Thomas, een discipel  – zwaarmoedig?

Hoewel wij deze karakterisering nergens in de Bijbel vinden, wordt Thomas vaak verbonden met zwaarmoedigheid. Er zijn christenen die graag buitenbijbelse psychologische typologieën op Bijbelse personen toepassen. Zo zou Petrus ‘sanguinisch’ zijn en Thomas ‘melancholisch’.
Dat de Here Jezus geen psychologische etiketten opplakt, maar heel andere, immers geestelijke maatstaven gebruikt, blijkt uit Zijn berisping van Martha in Bethanië, die men psychologisch ’extrovert’ noemt (Lk 10:38-42). Haar zuster Maria krijgt het etiket ‘introvert’ opgeplakt. Maar de Here Jezus moest tegen Martha zeggen: ”Martha, Martha u maakt u bezorgd en druk om vele dingen, maar… slechts één ding is nodig; want Maria heeft het goede deel gekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen”. Dat ‘goede’ was niet haar ‘goede’, zogenaamd ‘introverte karakter’ – je karakter ‘kies’ je nu eenmaal niet. Het goede betekende de goede prioriteit: Eerst de Persoon van Jezus Christus in het luisteren naar Zijn Woord. En dan van daaruit Hem gaan dienen.
Moeten ook wij ons denken misschien laten reinigen van psychologische etiketten op bv. Thomas?

“De Joden” in Jeruzalem
Juist de apostel Johannes toont in zijn beschrijving van het evangelie hoe de afkeer bij de leidinggevende Joden in Jeruzalem stijgt tegen Jezus als Messias en Zoon van God. Opvallend is dat hij 60 keer de uitdrukking “de Joden” gebruikt, waar Matteüs dat maar één keer doet en Markus en Lukas ieder maar 2 keer.
De toenemende afwijzing van de toenmalige Joden wordt uiteindelijk tot regelrechte haat zowel tegen deze Jezus als Gods Zoon als ook tegen God, als Zijn Vader: “Wie Mij haat, haat ook mijn Vader” (Joh 15:18-27). Jezus werd gehaat om Zijn woorden èn om Zijn Messiaanse tekenen -“zonder reden” (Joh 15:25) –  , gehaat als hèt Licht en dè Waarheid (Joh 3:19-20; 7:7; 8:37-40,45-46)!
Liefst zes keer beschrijft Johannes de poging van de Joodse leiders in Jeruzalem om Jezus te (laten) arresteren. Zelfs na de opwekking van Lazarus als Messiaans teken “hadden de overpriesters en de Farizeeën voorschriften gegeven, dat indien iemand wist, waar Hij zich bevond, hij dat zou aangeven, opdat zij Hem zouden kunnen arresteren” (11:57).
Na de zesde arrestatiepoging vertrok de Here Jezus uit Jeruzalem, Judea, “naar de overzijde van de Jordaan” (10:39,40). Dáár hoorde Hij van de ernstige zieke Lazarus, “de broer van Martha en Maria” (11:3,6).

 Daarop zei Jezus: “Laten wij weer naar Judea gaan” (Joh 11:8)
Vol onbegrip reageren de discipelen: “Rabbi, onlangs nog trachtten de Joden U te stenigen en U gaat weer dáárheen?” (vgl. Joh 8:59;10:31). Begeeft Hij zich – en ons! – dan niet nodeloos in gevaar? Maar Jezus wist dat het door God voor Hem bestemde “uur” (Gr. kairos) nog niet gekomen was (Joh 7:30; 8:20). Moest ook niet Jezus’ heerlijkheid openbaar worden in de opwekking van de overleden Lazarus (11:4)?
Bovendien: “Zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten hoger dan uw gedachten”, zegt God (Js 55:9). Dat geldt hier zowel voor de discipelen als ook de overleden Lazarus, “onze vriend” (11:11).

Naar Bethanië, Judea
Jezus: “Ik ga daarheen om hem (Lazarus) uit de slaap op te wekken” (Joh 11:11; vgl. Mt 9:24; 1Ts 4:13-15). Maar na de reactie van de discipelen daarop “zei Jezus ronduit tot hen: Lazarus is gestorven, en het verblijdt Mij om u dat Ik daar niet geweest ben, opdat u gelooft (niet: tot geloof komt!). Maar laten wij tot hem gaan”(Joh 11:15).

Nieuwe lessen in geloof
Johannes en Andreas hadden het getuigenis van Johannes de Doper over Jezus, de Zoon van God, geloofd en waren Jezus gevolgd. Petrus deed dat opgrond van het getuigenis van zijn broer Andreas: “Wij hebben de Messias gevonden” (Joh 1:34-43). Filippus volgde in geloof Jezus, Die hem tot volgen geroepen had. Nathanaël werd overtuigd door de alwetendheid van Jezus Messias en volgde Hem in geloof (Joh 1:44-51).
De discipelen leerden in Jezus als Messias geloven door het eerste Messiaanse teken in Kana (Joh 2:11). Hun geloof moest echter steeds weer worden getest en verdiept, zoals tijdens de storm op het meer: “Waarom bent u zo bevreesd? Hoe hebt u geen geloof” – in deze concrete, moeilijke situatie (Mk 4:40)?
Het wonder van Jezus’ spijziging van 5000 mensen had de discipelen nog niet tot diepere kennis van de Here Jezus gebracht, “want hun hart was verhard” (Mk 6:52). Zo waren zij ontsteld toen Jezus op het bruisende meer hun tegemoet kwam en het windstil werd (Mk 6:45-51). Zelfs na de spijziging van de 4000 mensen waren zij nog steeds ‘hardleers’ (Mc 8:14-21).

 “Bethanië nu was dicht bij Jeruzalem”, ongeveer 3 km verwijderd (Joh 11:14-17).
Maar was Jeruzalem niet de stad waar de Joodse leiders al diverse pogingen ondernomen hadden om Jezus gevangen te nemen en zelfs te stenigen (8:59; 10:31,39;11:8)?
Meer nog. Had de Here Jezus hun niet geleerd dat Hij in Jeruzalem moest lijden, verworpen en gedood worden èn na drie dagen opstaan (Mc 9:31)? Jeruzalem betekende dus allereerst Jezus’ sterven.
Nu wilde de trouwe Meester zijn discipelen een nieuwe geloofsles geven: Hij Zelf is de Opstanding en het Leven – door de lichamelijke dood heen (Joh 11:20-44). Zou Hij, die het Leven is, ooit Zelf in het graf kunnen blijven?

Thomas: “Laten ook wij gaan en met Hem sterven” (Joh 11:16)
Zo onafscheidelijk wist de leerling Thomas zich met zijn Heer en Meester verbonden.
Had niet ook Petrus later tot Jezus gezegd: “Zelfs al moest ik met u sterven, ik zal u voorzeker niet verloochenen. Zo spraken ook alle discipelen” (Mt 26:35). Waren nu opeens alle 12 discipelen “zwaar-moedig”, zoals speciaal Thomas psychologisch getypeerd wordt? Of waren ze eerder stoutmoedig in hun innerlijke verbondenheid met hun Heer? Was het misschien hun liefde die “alles verdraagt” (1Kor 13:7)?

Paulus getuigt: “Met Christus ben ik gekruisigd” (Gal 2:20)
En zegt verder: “en toch leef ik, dat is, niet meer (mijn oude) ik, maar Christus leeft in mij”. Na Jezus’ zoendood aan het kruis van Golgotha en Zijn opstanding, is door de Heilige Geest nog een andere, diepere innerlijke verbondenheid met Jezus Christus, de Here, mogelijk. Voor de discipelen en voor ons is dat een met Christus gekruisigd, gestorven en opgestaan, later aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig zijn (Rom 6; 1Joh 3:2-3). Delen in Zijn lijden “is dat om ook te delen in Zijn verheerlijking” (Rom 8:17,30; Joh 12:24-26).
De apostel kon ook schrijven: “Want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven… noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die in Christus Jezus, onze Here is” (Rom 8:35-39).

“Mijn Here en mijn God”  
Dat was Thomas’ oprechte reactie op de woorden van de opgestane Here Jezus, toen Hij hem zijn littekenen aan handen en zij toonde (Joh 20:27-28). Het was voor hem echter niet meer nodig om door persoonlijke aanraking Jezus te willen ervaren. Jezus’ woorden waren voor hem nu genoeg geworden.
Maar waarom toen pas? Had de Heer niet al diverse keren over Zijn eigen opstanding gesproken? Waarom had Thomas dan niet Jezus’ woorden vóór Zijn kruisiging geloofd? Hij had toch ook zelf meegemaakt dat Hij Lazarus uit de dood had opgewekt? Waarom wilde Thomas méér dan het Woord: het Woord-’Plus’ ervaring, het Woord-‘Plus’ zien?

Overigens, waarom toch noemen wij alleen Thomas ‘ongelovig’? Had niet Jezus alle 10 berispt dat zij bij Zijn verschijning “ontzet en versteld” waren? Had Hij hun niet Zelf aangeboden om naar Zijn handen en voeten te kijken en Hem zelfs te betasten? En toen zij het nog niet geloofden, moest Hij nog vragen of zij voor Hem iets te eten hadden (Lc 24:36-43; ook 24:25-27). Zie ook Jezus’ terechte verwijt aan de Emmaüsgangers (Lk 24:24-35). Laten wij ons hoeden voor al of niet psychologische inlegkunde!
Laten wij ons vooral ook hoeden voor berichten en getuigenissen van Jezus’ verschijningen zonder de littekenen aan handen en voeten! Dat is dan toch“een andere Jezus”(2Kor 11:4,14)?!

 “Gelukzalig zij die niet gezien hebben en toch geloven” (Joh 20:29)
Is niet de hele beeldcultuur in onze tijd een gevaar voor een leven uit geloof in het geschreven Woord? Verlangen en zoeken ook wij naar een gevoel, een ervaren, een visueel zien en auditief horen – kortom naar een Woord-‘Plus’ en een geloof-‘Plus’? Maar, “zonder geloof is het onmogelijk God te behagen” (Hb 11:6).

“Wij wandelen in geloof en niet in aanschouwen … Nu wij dezelfde Geest van het geloof hebben, zoals
geschreven staat: Ik heb geloofd, dáárom heb ik gesproken, geloven ook wij en daarom spreken ook wij”
(2Kor 5:7,13; Rom1:18).

 

Els Nannen, april 2014