“U zult Hem de naam Jezus geven”

De naam Jezus ten aanzien van Gods Zoon is Gods bewuste keuze. Deze naam is via “een engel des Heren” ook Gods bevel zowel aan Jozef (Mt 1:21,24) als ook aan zijn verloofde Maria (Lk 1:31). In de Griekse grondtekst van het NT schijnt de naam Jezus (Jèsous) meer dan 900keer voor te komen en slaat bijna altijd op Gods Zoon. Zó belangrijk vindt God de Vader de naam Jezus voor zijn goddelijke Zoon, dat Hij uitdrukkelijk déze Naam liet geven èn de schrijvers van het Nieuwe Testament inspireerde om de naam Jezus zó vaak te vermelden.
De Hebreeuwse naam Jehoshua bestaat uit twee delen: Jeho en shua. Jeho is de verkorte vorm van Gods openbarings-naam in het Oude Testament: Jahweh, de HERE, terwijl shua zowel redden (infinitief) als red! (imperatief) en geredde (participium passief) kan beteken. Samengevat betekent Jehoshua zowel Jahweh’s redden (als gebeurtenis, Golgotha!), Jahweh, red! (als gebed; vgl. Mt 14:30) en de door Jahweh geredde (persoon, huis; vgl. Luk 19:9).
Toen een Engel des Heren gebood om het te verwachten Kind de naam Jezus te geven, noemde hij Jozef en Maria natuurlijk niet de naam Jèsous (in het Grieks), laat staan ‘Jezus’ in het Nederlands, maar Jehoshua of Jeshua.

De eigennaam Jezuskostbaar voor God

God openbaarde Mozes in de woestijn: “Zie, Ik zend een engel voor uw aangezicht … Neem u voor hem in acht en luister naar hem, wees tegen hem niet weerspannig, want hij zal uw overtredingen niet vergeven, want … ” (Ex 23:20-22). Welke geschapen engel heeft zoveel autoriteit, dat hij zelfs een mens kan vergeven of vergeving kan weigeren (vgl. zelfs Mk 2:7)? In vers 23 geeft God een nadere aanduiding van ‘een’ engel en spreekt van ”Mijn engel zal voor uw aangezicht gaan” (ook 32:34), die in Ex 14:19: “de Engel Gods” genoemd wordt en o.a. in Ex 3:2 “de Engel des HEREN”. “De Engel des HEREN” is Jezus ‘incognito’ (verhuld) in het O.T. Hij is het die gemachtigd is om te vergeven of vergeving te onthouden.
De reden daarvan staat in Ex 23:21: “want mijn Naam is in Hem” (vgl. Richt 13:18; Jes 9:5). Daarom is de naam Jeshua (Jehoshua), Jezus, zo kostbaar voor God. Alleen déze naam is uitdrukking van ‘het redden van Jahweh’ – van de énige God die verlost (Js 43:11; 45:21-22!).

De eigennaam Jezuskostbaar voor zondaars 

Jezus (Jeshua), Gods Zoon, is de mens geworden (geïncarneerde) openbaring van het redden van Jahweh! Daarom is Gods bevel: “U zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden” (Mt 1:21).
De Bijbel laat er daarom geen twijfel over bestaan, dat er “onder de hemel géén andere naam aan de mensen gegeven is, waardoor wij gered moeten worden” dan de enige Eigennaam van Gods Zoon: Jezus (Hand 4:12).“Het heilige”, dat in het lichaam van Maria verwekt werd, moet niet alleen ‘Jezus’, maar “zal Zoon van God genoemd worden” (Lk 2:35). “Wie God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft in het getuigenis, dat God getuigd heeft van zijn Zoon” (1Joh 5:9-10; 2:23). Het woord Christus (Messias) is geen eigennaam, maar Jezus’ titel en betekent: ‘Gezalfde’.

De eigennaam Jezus kostbaar voor Gods kinderen

“Christus Jezus is ons van God geworden: wijsheid, gerechtigheid, heiliging, verlossing d.w.z. loskoop (1Kor 1:30)”. “Richt uw oog op de apostel en hogepriester van onze belijdenis, Jezus, die getrouw is” en “voor ons pleit” (Hb 3:1; 7:25-26).  “Laat bij uw wedloop uw oog alleen gericht zijn op Jezus, de bewerker en voleinder van ons geloof” (Hb 12:2). “Wij zien Jezus … met eer en heerlijkheid gekroond” (Hb 2:9). “Christus Jezus, onze hoop” (1Tim 1:1). En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit (eeuwige) leven is in zijn Zoon”. Alleen “wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het (eeuwige) leven niet (1Joh 5:10-12)”. “Al wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is – God blijft in hem en hij in God” (1Joh 3:15; 5:5; Hand 9:20). Kortom: in de Here Jezus, Gods Zoon, is alles geschonken (Ef 1:3) – buiten de Here Jezus is er niets.

De eigennaam Jezusuitsluitend voor de Here in menselijke gestalte op aarde?

Er zijn christenen die menen, dat de naam Jezus alléén bij Hem in menselijke gestalte op aarde behoorde. Sinds Hij verheerlijkt is en aan de rechthand van God zit, zouden christenen Hem eigenlijk niet meer bij die ‘aardse’ naam moeten noemen. Er staat immers geschreven: “Daarom kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer” (2Kor 5:16). Maar is het niet opvallend dat Paulus het hier over de titel Christus (Messias) heeft, niet over de eigennaam Jezus? Deze tekst kan toch niet als bewijs voor deze opvatting dienen.

Bovendien moet men de achtergrond van deze tekst bestuderen en kennen. De apostel Paulus moest zich voorturend tegen zijn eigen geestelijke kinderen in Korinte verdedigen, die meer onder de indruk van bepaalde personen dan van het zuivere evangelie waren. Sommigen hingen bv. aan Petrus (1Kor 1:12). Hij was immers een ‘echte’ apostel die de Here Jezus op aarde persoonlijk gezien en meegemaakt had. Zodoende beroemde zich deze Petruspartij in Korinte “op vlees”. Maar, moest Paulus ter verdediging zeggen: “Ben ik geen apostel? Heb ik niet Jezus, onze Heer, gezien …” (1Kor 9:1-18)?
En dan waren er de valse apostelen met “een ander evangelie, een andere Jezus, een andere geest”, die in de gemeente van Korinte waren binnengedrongen en daar een open deur hadden gevonden (2Kor 11). Dat waren mensen, die zichzelf tot apostelen hadden gemaakt en bovendien met ‘aanbevelingsbrieven’ van mensen aankwamen (2Kor 3:11). Zij zochten “roem door uiterlijkheden” (2Kor 5:12). Bovendien “prezen zij zichzelf aan en vergeleken zij zich met zichzelf, zonder het zelf te begrijpen” (2Kor 10:12-13). Ook tegen hen moest Paulus zich verdedigen. Zijn ‘aanbevelingsbrieven’ waren niet naar het vlees. Ze waren de christelijke gemeenten, die hij door Gods genade onder heidenen had mogen stichten. Paulus ging het om de geestelijke vrucht, niet om bijzondere menselijke contacten van vroeger of nu. Wat betreft geestelijke vrucht van zijn werk had hij “in geen enkel opzicht ondergedaan voor die onvergelijkelijke apostelen, ook al ben ik niets “ (2Kor 11:5; 12:11-12).
Dat alles heeft dus niets te maken met de naam Jezus, die niet eens in 2Kor 5:16 voor komt. Interessant is dat Christus in het laatste hoofdstuk van het laatste Bijbelboek van zichzelf zegt: “Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden om u dit te betuigen voor de gemeenten”(Op 22:16). Er is toch geen andere eigennaam van Gods Zoon dan Jezus?

Bijna uitsluitend bidden tot Jezus?

Er zijn andere christenen die meestal alleen over de naam Jezus spreken en zingen. Zij vergeten dat God deze Jezus tot Heer gemaakt heeft (Hand 2:36). Door Zijn losprijs, Zijn zoendood aan het kruis, heeft Hij ons gekocht en betaald. Jezus is dus Eigenaar, Heer van ons leven en lichaam en wij zijn dus zijn Eigendom (1Kor 6:19-20). Paulus noemt zichzelf dan ook altijd “slaaf van Jezus Christus”, zijn Heer en Meester (vgl. Joh 13:13) en schrijft: “Wij verkondigen … Christus Jezus als Heer” (2Kor 4:5; zie ook Rom 10:9). De boodschap van de engelen was al: “U is heden de Redder geboren, namelijk Christus, de Heer” (Lk 2:11).
Het Nieuwe Testament kent weliswaar gebeden tot de Here Jezus (o.a. Hand 7:59; 1Kor 1:2). Maar wie een kind van God geworden is, komt vooral ook tot zijn hemelse Vader in de naam van de Here Jezus, die de enige weg tot God is, ook in het gebed (Ef 2:18; 1Joh 2:1). Zie Paulus’ zegenbede aan het begin van elf van zijn brieven: “Genade zij u en vrede van God, onze Vader”! En: “Voor ons is er maar één God, de Vader” (1Kor 8:6). Door de Geest van Christus roepen wij tot God, de Vader: Abba, Vader (Rom 8.15; Gal 4:6). Zie ook 1Pe 1:17). Johannes schrijft: “Ziet, wat een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen van God genoemd worden, en wij zijn het ook” (1Joh 3:1-2). Wij mogen kinderen dan ook nooit het onbijbelse gebed leren: “Here Jezus, ik dank u dat ik uw kind (geworden) ben”. Jezus is niet onze Vader.

De naam Jezus – hoogste gezag èn grootste ergernis en aanstoot

Na de genezing in de naam van Jezus Christus van de verlamde bij de poort van de tempel in Jeruzalem werden Petrus en Johannes door de Joodse Raad gearresteerd en ondervraagd: “In welke naam hebt u dat gedaan?”. Daarop antwoordde Petrus: “dat in de naam van Jezus Messias, de Nazarener, Die u gekruisigd hebt, maar Die God uit de doden opgewekt heeft, dat in die naam deze gezond voor u staat”.
Na het beraad van deze Joodse Raad werd hun bevolen “in het geheel niet meer te spreken of te leren op gezag van de naam Jezus”. Maar de apostelen lieten zich niet intimideren door een spreekverbod van mensen resp. van religieuze leiders ten aanzien van de naam Jezus: Zij “spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid” na een bidstond (Hand 4:2,7-18,29-31).

Terugziende op de tijd vóór zijn bekering, bekende Paulus eerlijk: “Ik voor mij was tot de slotsom gekomen dat ik tegen de naam Jezus, de Nazoreeër, fel moest optreden” (Hnd 26:9) – totdat de Here hem op de weg naar Damascus klem zette en verscheen. Daarbij stelde de Here zichzelf voor als: “Ik ben Jezus die u vervolgt” (Hand 9:5; 22:4-5,7-8; 26:14-15).
Het is deze eigennaam van Gods Zoon, Jezus, die voor miljoenen mensen een ergernis en aanstoot was en is. Zo is Jezus ook de unieke eigennaam, waardoor ontelbare christenen achterstelling, verdrukking, lijden en vervolging hebben moeten verdragen – tot op de huidige dag – zoals de Here voorzegd heeft (Luk 21:12; Joh 15:18-25).
De Here heeft diverse titels gekregen, zoals “het Lam Gods” en “het Woord Gods” (Joh 1:29; Op 19:13) of ook “de Christus (Messias)” (Lk 24:26). Maar Hij heeft één Eigennaam: Jezus en het is déze naam, in wie Jahweh’s naam is – d.i. de naam van Jahweh de Schepper én van Jahweh de énige Redder (Jes 45:21-22), die eens de Rechter zal zijn (Joh 5:22-23; Hand 17:30-31).

Juist in deze tijd van grote afval onder christenen, daaronder ook zendelingen, is het uitermate belangrijk aan het getuigenis van Gods Woord vast te houden: er is géén andere Naam door Jahweh gegeven, waarin redding is, dan de eigennaam Jezus, de mens geworden, gekruisigde, opgestane, verheerlijkte, wederkomende Zoon van God. Er is dan ook maar één evangelie dat evangelistisch verkondigd mag worden: het evangelie Gods over Zijn Zoon en de redding in één naam, Jezus (Rom 1:1-2; Hand 4:12). Niemand kan van de straf en heerschappij van de zonde en de dood gered worden door een toevoeging aan de naam Jezus, laat staan door een vervanging van zijn Naam, bijvoorbeeld door het woord ’Isa (Spr 30:6).

De eigennaam Jezus  –  het woord ’Isa

De Arabische vertaling van de naam “Jezus” in de Arabische Bijbel is Jasu’u (Jahweh’s redden). De naam Jasu’u komt in de Koran niet voor, daarentegen het woord ’Isa. De oorsprong van dit woord is wetenschappelijk gezien onbekend. Wel zijn er allerlei theorieën. Hoe Mohammed aan het woord ‘Isa kwam, is evenmin bekend. Moslims geloven, dat hun Allah hem deze naam geopenbaard heeft, omdat deze in de Koran staat. Dat is mogelijk, want de Allah van de Koran is niet de goddelijke Vader van Jezus en ‘Isa is niet de Zoon Gods. De eigennaam van de levende God, Jahweh, komt in de Koran dan ook niet voor! Welke geest staat dan achter het woord ’Isa  (1Joh 2:22-23)?
Het woord ’Isa kan dus ook nooit ‘Allah redt’ betekenen, zoals de naam Jeshua Jahweh redt betekent. Deze ‘Isa is dan ook niet als zond- en schuldoffer aan het kruis van Golgotha gestorven en niet door zijn Allah opgewekt uit de doden. Hij zou wel door deze Allah van de Koran vóór de kruisdood in diens hemel opgenomen zijn. Maar uiteraard is deze Isa daar zónder littekens aan handen en voeten! Als ’Isa in een droom of visioen verschijnt, zal hij niet de tekenen aan handen en voeten tonen, ook al denken moslims, dat het ‘Jezus’ is die hun in de gestalte van ‘Isa in een droom of visioen verschijnt.Er zijn helaas nog al wat christenen, die hen in die waan laten of zelfs in die waan brengen.

Evangelistische ’Isa- dromen en -visioenen beweging  – vervulling van Joel 2?

Moslims krijgen al van huis uit diverse dromen en visioenen, evenals hun profeet ze had! Nieuw is nu dat er een hele bewéging van dromen en visioenen van de islamitische ’Isa is ontstaan. Het betreft zowel moslims die nog nooit iets van het evangelie gehoord hadden als ook hen die door een woord of lied van een christen, of ook door een ‘Jezus’ film, een geïllustreerde Bijbel of als kind via het flanelbord al een ‘voorstelling’ van Jezus hadden gekregen. Dat doet denken aan zulke dromen en visioenen van ‘Maria’ zoals kunstenaars zich haar uiterlijk voorgesteld hebben. In het Westen verschijnt zij dan meestal in het blauw, in Azië meer in het zwart.
Veel zendelingen – vooral uit de pinkster/charismatische bewegingen – zijn enthousiast dat er door zulke dromen en visioenen ‘honderden’ moslims ‘tot geloof ‘gekomen zouden zijn. Aan de andere kant zijn er ook christenen die vele berichten daarover hebben gelezen en gehoord, maar ze aan Gods Woord toetsen, zoals ons is opgedragen.

1. Verschijnt Jezus zelf in de gestalte van ’Isa ?
In berichten die gelezen of gehoord werden, wordt beweerd dat Gods Zoon, Jezus Zelf in de gestalte van ’Isa in dromen verschijnt. Wat zegt Gods Woord daarover?
De Bijbel zegt nergens, dat de door God opgewekte en verheerlijkte Jezus in de gestalte van een (zondig) schepsel verscheen of ook via de mond van een mens sprak. Dat zou spiritisme betekenen, wat Gods Woord juist verbiedt.
Anderzijds is echter het heel goed mogelijk dat de onbijbelse ’Isa de gestalte van de Bijbelse Jezus aanneemt. De listige slang kan immers alles imiteren, zelfs God, Jezus Christus, de Heilige Geest, zijn gaven en zijn vrucht. Er is geen waarheid in hem. Hij is “een mensenmoordenaar vanaf het begin” (Joh 8:44). Zo kan zich ook “een andere Jezus” (2Kor 11:4) in Jezus, Gods Zoon, vermommen. Een ’Isa die verschijnt en van zichzelf zegt dat hij ‘Jezus’ is, is een leugenaar.
Typerend is ook in de vele berichten over de dromen of visioen van ‘Jezus’ dat hij in een wit gewaad of in een groot licht gezien wordt. Waarschuwt de Bijbel ons niet dat de satan zich in de gestalte van een engel des lichts kan verhullen? (2Kor 11:14). Het gewaad dat de oude Johannes bij de openbaring van de Here Jezus Christus zag, was wel een beetje anders (Op 2:13-16)! Bovendien, toen de apostel zo de Here Jezus zag, viel hij “als dood voor zijn voeten” (2:17)!

2. Dromen en visioenen van ‘Jezus’ – voorbereiding op de heilsboodschap?
Zulke dromen of visioenen van ‘Jezus’ zouden een ‘voorbereiding’ voor de heilsboodschap zijn die moslims daarna zouden kunnen horen of lezen – ‘net als bij Kornelius (Hand 10)!?
*  Lezen wij wat daar staat, dan zien wij dat de Bijbel vermeldt dat Kornelius in een visioen een engel Gods zag.
*  Die engel Gods deed géén voorbereidend evangelistisch werk voor de heilsboodschap, maar zei alleen dat hij iemand naar Simon Petrus moest zenden. Die “zal woorden tot u spreken, waardoor u en uw hele huis gered zult worden” (Hand 11:13-14). Die engel zei niet al zelf allerlei ‘troostwoorden’ en gaf niet alvast een ‘gevoel van liefde en vrede’.
*  Bijbels geloof komt nu eenmaal uit het horen van het Woord van God. De heilsboodschap is het evangelie van geloof in Gods Woord (Rom 10:8) – niet van subjectieve dromen en visioenen. Deze zijn geen levend zaad en hebben geen gezag.
*  Zou het werkelijk de Here Jezus, Gods Zoon en enige Redder, zijn die in een droom ‘voorbereidend evangelistisch’ werk doet voor het eventueel later horen of lezen van de heilsboodschap? Waarom zou Hij, die het verlorene zoekt om het te redden, Zijn heilswerk ‘uitstellen’ tot een keer een Bijbel of christen gevonden wordt, die het evangelie brengt?

3. Dromen en visioenen van ‘Jezus’ – vervulling van Joel 2:28-29?
Pinkstercharismatisch georiënteerde christenen beschouwen de ‘Jezus’-dromen/visioenen beweging onder moslims als vervulling van de profetie van Joel 2:28-29, , zoals de apostel Petrus deze citeerde (Hand 2:15-21).
*  Joels profetie heeft evenals 3 andere in het O.T. uitsluitend betrekking op het volk Israël in de eindtijd. Daarom staat er liefst vierkeer: “uw” zonen, dochters, ouden, jongelingen. Sinds wanneer behoren moslims tot Israël als natie?
*  Het kernprobleem ligt niet bij selectieve Bijbelverzen die bij elkaar geharkt worden. Kernproblemen zijn o.a.
A. de pinkstercharismatische ideologie van “er is méér”: méér dan de Schrift. Gods handen zijn ‘niet gebonden’ aan de canon van de Bijbel. Er is eenvoortgaande openbaring’. Zo‘brengt God’de heilsboodschap‘nu’ook via dromen, visioenen, hedendaagse profetieën .. enz. Dat is Gods ‘directe’ spreken i.t.t. zijn ‘indirect’ spreken via de Bijbel.
B. de pinkstercharismatische praktijk: Het boek Handelingen is géén uniek geschiedenisboek t.a.v. een unieke periode in de heilsgeschiedenis. De beschreven gebeurtenissen zijn ‘niet eenmalig’, maar ‘een voorbeeld voor hier en nu‘. Daarmee worden de eigentijdse, buitenbijbelse gebeurtenissen aan Gods Woord als de enige maatstaf en toets, onttrokken! Zal daardoor niet ook de wetteloosheid in interpretaties van de Bijbel de overhand nemen en de liefde tot de Here Jezus, die zich uit in gehoorzaamheid aan zijn Woord, verkillen (Mt 24:11; Op 2:4; Joh 14:15,21,23-24)? Is het niet zo dat velen, al helemaal gewend aan buitenbijbelse boodschappen, onder “het Woord” niet meer uitsluitend het geschreven Woord verstaan?

Verloochenen wij in de praktijk als christenen in de ontmoeting met moslims niet onze Heiland door zijn Naam Jezus, Gods Zoon te verbergen of te veranderen, of ook door hen in de waan te laten, ‘Jezus’ te hebben gezien en daardoor tot geloof te zijn gekomen? Moge de Here Jezus echter ook tot ons eens zeggen,zoals tot de gemeente in Filadelfia (Op 3:8):
U hebt kleine kracht, maar u hebt mijn Woord bewaard
en mijn Naam niet verloochend.

.Els Nannen, 2010, 2013