Markus en Lukas vermelden Jezus’ zwijgen tegenover valse beschuldigingen. Is dat niet als het zwijgen van een lam dat ter slachting geleid wordt (Js 53:7)? Ook de diaken Filippus verkondigde de kamerling uit Ethiopië het Lam van God aan de hand van Jesaja 53 (Hnd 8:26-39).
De apostel Paulus verkondigde juist ook in Korinte Gods Offerlam, de gekruisigde Christus als Heer (1Kor 1:18,22-23; 2:2; 4:5).
De apostel Petrus verkondigde: Geen andere Reddernaam dan die van de gekruisigde, opgestane Jezus, Gods Offerlam (Hnd 4:12). En aan de gelovigen: “wetende dat u niet met vergankelijke dingen, zilver en goud bent vrijgekocht van uw ijdele wandel…, maar met het kostbare bloed van Christus als van een onberispelijk en vlekkeloos lam”(1Pe1:18-19; Js 52:3b).

Het Lam van God vandaaggeen andere heiliging
De apostel Johannes jubelt als hij daaraan denkt, wat Gods kinderen bij de komst van de Here Jezus voor zijn Gemeente zullen zijn. Het is niet te vatten, maar “Als Hij geopenbaard zal worden, zullen wij Hem (Gods Lam!) gelijk zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is” (1Joh 3:1-3). Daarom laat God in het leven van Zijn kinderen “alle dingen meewerken ten goede voor degenen die Hem liefhebben”. Hij wil immers hun karakter, hun reacties, woorden en daden in die van Zijn Zoon, het Lam, omvormen (Rom 8:28-29). Daartoe gebruikt Hij ook de dienst en het gebed van zijn Bijbelgetrouwe dienstknechten, zoals de apostel Paulus. Deze schreef de gelovigen in Galatië: “Mijn (geestelijke) kinderen, ter wille van wie ik opnieuw weeën doorsta, totdat Christus (het gezalfde Lam) in u gestalte verkregen heeft” (Gal 4:19).

Bruidwerver voor het Lam
De “Bruid van het Lam” is de Gemeente van Christus, voor wie Hij Zich overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord (Ef 5:25-27,32; 5:1-2). Christus’ Gemeente bestaat uit Gods kinderen uit Joden en niet-Joden van alle tijden en plaatsen.

Waarom was Paulus naast zijn evangelistische dienst zo fel en duidelijk tegen onbijbels gedrag en onbijbelse leringen, zoals in de gemeente in Korinte (2Kor 11:2-15)? Het geheim: Hij zag zijn taak als Bruidwerver voor Christus, de hemelse Bruidegom van Zijn Gemeente. Daarom waakte Paulus o.a. over de plaatselijke gemeente in Korinte om haar “als een reine, onbevlekte maagd voor Christus te stellen”. Iedere dwaalleer, iedere dwaalgeest bezoedelt een gemeentelid of zelfs een hele gemeente.

Dezelfde listige slang
Maar Paulus onderkende een groot gevaar: Zoals de slang met haar sluwheid (bedrog) Eva, de vrouw van de eerste Adam verleidde, zo zal door diezelfde slang met haar sluwheid de Bruid van Christus, de tweede Adam, van de eenvoudige toewijding aan Hem afgetrokken worden. Haar lokmiddelen via de ”schijnapostelen van Christus” waren de verkondiging van “een andere Jezus”, die Paulus en zijn medewerkers niet verkondigd hadden, het ontvangen van “een andere geest” dan de Heilige Geest bij de geboorte uit God en zodoende“een ander evangelie”, dat de gemeente van de echte, de door God gelegitimeerde apostelen niet aangenomen had.
Volgens schijnapostelen was er méér’ dan wat Paulus en zijn medewerkers gebracht hadden – zoals dezelfde slang Eva in het paradijs bedrogen had met de boodschap: ‘er is méér’. En dat ’meer’ bezaten en brachten deze schijnapostelen, schijnbaar, en achter de rug van de echte apostel om.

 Tolerantie tegenover een valse geest, een valse leer, een andere bruidegom?
Een open deur in de gemeente in Korinte was hun tolerantie: “u verdraagt dat zeer  wel” vanuit een eigen verlangen en zoeken naar ‘méér’ dan het evangelie van het Lam van God. Men wilde maar al te graag ‘koning zijn’: “… Reeds bent u verzadigd, reeds bent u rijk geworden, zonder ons hebt u zich koning gemaakt … Het schijnt mij toe dat God ons apostelen de geringste plaats als ten dode gedoemden aangewezen heeft; want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor engelen en mensen… wij zijn het uitvaagsel van de wereld geworden, als aller voetveeg, tot op dit ogenblik toe (1Kor 4:6-14)”.

Geen andere voetsporen
De Bijbel roept de gelovigen niet op om in de voetsporen van een koning te gaan, maar in die van Jezus Christus, het Lam (1Pe 2:19-23). Dat betekent sterven: “Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar als zij sterft, brengt zij veel vrucht voort” (Joh 12:24). De Here Jezus zei tot Zijn discipelen: “Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf  en neme dagelijks zijn kruis op zich en volge Mij” (Lk 9:23).

Wat was het geheim van Gods zegen op de dienst van de apostel Paulus? Hij schreef de gemeente in Korinte:
“ Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons… te allen tijde het sterven van Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbare. Want voortdurend worden wij, die leven, aan de dood overgeleverd om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk lichaam openbare. Zo werkt dan de dood in ons, maar het leven in u” (2Kor 4:7-14). “Wij zijn gerekend als slachtschapen” (Rom 8:35-36).
Geen geestelijke vrucht zonder sterven, zonder zelfverloochening, zonder dagelijks opnemen van het kruis, zonder wandel in de voetstappen van het Lam.

 Het Lam van God in de toekomstZijn (geestelijke) Bruiloft
Meer dan 25 keer in het laatste boek van de Bijbel wordt de Here Jezus “het Lam” genoemd, daarentegen slechts 3 keer als Koning.
In het nieuwe Jeruzalem zal “de troon van God èn de troon van het Lam zijn” (Op 22:1,3). Moeten daaraan niet ook de moderne christelijke liederen getoetst worden, die vooral Jezus als koning bezingen?
Geeft het ook niet te denken dat men zich in aanbidding neerwerpt voor het Lam als teken van eerbied (Op 5:6-14). Van dansen, vlaggen zwaaien en handen opheffen ‘voor Jezus’ lezen wij niets.

 

“Gelukzalig zij, die genodigd zijn tot het Bruiloftsmaal van het Lam” (Op 19:6-9)

 

E. Nannen, april 2014