U zult mijn getuigen zijn” (Hand 1:8-9,22)

1 Dit was het laatste woord, het laatste bevel van de Here Jezus aan zijn apostelen vóór zijn Hemelvaart.De door de Here Jezus uitgekozen, eenmalige apostelen waren vanaf de doop van Johannes de Doper tot en met Jezus’ Opstanding getuigen in juridische zin. Zij waren immers oog- en oorgetuigen van de Persoon van de Here Jezus, van Zijn leven met God en uit de Schrift, van zijn woorden, zijn werken, zijn houding tegenover de diverse mensen in Palestina (Joh 15:27). Zij moesten getuigen dat Jezus Christus, het Woord is, door Wie God alles geschapen heeft (Joh 1:1-3; Kol 3:10), dat Jeschua, Gods Zoon, de Redder is (Mt 1:21,25; Lk 1:31; Hand 4:12), maar dat deze Jezus later als Rechter zal oordelen bij de opstanding ten oordeel (Joh 5:27, 29; 12:48; Hand 10:42; 17:30-31).
De apostel Petrus verkondigt de Joden op de dag van het Pinksterfeest: “Deze Jezus (die U gekruisigd hebt, Hand 2:23,36) heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn” (Hand 2:32;3:15;4:33;5:30-32;10:38-41; vgl.13:30-40). En hij vermaant de oudsten onder de vreemdelingen in de verstrooiing: “als medeoudste en getuige van het lijden van Christus” (1Pe 5:1).
De apostel Johannes schrijft: “Hetgeen was van den beginne (Joh 1:1), wat wij gehoord hebben, wat wij met onze eigen ogen aanschouwd en met onze handen getast hebben van het Woord des Levens – hetgeen wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij ook u” (1Joh 1:1-3; Joh 19:31-37;21:24;1Joh 4:14; 5:6-7; Op 1:2,9).

Jezus sprak op aarde “de woorden van God” (Joh 3:34;14:10,24)
De apostelen moesten vooral ook getuige zijn van Jezus’ woorden, die Hij van de Vader gehoord had. En wat Hij van de Vader gehoord had, gaf Hij aan zijn apostelen door. In het gebed tot de Vader sprak Hij: “De woorden, die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun (de apostelen) gegeven …Ik heb hun uw Woord gegeven” (Joh 17:8,14; Mk 1:14). Zo wordt alleen Jezus Christus Zelf “Woord Gods” genoemd, niet de Heilige Geest. De Heilige Geest neemt “uit Christus” en verkondigt dat ons (Joh 1:1; Op 19:13; Joh 16:13-15;1Kor 2:12-13;1Pe 1:10-12).

Het gezaghebbend apostolische woord in de Bijbel
Het woord van de apostelen is het direct door de Zoon ontvangen Woord Gods en dus uniek. Ook de apostel Paulus heeft Gods Woord direct ontvangen, en wel “door openbaring van Jezus Christus” (Gal 1:11-12).
Na de dood van de oude apostel Johannes respectievelijk na Gods openbaring via de Zoon aan deze laatst levende apostel (Op 1:1-2) is er zodoende geen enkele apostel en dus ook geen nieuw apostolisch, gezaghebbend en bindend Woord Gods. Gods openbaring via de Zoon aan de apostelen is afgesloten.

Gods bevestiging van het woord der unieke 12 apostelen
“Hoe zullen wij ontkomen als wij geen ernst maken met een zodanige grote redding (Hb 2:3-4),
a. die allereerst verkondigd was door de Here (Jezus),
b. en door hen (apostelen) die het (van Hem) gehoord (Lk 1:2) en het ons op betrouwbare wijze
bevestigd hadden (waarbij de Here Jezus al gebeden had voor hen die “door hun woord” in
Hem zouden geloven, Joh 17:20-21),
c. waarbij ook God dááraan getuigenis gaf (d.i. ‘bevestigde’) door tekenen en wonderen en velerlei krachten
en door de Heilige Geest toe te delen  naar zijn wil” (Hand 10:44-46;11:12-18).
Dit drievoudige getuigenis van Gods unieke heilsboodschap in Jeschua, zijn Zoon, is afgesloten.

De Messiaanse tekenen (Johannes schrijft steeds de uitdrukking ’tekenen’!) en werken waren Gods getuigenis en bevestiging dat Jezus Zijn Zoon en de beloofde, gevolmachtigde Messias voor Israël is (Joh 11:47;12:18,37;20:30; Hand 2:22;10:38).
De apostolische tekenen van de 12 apostelen waren Gods getuigenis en bevestiging dat zij direct tot de dienst van Evangelieverkondiging aangaande Jezus Christus waren geroepen en gevolmachtigd. Ook Jezus Zelf bevestigde de apostolische verkondiging door de in de verzen 17-18 genoemde tekenen die op hun woord (verkondiging) volgden (niet voorafgingen!, Mk 16:20; Hand 2:43;4:22,30;5:12).
De apostolische tekenen van de apostel Paulus waren Gods bevestiging van zijn directe, unieke roeping en gevolmachtigde evangeliedienst onder de volkeren. “De tekenen van de apostel zijn onder u volbracht in alle volharding, in tekenen en wonderen en machtdaden”(2Kor 12:12; Rom 15:19; Hand 14:3;15:4,12; 19:11-12; 1Kor 1:6). De (orthodoxe) Joden bestreden immers met alle geweld Paulus’ zendingswerk onder de niet-Joden: “Weg van de aarde met zo iemand: want hij behoort niet te blijven leven” (Hand 22:21-22; 21:36;23:12;13:44-50; 1Ts 2:14-16).
Dat alles is voor altijd opgetekend in de Schrift: “Er staat geschreven”! Gods geschreven Woord alleen is zodoende het levende zaad – niet: een vergankelijk teken en wonder (Lk 8:11; Jak 1:18,21; 2Tim3:15; Js 55:11). Sinds de dood van de laatste apostel (Johannes) en de vastgestelde canon van de Schrift is uitsluitend “De prediking van het kruis Gods kracht”! (1Kor 1:18). En die is eens voor altijd goddelijk bevestigd.
 
Niet de film, niet het theater, de pantomime of andere door mensen bedachte voorstelling van Jezus en zijn kruisoffer zijn Gods kracht tot redding, alle berichten van oorspronkelijk Amerikaanse organisaties ten spijt.
De Duitse tak van de evangelisatiebeweging Disciple A Whole Nation (DAWN) berichtte 2014 dat “dagelijks (..) 15.000 mensen (..) christen werden door (..) de Jezusfilm van het Lukas-evangelie. Sinds deze Jezusfilm vanaf 1979 begon te draaien, hebben 578 miljoen mensen de film gezien, waarvan 38 miljoen christen zijn geworden” (..). Ook de Billy Graham Organisatie met haar blad Decision vermeldt fantastische aantallen mensen die volgens haar per jaar “een beslissing voor Jezus genomen hebben”.
De ernstige vraag is echter niet, hoeveel mensen ‘christen zijn geworden, ‘tot het christendom zijn overge-gaan’ of ‘uit vrije keuze’ een ‘beslissing voor Jezus genomen’ hebben, maar wel: hoeveel in het Boek des Levens zijn opgetekend na Bijbelse bekering en wedergeboorte uit God door het Woord der Waarheid, het enige goddelijke zaad (Hand 18:26-28; Jak 1:18,21; 1Pe 1:23-25; Hb 4:12-13). Ook de levenspraktijk na het voorgeformuleerde en meestal voorgezegde ‘zondaarsgebed’ zal het al openbaren (Lk 8:11-14).

Eigentijdse apostelen van Christus?
Alle apostolische bewegingen en kerken, zoals er sinds de achttiende eeuw ontstonden, zijn op zijn minst genomen mensenwerk, zo niet demonisch geïnspireerd. Zij hebben alle in ieder geval niets te maken met de unieke, Bijbelse apostelen en dus evenmin met apostolisch gezag met apostolische tekenen.
Datzelfde geldt voor de apostolische beweging in Amerika sinds het zgn.”Tweede Apostolische Tijdperk” (2001) – een naam, die C. Peter Wagner, de bekende promotor van ’charismatisch’ gedachtegoed, koos. Wagner noemt het de Nieuwe Apostolische Reformatie – “nieuwe” ter onderscheiding van de denominaties die al de naam ‘apostolisch’ gebruiken.
Peter Wagner begon zich zijn ‘apostolische bediening’ in 1995 te realiseren, toen twee ’profetessen’ verklaarden dat hij een ‘apostolische zalving’ ontvangen had. In 1998 zou zijn apostolische roeping door een ander ‘profetisch woord’ op een conferentie in Dallas zijn bevestigd. Volgens Wagner zou God gewild hebben dat hij zijn ’apostolisch gezag’ zou aanvaarden. Hij beweert verder dat zij die tegen deze nieuwe beweging zijn, onder demonische invloed staan (..). Typerend.
De Nieuwe Apostolische Reformatie neemt enorm toe in de hoofdstroom van de charismatische beweging en in de gemeenten van de Derde Golf.[1]
 
“U zult mijn getuigen zijn” (Hand 1:8)
*  De Here Jezus heeft nooit de opdracht gegeven, ‘getuigen van Jehova’ te zijn, zoals de sekte van de ‘Jehova getuigen’ denkt en beweert. Die opdracht gold aanvankelijk en uitsluitend het volk Israël, nadat God het uit de slavernij in Egypte verlost en door de woestijn naar het beloofde land Palestina geleid had. Van deze enige God en enige Redder moest Israël getuigen (Js 43:10a; 44:6-8). Maar Israël was helaas een ontrouwe getuige. Daarom zei God niet alleen: “U (Israël) bent mijn getuigen”, maar vulde onmiddellijk aan: “en mijn Knecht, die Ik verkoren heb” (Js 43:10b). En deze verkoren, getrouwe Dienstknecht is Jezus Messias, Gods Zoon! (55:4-5; Op 1:5;3:14; Joh 3:11,31-34).
 
*  De Here Jezus heeft nooit de opdracht gegeven om ‘getuigen van de Heilige Geest’ , van een ’Geest-ervaring’ of zelfs van een buitenbijbelse ’geestesdoop’ te zijn ( niet te verwarren met 1Kor 12:13!). De taak van de Heilige Geest Zelf is om van Jezus Christus te getuigen (Joh 15:26). Hoe kan men nu getuige van een Getuige willen zijn? Wat een dwaasheid.
 
3. “U zult mijn getuigen zijn” (Hand 1:8)
De Here Jezus heeft nooit (aan)bevolen: U, mijn apostelen, zult dialogen voeren als u naar “de hele wereld” met zijn diverse religies en filosofieën gaat. Een dialoog betekent uitwisseling ‘op gelijk niveau’, zodat je ‘van elkaar kunt leren’. Een dialoog houdt dus ook in dat er ‘diverse waarheden’ zijn, waaruit ieder vrij kan kiezen en mixen.

In geloof weten wij als Gods kinderen echter dat God “de God der Waarheid” (Js 65:16), Jezus Christus
“dè Waarheid” in Persoon is (Joh 14:6) en de Heilige Geest “de Geest der Waarheid” (Joh 14:17; 15:26; 1Joh 4:6), zodat de Bijbel “het Woord der Waarheid” is (Joh 17:17; Ef 1:13; Jak 1:18).Goddelijke Waarheid bestaat niet in meervoud! Ze kan dus nooit met buiten-Bijbelse bronnen worden aangevuld!

4. “U zult (daarvoor) kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest op u gekomen is” (Hand 1:8)
Getuige van Jezus, Gods Zoon, zijn, en van “Jezus alléén” evenals van Gods boodschap “uit genade alleen en uit geloof alleen” roept weerstand, verachting, smaad, verdrukkingen en vervolging op. Had Jezus niet al eerder de nuchtere waarheid tegen zijn apostelen gezegd: “Zie, Ik zend u als schapen midden onder de wolven; weest daarom voorzichtig als slangen en argeloos als duiven. Maar wacht u voor de mensen, want zij zullen u overleveren … geselen in hun synagogen (..)… U zult door allen gehaat worden om mijns Naams wil … Een discipel staat niet boven zijn meester of een slaaf boven zijn heer” (Mt 10:16-11:1).

Later sprak de Here Jezus tot zijn apostelen nog duidelijker wat hun aan haat te wachten staat (o.a. Joh
15:18-25) – niet: omdat zij (christen-)Joden zijn, maar om zijn Naam Jezus, om zijn volbracht offer voor de zonde en zonden nota bene aan het vloekhout, het kruis (1Kor 1:20-25) en om zijn opstanding uit de doden.
Daar komt de haat in die tijd bij dat de evangelieopdracht voor “alle (heiden)volken” ging gelden en de bekeerde heidenen tot God in hun eigen (‘heidense’) taal mochten bidden, en niet eerst de heilige taal van de Joden, Hebreeuws of desnoods Aramees, moesten leren.
Het was en is uitgesloten om verdrukking en lijden tot en met het martelaarschap[2] om Jezus’ wil van het evangelie van genade en geloof alleen in eigen kracht vrijmoedig te getuigen (Hand 4:8-13). Dáár is de blijvende inwoning van de Here Jezus door en in de Heilige Geest voor nodig. Dat werd pas mogelijk na de eenmalige, blijvende historische (!) komst van de Heilige Geest op aarde om in hun harten en in de Gemeente van Christus te wonen.

Dat Jezus’ belofte van “kracht van de Heilige Geest” zou slaan op het doen van genezingen, tekenen en wonderen staat nergens in het boek Handelingen. Dat is een ongeoorloofde toevoeging vanuit een bepaalde religieuze vooronderstelling, waarmee de Bijbel gelezen en uitgelegd wordt (Spr 30:6). De Schrift kent geen krachtpatsers, wel in zich zwakke gelovigen, in wie Christus’ kracht zich kan verheerlijken (2Kor 12:7-10).

5.  Jezus gebood hun te wachten op de belofte van de Vader (Hand 1:4)
De apostelen moesten wachten op de historische komst van de Heilige Geest op aarde om er in de Gemeente van Jezus Christus, die op die Pinksterdag zou ontstaan, blijvend te wonen. Tot die tijd werkte de Heilige Geest alleen vanuit de hemel op aarde, en wel (vaak tijdelijk) in bepaalde personen voor een bepaalde dienst.
De apostelen en andere Messias-gelovigen moesten dus tien dagen wachten tot “de vijftigste dag” (= Pinksteren!) na de sabbat van de Paschaweek (Lev 22:4-7; Num 28:16-25). Dat Pinksterfeest viel op de eerste dag van de week, dus op een zondag. De gelovigen benutten deze tien dagen naast gebed met het openlijk en voortdurend loven van God in de tempel, terwijl zij ook een plaatsvervanger voor Judas, die zelfmoord had gepleegd, moesten kiezen.

Petrus kon op die Pinksterdag naar waarheid getuigen dat Jezus na zijn verhoging “de belofte van de Vader ontvangen had en Hij dit uitgestort heeft, wat u en ziet en hoort” (Hand 2:33). Uiteraard lezen wij dan ook nergens in de leer (brieven) van de apostelen dat om een ‘hernieuwde’ uitstorting van de Heilige Geest biddend gewacht kan en moet worden. Iedere aansporing tot gebed om een ‘hernieuwde uitstorting van de Heilige Geest’ komt voort uit de oude mens die God in Christus aan het kruis veroordeeld (!) heeft.
‘Wachten’ en bidden om een ‘herhaling van het historische Pinksteren’ kan ook een gelegenheid voor de vijand zijn (Ef 4:27) om met een anti-bijbelse, anti-christelijke geest (‘geestesdoop’) te misleiden, zoals de geschiedenis leert. Maar feit is en blijft dat de Heilige Geest in de Gemeente van Christus en in ieder kind van God woont. Er bestaat geen tussentijdse Hemelvaart van de Heilige Geest!
Zo heeft helaas Israël zijn Messias destijds niet aangenomen (Joh 1:11; 3:11,31-32). Er wordt nog steeds om zijn eerste komst gebeden, die al sinds bijna 2000 jaar geleden een feit is. Dat is niet alleen zinloos, maar ook gevaarlijk. Zulke Joden kunnen dan niet de komst van de anti-christ doorzien en zullen eest deze aannemen (Joh 5:43).

6. Petrus en de smaad op de Pinksterdag
De buitenlandse Joden hadden de apostelen en de andere Messiasgelovige Joden in hun eigen taal van Gods
grote daden horen spreken (dus in niet-Hebreeuws!). Zij hadden wel alles verstaan, maar konden dat fenomeen niet plaatsen. Zij werden vragend: “Wat wil dit toch zeggen?” (Hand 2:12).Was dat nu niet dè gelegenheid voor de apostelen om getuige van de Here Jezus te zijn, zoals hun opdracht was?
Maar, hoe zouden de inheemse Joden het getuigenis van de gevolmachtigde apostelen aannemen, die hen van dronkenschap hadden beschuldigd? Zij hadden niets van de woorden van aanbidding van God in vreemde talen verstaan. Zo interpreteerden zij het goddelijk talenwonder spottend als een puur menselijke uiting van dronkenschap. En dat zou een barrière vormen voor het luisteren naar en aannemen van het getuigenis aangaande Jezus-Messias door deze zelfde apostelen.

In de leerschool van de Here Jezus had Petrus ontdekt, dat de ’oog om oog, tand om tand’ regel niet meer geldt. Toch moest er vóór het getuigenis van Jezus iets rechtgezet worden om voor de inheemse Joden de hoorbarrière weg te nemen – met een Schriftwoord, want Gods Woord en Geest zijn nooit van elkaar te scheiden!

De profetie van Joël voor Israël – de komst van de Geest voor Jezus’ Gemeente
Wanneer wij Petrus’ aanhaling van de profeet Joël (Hand 2:13-21) serieus lezen, valt op,
 

  • dat de gebeurtenissen vóór het woord “Daarna” in Joel 2:28 niets te maken hebben met Hand 2:6-12,*  dat “in de laatste dagen” (van de heilsgeschiedenis) op Israël als volk slaat: “Want zie,” zegt God, “in die dagen en te dien tijde wanneer Ik een keer breng in het lot van Juda en van Jeruzalem…” (3:1 ev.).
  • dat Petrus de profetie van Joël niet altijd letterlijk citeert. Zo zegt hij ”van Mijn Geest” in plaats van “Mijn Geest”(Joel 2:28),*  dat “op alle vlees” niet kon en nooit kan slaan op alle mensen. Zij, die niet uit Gods Woord en Geest wedergeboren zijn, kunnen de inwoning van Christus in en door de Geest nooit ontvangen. Op het begin van die Pinksterdag kwam de Heilige Geest uitsluitend op en in de 120 verzamelde Joodse christenen,
  •  dat van Joëls profetie (“dromen en gezichten”) voor Israëls zonen en dochters op die dag geen sprake was,
  •  dat van Joëls profetie voor Israël (“wonderen in de hemel en tekenen op de aarde”) evenmin sprake was,
  • dat anderzijds in Joëls profetie het bovennatuurlijk fenomeen ontbreekt, dat Joodse christenen, door de Heilige Geest geïnspireerd, niet in ‘de heilige taal Hebreeuws’, maar in ‘heidense’ talen God aanbaden. Een unicum!

 
De enige overeenkomst is dat er sprake is van een bijzondere uiting van de Heilige Geest. Daar gaat het Petrus om. Van menselijke dronkenschap is geen sprake. Verder gaat hij helemaal niet op Joëls profetie in. Ze is ook géén onderdeel van zijn christocentrisch (!) getuigenis op die Pinksterdag!

7. Petrus’ getuigenis op die historische Pinksterdag (Hand 2:22-40)
Met “… Jezus, de Nazoreeër …“ valt hij meteen met de deur in huis. Petrus is op en top getuige van de Here Jezus, d.i. zijn toespraak is volkomen christocentrisch! Dat getuigenis in de kracht van de Heilige Geest bevestigde God rijkelijk met het allergrootste wonder, uitgerekend in Jeruzalem, waar Zijn Zoon nog maar goed 7 weken geleden gekruisigd was geworden: er bekeerden zich ca 3000 Joden tot hun Messias. Zij waren “uit de dood in het (eeuwige) leven (in Christus) overgegaan” en wel door het geloof in het verkondigde Woord (Joh 5:24; 1Joh 3:14:1Kor 1:18,23-24; Rom 1:16).

Omdat hij zelf deze weg in de voetstappen van zijn Heiland was gegaan, kon Petrus later anderen met gezag schrijven:
“Als u goed doet en dàn lijden moet verduren, dat is genade bij God. Want hiertoe bent u geroepen.

Christus heeft immers voor u geleden en een voorbeeld nagelaten, opdat u in zijn voetstappen zou treden;
die … als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem,
die rechtvaardig oordeelt” (1Pe 2:20-23).

 

Els Nannen

Mei 2015

 

 

 


[1] Naar Ds.John MacArthur: Strange Fire. The danger of offending the Holy Spirit with counterfeit worship. Nelson
Books, Nashvile,Tennessee, 2013 Chapter 5: Apostles among us? Page 85-103

[2] Het Griekse werkwoord martureoo:getuige zijn, betekent in christelijke context vaak marteldood voor het geloof