Tongentaal in de gemeente in Korinte  –
tot zelfopbouw?

Tongentaal was een gave van de Heilige Geest om in een niet geleerde taal van de heidenen tot God te spreken, Hem, de Vader van Jezus Christus, te aanbidden en te loven. Tot Pinksteren was de taal van Israël om Jahweh, zijn God, te aanbidden Hebreeuws. Het Hebreeuws werd daarom door de Joden als een heilige taal – de talen van de heidenen door hen als ‘onrein’ beschouwd. Daarom werden die talen in de eredienst en voor aanbidding van de Heilige als ongepast gebrandmerkt.

 De Gemeente van Jezus Christus – wie behoort daartoe?

De Bijbel leert, dat alleen zij die zich in overeenstemming met Handelingen 26:18-20 bekeerd en uit God geboren zijn (Joh 3:5,7; Jak 1:18) en tevens hun zonden  eerlijk en concreet aan God belijden (Joh 1:9), levende leden van het Lichaam van Christus zijn.
De hoofdstukken over de gaven van de Heilige Geest (1Kor 12-14) staan verder in nauw verband met de Bijbelse leer over de Gemeente als het éne (geestelijke) Lichaam van het éne Hoofd, Jezus Christus, met de vele leden, hun gaven en diensten ten behoeve van de andere leden van Zijn Gemeente (vgl. 1Kor 12:12, 20, 27).

Gedoopt zijn in de Heilige Geest tot één Lichaam – door wie?

Johannes de Doper profeteerde, dat degene die ná hem komt in de Heilige Geest zal dopen – niet in water zoals hij deed. De vervulling van deze profetie is Jezus Christus alleen (Mc 1:7-8; Joh 1:32-34). Het is nooit de Heilige Geest die in de Geest, tot zichzelf of in het Lichaam van Christus doopt. De Heilige Geest is immers niet het Hoofd van Christus’ Lichaam! En wedergeboren christenen zijn geen leden van de Heilige Geest.
Omdat Johannes de Doper onder het Oude Verbond met het volk Israël leefde, wist hij niets af van de Gemeente van Christus onder het Nieuwe Verbond. Hij kon alleen zeggen wie in de Heilige Geest zou dopen, maar niet waartoe.

Gedoopt zijn in de Heilige Geest – waartoe?

Aan de apostel Paulus werd het doel van dit gedoopt zijn in de Heilige Geest door Jezus Christus geopenbaard: “In één Geest zijn wij allen tot één Lichaam gedoopt …” (1Kor 12:13). Een ander doel bestaat er niet. Het gedoopt zijn in de Geest door Jezus Christus betekent het toegevoegd worden aan zijn geestelijk Lichaam (Hnd 2:41; 2:47b; 5:14; 11:24) en verbindt alle leden van het Lichaam met elkaar in Christus, het Hoofd. De Schrift zegt: “Wij zijn allen … ” (1Kor 12:13: 2keer).
Het is “een andere geest” via “een ander evangelie” die scheiding maakt tussen de leden van Christus Gemeente, zoals tussen ‘geestgedoopte’ en ‘niet-geestgedoopte’ christenen (2Kor 11:2-4).

Door Christus gedoopt zijn in de Geest tot zijn Lichaam – wanneer?

Op hetzelfde moment, waarop een mens uit God geboren (wedergeboren) wordt, voegt de Here Jezus hem of haar aan zijn Gemeente toe, doordat Hij hem of haar in de Geest tot zijn Lichaam doopt – nooit later. Qua tijd bestaat er geen scheiding tussen wedergeboorte en het door Christus gedoopt zijn in de Geest tot zijn Lichaam. Daarom staat het werkwoord in verléden tijd: “Wij zijn allen” …”(2keer) en niet in de toekomende tijd (wij worden), laat staan in de gebiedende wijs (wij moeten …).
Het is vanuit “een andere geest” via “een ander evangelie”, wanneer aan een wedergeboren christen gezegd wordt: ‘Je moet nog met de Geest gedoopt worden; bid daarom of kom naar voren, dan kunnen wij onder handoplegging om de geestesdoop voor je bidden’[1]. Voegt zo iemand niet op ongeoorloofde en misleidende wijze toe aan de Schrift en wordt hij of zij dan niet “een leugenaar bevonden”                (Spr 30:5-6)?
Omdat de doop in de Geest door Christus tot zijn Lichaam allang achter de rug is, spreekt de Schrift nergens over een gebed, een vasten of handoplegging daarvoor. Wie niet gelóóft wat geschreven staat, loopt gevaar dat de duivel met een doop in “een andere geest” doopt (geestendoop) antwoordt! Dat is niet ongevaarlijk.

Gedoopt zijn in de Heilige Geest tot één Lichaam door Christus – een persoonlijke ervaring?

Het objectieve heilsfeit van 2Kor 12:13 is nooit subjectief – emotioneel of fysiek – ervaarbaar, evenmin als het ontvangen van de inwoning van de Heilige Geest of van de Geest als onderpand, of de zalving en de verzegeling met de Geest door God, de Vader Zelf te voelen is (2Kor 1: 20-22). God verlangt van zijn kinderen geloof op grond van zijn Woord. Zo schrijft Paulus bv.: “Weet gij niet, dat uw lichaam en tempel van de Heilige Geest is, die in u woont, die u van God hebt?” (1Kor 6:19). Hij zegt niet: ‘Voelt u niet, hebt u niet een persoonlijke, bijzondere ervaring van de inwonende Geest?’ Zo ook wéten wij door geloof in Góds Woord, dat wij “in Christus” zijn en dat “Christus in ons” is in de Heilige Geest, omdat de Heilige Geest in ons woont en blijft,   – niet omdat wij dat voelen of ervaren (1Joh 4:13; 3:24; Joh 14: 17,20,28) Dat alles op het moment van de geboorte uit God.
De Persoon van de Heilige Geest Zelf is niet ervaarbaar, wel bv. zijn leiding en werking, vooral bij het leren verstaan en toepassen van de Schrift, die Hij Zelf inspireerde.

Gedoopt zijn in de Heilige Geest tot het Lichaam van Christus – tongentaal het bewijs?

1Kor 12:13 zegt niets over tongentaal als bewijs van ‘geestesdoop’. En het hoofdstuk over o.a. tongentaal (1Kor 14) verbindt tongentaal niet met het gedoopt zijn in de Geest door Christus tot zijn Lichaam. Dat is logisch. Destijds werd de gave van tongentaal alleen ènkele gelovigen in Korinte gegeven, terwijl het gedoopt zijn in de Geest tot Jezus’ Lichaam voor álle wedergeborenen te allen tijde geldt. Het énige bewijs en vast fundament is: Er staat geschreven, namelijk in 1Kor 12:13!

 Alle Geestesgaven zijn dienstgaven voor elkáár in de Gemeente met uitzondering van tongentaal

1Kor 14:3: “Wie profeteert, spreekt voor de mensen, opbouwend, vermanend, bemoedigend”.
1Kor 14:4: “Wie profeteert, bouwt de gemeente op”.
1Kor 14:12: “tracht uit te munten tot opbouw van de gemeente”.
1Kor 14:26: “alles (!) moet tot opbouw (van de gemeente) geschieden”. Tongentaal kan dat niet.
1Kor 14:31: “opdat allen lering en allen bemoediging (troost) erdoor ontvangen”.

Tongentaal – nooit een teken voor gelovige christenen (1Kor 14:22)

Tongentaal was nooit voor wedergeboren christenen bestemd, maar voor de Joden om hen van Gods heil ook voor niet-joden te overtuigen. In het boek Handelingen komt tongentaal dan ook alleen voor, waar ook Joden aanwezig waren (2: 4-11; 10: 44-47; 19: 1-7).Een christen, die zijn tongentaal voor eigen opbouw gebruikte, was Gods Woord ongehoorzaam: “Tongen zijn een teken niet voor hen, die geloven” 1Kor 14: 22a). Neemt men 14:2 uit zijn verband en isoleert men deze tekst om zijn of haar gebruik van eigentijdse tongentaal te rechtvaardigen ten koste van 14:20-22, dan doet men de betekenis van dat vers geweld aan.

Altijd Schrift met Schrift vergelijken!

Paulus schrijft 1Kor 14: 2 niet als een aanmoediging, maar ironisch. Ironisch schrijft hij o.a. ook: “Indien iemand u, die kennis heeft, aan tafel ziet aanliggen in een afgodentempel, zal dan niet zijn zwak geweten opgebouwd worden tot het eten van offervlees (1Kor 8:10)?”. Uiteraard beveelt Paulus hier gelovigen niet aan om in een afgodentempel aan tafel aan te gaan liggen opdàt het zwakke geweten van een geloofsbroeder ‘opgebouwd’ wordt! Het tegendeel is immers het geval. Wij mogen niet “kinderen in het verstand worden”, laat staan zijn (1Kor 14:20a)!
Paulus argumenteert i.v.m. de opstanding, die door sommige gemeenteleden ontkend werd: “Wat zullen anders zij doen, die zich voor de doden laten dopen? Indien er in het geheel geen doden opgewekt worden, waarom laten zij zich nog voor hen dopen (1Kor 15:29)? Ook dat is toch niet bedoeld om gemeenteleden aan te sporen om die praktijk na te volgen? Doop voor overledenen (zoals nu bij de sekte van de Mormonen) gaat immers tegen Gods Woord in (Mk 16:16). Wij moeten altijd Schrift met Schrift vergelijken
   Zelfopbouw tenslotte is precies het tegendeel van het doel van elke gave van de Heilige Geest: Zonder uitzondering moet elke gave de ándere leden van Christus’ Lichaam opbouwen. 1Kor 14: 2 als rechtvaardiging voor zelfopbouw in het geloof is dus uitgesloten.

Via eigentijdse tongentaal – een boodschap van God?

De Bijbel zegt: “Jaagt de liefde na en streeft naar geestelijke zaken, doch vooral naar het profeteren. Want wie  in een vreemde taal (tong) spreekt, spreekt niet tot mensen …” (1Kor 14:1-2). Een ‘boodschap’ van God voor een medemens via tongentaal was dus volkomen uitgesloten. Wanneer een dergelijke zogenaamde boodschap niet uit de eigen oude mens stamde, kon men wel een instrument van “een ándere geest” zijn. “God heeft nu aan het einde van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon” en wel duidelijk en direct. En dat staat sinds eeuwen opgetekend in de Schrift. God spreekt ook ‘vandaag’ niet indirect via de omweg van een tongentaal in onbegrijpelijke woorden tot ons. Wat een belediging voor onze hemelse Vader!

Eigentijdse tongentaal – een ‘machtig wapen tegen satan en demonen’?

De eigentijdse tongentaal wordt zowel in het zogenaamde bevrijdingspastoraat tegen ‘demonen’ als in de zogenaamde strategisch-geestelijke oorlogvoering tegen vermeende territoriale demonen in huizen, gebouwen, dorpen, steden, landen etc. gebruikt. Demonen met demonen uitdrijven?

Wie beweert dat zijn tongentaal ‘(meer) volmacht’ tegenover satan en demonen geeft, gaat niet alleen in tegen de Schrift. Is zijn tongentaal niet vooral ook anti-christelijk: komt zij in feite niet in de plaats van Jezus Christus? Immers, uitsluitend in Jezus’ naam ligt goddelijke volmacht! Zei de Here Jezus niet Zelf tot zijn apostelen: “In mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven” (Mk 16:17) en niet: via tongentaal?
Als Bijbelse tongentaal geen spreken tot mensen was, hoe kan het dan een spreken tot (gebieden van) satan en demonen zijn?! Tongentaal komt niet eens in Gods wapenrusting voor (Ef 6). De Bijbel zegt toch: “Wie in een vreemde taal (tong) spreekt, spreekt tot God“ – dus niet tot satan en demonen, Gods aartsvijanden. Waarom laten wij ons dan bedriegen, waarom willen we bedrogen zijn?

Tongentaal – uitsluitend een tekengave voor de toenmalige ongelovige Joden (1Kor 14:21-22), namelijk:

1. dat het heil in Jezus Christus niet alleen voor de Joden geldt, maar voor alle volken (Mt 28:18-20; Joh 3:16-17; 4:42). Dat was voor de Joden destijds een onverteerbare zaak. Hiervan enkele voorbeelden.Dat de Here Jezus de historische feiten citeerde dat de profeet Elia uitgerekend naar een weduwe in Sarepta bij Sidon[2] gezonden en dat alleen maar Naäman, de Syriër, in de tijd van de profeet Elisa van zijn melaatsheid genezen werd, waren deze voorbeelden al voor zijn ongelovige stad Nazareth, dat Hem niet als profeet  wilde aannemen, voldoende om “met toorn vervuld” te worden en te trachten Hem te doden (Lk 4:23-30)!

Bekend is de goede belijdenis van Petrus ten aanzien van de Persoon van Jezus Christus. Daarop zei de Heer: “en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen …” (Mt 16:16-18). Maar heeft Petrus wel beseft, dat de Gemeente van Jezus Christus straks uit Christus-gelovige Joden èn heidenen bestaat? Ondanks Christus’ bevel om alle volken tot Zijn discipelen te maken (Mt 28:18-19), moest God zich alle tijd en met een drievoudig visioen alle moeite nemen om Petrus bereid te maken, het huis van heidenen binnen te gaan om hen het evangelie te verkondigen! Uiteindelijk bekende Petrus: “Mij heeft God doen zien dat ik  niemand onheilig of onrein mag noemen”; “er is bij God geen aanneming van de persoon” (Hnd 10:1-34). Desondanks was het een grote verrassing voor Petrus en de andere Joden die met hem naar de Romeinse hoofdman Cornelius gekomen waren, dat ook heidenen de Heilige Geest als gave ontvingen op het geloof in de Here Jezus Christus, precies als zij, Joden (Hnd 11:13-18).

Toen Paulus zijn roeping voor de heidenen door Jezus Christus in zijn toespraak tot de Joden meedeelde, schreeuwden deze: “Weg van de aarde met zo iemand: want hij behoort niet te blijven leven!” (Hnd 22:21-22).
Zo’n joodse haat was er tegen evangelieverkondiging onder de heidenen. Zie ook 1Tes 2:14-16!

2. dat God niet alleen in de Hebreeuwse taal aanbeden en de Heiland, Jezus Christus, niet alleen in het Hebreeuws verkondigd wil worden. De gelovigen uit de heidenen mogen vanaf Pinksteren in hun eigen moedertaal het evangelie horen (later ook lezen) en in hun eigen taal tot God bidden en Hem aanbidden. Zij moeten niet eerst Hebreeuws gaan leren. “Er is geen onderscheid tussen Jood en Griek (heiden). Immers, één en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; want ieder, die de naam des Heren aanroept, zal behouden worden” (Rom 10:11-13).

Paulus, de door God afgezonderde apostel voor de niet-Joden (heidenen), dankte God dat hij meer in talen van de heidenen (tongentaal) bad dan enkele gelovigen in de gemeente te Korinte, die deze gave hadden ontvangen. Dat hij, de ex-farizeeër en huidige christen uit de Joden, in door de Heilige Geest geïnspireerde, niet geleerde talen van heidenen bad, zou toch een niet mis te verstaan hoorbaar teken voor ongelovige Joden moeten zijn, dat God niet alleen de God van de Joden is, maar ook van de volken (heidenen, Rom 3:29)!

Dat God uitgerekend enkele gelovigen in de gemeente in Korinte de gave van ongeleerde talen had gegeven, was niet toevallig. De gemeente kwam samen in het huis van Titius Justus dat aan de synagoge grensde (Hnd 18:6-7). Christenen en Joden waren elkaars directe buren! Iedere Jood moest buiten al een keuze maken: Óf ik ga door de deur van de synagoge en hoor daar de wet van Mozes (“gij zult, gij zult niet”) óf ik ga door de deur van de gemeente van Christus en hoor daar het evangelie: “Het is volbracht!” (Joh 19:30). Het feit dat enkele christenen in door Gods Geest geïnspireerde, niet geleerde ‘heidense’ talen tot God baden, zou toch een teken voor de ongelovige Joden in de synagoge naast hen moeten zijn, dat het Oude Verbond onder de wet van Mozes was vervangen door het Nieuwe Verbond in het bloed van Christus (Ef 2: 14-16; Heb 8: 6-10,13).

De Joden begeren tekenen” (1Kor 1: 22; Mt 12: 38-41; 16:4) – allereerst van de Here Jezus. Hij noemde hen daarom “een boos en overspelig geslacht”. Christus gaf echter geen ander teken van zijn Messiasschap dan dat van Jona: Zijn aanstaande kruisdood en opstanding. Ondanks dat overduidelijke teken, begeerden de Joden nog steeds andere tekenen – selectief in hun voorstelling en eis van ‘tekenen’.[3]

God gaf tekenen op Zijn wijze: Het ontstaan en de groei van de Gemeente van Jezus Christus uit wedergeboren Joden èn heidenen die in Gods Zoon, Jezus Christus, Heiland en Heer geloven. En het teken der talen (tongentaal) – als Zijn oordeelsteken over de ongelovige Joden, die nog steeds niet in de Messias geloofden.De vergelijking van spreken in vreemde talen (tongentaal) als uitsluitend teken voor ongelovige Joden met de “vreemde taal” van de “vreemden” (Assyriërs, heidenen) die God als oordeel over Israël gebruikt had (Jes 28: 11-12) laat immers overduidelijk zien dat de gave van vreemde talen in Korinte uitsluitend een oordeelsteken voor de ongelovige Joden was. Want: “Toch zullen zij naar Mij niet luisteren, spreekt de Here”[4].

“Tongen – zij zullen ophouden”[5] (1Kor 13:8)

De eerste brief aan de gemeente in Korinte schreef Paulus vóór zijn gevangenschap in Rome. Daar vermoedelijk kreeg hij profetisch inzicht, dat spreken in niet-geleerde talen een keer helemaal zou ophouden. Wanneer precies, was hem niet geopenbaard. Hij heeft de vervulling ook niet meer meegemaakt, aangezien hij in ongeveer 65 (of 67) onthoofd werd. Toch geeft hij aanwijzingen op grond van een andere profetie van Jesaja (Js  6). Deze laat de verharding van het hart van het volk Israël zien.

Israëls’ geestelijk keerpunt
Paulus kondigde in Rome op grond van Jesaja 6 profetisch wel het geestelijke keerpunt voor het volk Israël aan: “Het zij u (Joden) dan bekend dat dit heil Gods aan de heidenen (volkeren) gezonden is; die zullen ook horen”(Hnd 28:28).
In tegenstelling tot de Joden begeerden de heidenen geen tekenen – laat staan tongentaal als teken. Zij verlangden naar de evangelie verkondiging. In Antiochië in Pisidië verwierpen de Joden Gods Woord zoals over rechtvaardiging door het geloof in Gods Zoon, vergeving door Hem en eeuwig leven in Hem. Toen deze Joden het evangelie verwierpen, verklaarde Paulus: “Zie, nu wenden wij ons tot de heidenen”, daarbij de profetieën uit Js 42:6 en 49:6 citerend. “Toen de heidenen dit woord hoorden, verblijden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren … en het woord des Heren verbreidde zich door het hele land” (Hnd 13:44-49, 52).En tongentaal was voor de christenen uit de heidenen al helemaal niet nodig om hen er van te overtuigen dat het heil in Christus er ook voor hen is.

Israëls politiek keerpunt
Pas in het jaar 70, dus na de dood van Paulus, begon door Gods oordeel via de Romeinen het politieke keerpunt voor het volk Israël: Jeruzalem werd verwoest, evenals de tempel. Zo konden niet langer dieren als plaatsvervangend zond- en schuldoffer voor God gebracht worden.
Ongeveer 40 jaar lang had God in Zijn lankmoedigheid getolereerd dat Israël zelf nog steeds dieren offerde, hoewel het ‘Offerlam Gods’ al lang op Golgotha voor de zonde ‘geslacht’ was. Maar: “Waar vergeving bestaat, is er niet meer (niet langer) een zondoffer”(Heb 10:18). Die dieroffers waren zo’n 40 jaar lang dus openlijke rebellie tegen God en Zijn Lam.

Het gevolg was dat de Bijbelse gave van tongentaal als teken voor de toenmalige ongelovige Joden nu niet meer nodig was. Het volk Israël had het teken van de talen (tongentaal), meer nog: vooral het teken van Jona verworpen. Vele Joden werden gevangen genomen of verstrooid. Zodoende hield de Bijbelse tongentaal vanzelf op, precies zoals de apostel Paulus profetisch geschreven had en zoals ook de kerkgeschiedenis aantoont. Tongentaal was immers nooit voor gelovige christenen bedoeld.

Moet het niet te denken geven dat de leer van tongentaal als ‘bewijs van de geestesdoop’ in 1901 in een Bijbelschool van gelovige christenen – niet voor Joden – ontstond, gesticht door de Methodist Charles Parham. En hoe is de ‘Pinksterbeweging’ – gedurende de eerste tijd typerend tongenbeweging genoemd – die in 1906 in de christelijke Methodistenkerk in de Azusa straat uitbrak,  waar geen Joden aanwezig waren, te rijmen met 1Kor 14:21-22  en 1Kor 13:8? Bovendien werd (wordt) tongentaal niet als teken voor Joden gezocht en ervaren, maar als teken voor zich zelf als christenen dat zij een ‘geestesdoop’ ervaren hadden.

 Buitenbijbelse tongentaal komt nog steeds voor in enkele Aziatische religies, in het occultisme, in sekten zoals in bij adventisten, in de rooms-katholieke kerk en in kringen, waarin een ‘ervaring’ van een buitenbijbelse geestesdoop gezocht, door handoplegging overgedragen en aangenomen wordt.

Laten wij niet vergeten om God te danken voor het voorrecht dat wij in ons land zijn Woord in onze eigen taal kunnen lezen en tot Hem in Jezus Christus in onze eigen taal mogen komen. De vertaling van de Bijbel in honderden talen van niet-Joden is een eigentijds – hopelijk positief – taal-teken voor ongelovige Joden! Laten wij ook daarom bijdragen aan de vertaling en verspreiding van Gods Woord in andere landen.

 

E. Nannen
2009

 

David Cloud: The Pentecostal-Charismatic Movements – The History and Error, 2006

Donald W. Dayton: Theological Roots of Pentecostalism. Hendrickson Publishers, Peabody, Massachusetts,1994

Robert G. Gromacki: The Modern Tongues Movement. Baker Book House, Grand Rapids, Michigan, 1972

John F. MacArhur: De charismatische verwarring. Novapres, 1994; Zondervan Publishing House, 1992

Fernand L.A. Legrand: Teken van de talen. Een Bijbelse analyse van tongentaal. Medema. Vert. van Le Signe du Parler en Langue.

 


[1] In het weekend over de Heilige Geest van de Alpha cursus schijnt de mogelijkheid gegeven te worden om naar voren te
komen voor gebed onder handoplegging voor de ‘doop in de Geest’. Is dat niet krenking van Christus, het Hoofd van zijn
Gemeente, die een echt kind van God allang in de Geest tot zijn Lichaam gedoopt had? Kan een mens dat eventjes
‘overdoen’ of ‘aanvullen’ door gebed onder handoplegging? Nog afgezien van het feit dat die aangeboden geestesdoop
absoluut niets te maken heeft met 1Kor 12:13, de enige tekst die wezen en doel van gedoopt zijn in de Geest openbaart.

[2] in Phenicië, dus uiten Israël

[3] Komt een selectieve voorstelling van en begeerte naar tekenen niet ook onder christenen voor, vooral sinds het ontstaan
van de Pinksterbeweging uit de Amerikaanse Heiligingsbeweging? Maar zijn alleen lichamelijke genezingen een teken?

[4] 1Kor 14:21; Hnd 28:24-28; Jes 6:9-10; Joh 12:40

[5] Grieks: pausomai: ophouden