“Pinkstervuur in de dorpskerk”

In de Nieuwsbrief van Heart Cry van Januari 2014  stond een oud artikel Pinkstervuur in de dorpskerk uit het bekende Pinksterblad Kracht van omhoog[1]. Een predikant leed onder het feit dat zijn gemeente geestelijk gesproken op een “ijskast” leek. Op een dag van het gedenken van het historisch Pinksteren bad hij o.a. “Ach Heere, openbaar nu nog eenmaal uw kracht”. Bij het zingen van het lied “Ruis, o Godsstroom der genade” hoorde hij plotseling een “ruisen van de Geest”. Daarop bad de predikant: “Kom nu, gezegende Geest, kom nu en daal als in de dagen vanouds op ons neer”.
Hij hield een korte preek van ongeveer een kwartier. Daarna stopte hij plotseling omdat hij opnieuw dat ‘ruizen van de Geest’ hoorde. Hij riep uit: “O God, laat Uw vuur nu vallen op onze gemeente en laat wonderen en tekenen gebeuren door de naam van Uw heilig Kind Jezus”. De tweede helft van dat gebed is ontleend aan de unieke gebeurtenis in Handelingen 4:23-31.Dat gemeenteleden tot belijdenis van zonde kwamen, zag die predikant als antwoord op zijn gebed voor ‘vuur’ en als een opwekking in de gemeente.

De unieke geschiedenis in Handelingen 4 – de situatie in een dorpskerk
Is het mogelijk om “Pinkstervuur in de Dorpskerk” één op één te vergelijken met de historische gebeurtenis in Jeruzalem in Handelingen vier?

* De unieke situatie in Jeruzalem. De apostelen Petrus en Johannes waren gearresteerd om hun getuigenis aangaande de opgestane Jezus en een genezing in de naam van Jezus. Zij moesten voor de Joodse oversten, oudsten en schriftgeleerden verschijnen. Deze legden hun een verbod op om te spreken en te leren op gezag van de Naam Jezus. Het is de eerste christenvervolging ter wille van de naam Jezus die in Handelingen vermeld wordt.

De situatie in die dorpskerk echter betrof  een blijkbaar geestelijk dode gemeente – zonder vervolging, arrestatie, spreekverbod en dreigingen van de kant van een kerkelijke leiding in verband met Jezus’ naam.

Het gebed van de apostelen na hun vrijlating en van andere gelovigen. Tegen die achtergrond van de rebellie tegen “de Here en zijn Gezalfde” baden zij om “met alle vrijmoedigheid Gods Woord te spreken” (4:24-30; vgl. Ef 6:19). Immers, alleen Gods Woord is het levende zaad, waardoor zondebesef, bekering en geloof gewekt worden met behulp van de Heilige Geest (Lk 8:11; Jak 1:18,21; 1Pe 1:23; Joh 16:8). Zij baden dan ook niet om ’vuur’ van de Geest – dat staat overigens ook niet in Handelingen 4:31.
In overdrachtelijke betekenis werkt Gods Woord “als een vuur en als een hamer die een rots in stukken breekt”(gezag heeft ; Jer 23:29; Mt 7:28-29; 24:19). In Handelingen 4 was er géén sprake van een of andere mystieke ervaring van een ‘bruisen van de Geest’. De plaats van de bidstond werd bewogen.

Het gebed van die predikant daarentegen ging over een “opnieuw neerdalen van de Geest”. Is er voor een dergelijk gebed in het boek Handelingen of ook in de brieven van het Nieuwe Testament wel een voorbeeld of aansporing te vinden? Had niet de Here Jezus gezegd dat de Heilige Geest bij de Gemeente “tot in alle eeuwigheid” zou blijven (Joh 14:16-17)? Zou de Heer zich dan vergist hebben?
Is een uitnodiging van de Geest om “op ons neer te dalen als in de dagen vanouds” niet een belediging van God, die de belofte van de Geest aan de Zoon destijds gegeven heeft, een belediging van Jezus Christus, die deze belofte “uitgestort heeft” en een krenking van de aanwezige Heilige Geest? De Schrift spreekt toch nergens over een hemelvaart van de Heilige Geest uit de Gemeente van Christus, dus ook niet over een ‘opnieuw neerdalen’ in of op de Gemeente of op enkelingen?

*  De Here Jezus liet in zijn voorlezen en uitleg van de profetie van Jesaja 61:1-2a doelbewust vers 2b (“een dag der wrake van onze God”, d.i. de oordeelsdag) weg. Hetzelfde deed Hij met zijn citaat van Johannes de Doper over een “doop met vuur” (Vgl. Mt 3:10-12 met Hand 1:5 en zodoende ook door de apostel Petrus, Hand 11:19). De Here Jezus is immers niet gekomen om de wereld te oordelen – nu is het (nog) de tijd van Gods genade in Zijn Zoon, Jezus Christus. Bijgevolg vinden wij nergens in het boek Handelingen of in de brieven van het Nieuwe Testament een gebed om of ook een ervaring van ‘een doop met vuur’.
We lezen dan ook nergens in het Nieuwe Testament over “vuur” in een gemeente of  “vuur op de kansel”.
De predikant daarentegen bad: ”O, God, laat Uw vuur nu vallen op onze gemeente …”. Hij bad dus in feite om Gods gericht over zijn gemeente. Wat een verblinding.
Nog erger is het dat hij uit de volgende zondebelijdenissen in zijn gemeente concludeerde dat deze het gevolg van ‘Gods vuur op de gemeente’ respectievelijk Gods antwoord op zijn gebed was. En daarmee verblindde en misleidde hij velen die zijn verhaal lazen of hoorden – nu zelfs tot op de huidige dag.

Christus moest ook tegen de gemeente in Sardes zeggen: “Ik weet uw werken, dat u de naam hebt dat u leeft, maar u bent dood”. Waarom raadt Hij niet aan om te bidden om een ‘doop met vuur’, maar zegt Hij: “Bekeert u” (Op 3:1-6)? In Laodicea zag het er droevig uit. Die gemeente kreeg o.a. de vermaning: “Koop ogenzalf om uw (geestelijk blinde) ogen te bestrijken, opdat u mag zien…Wees dan ijverig en bekeer u”(Op 3:14-22). Gehoorzaamde men aan Zijn bevel, dan zou men eventueel hebben kunnen spreken van een ‘opwekking’, hoewel dat in een dergelijk verband geen Bijbels begrip is (vgl. ook Hand 19:8-10,18-20).

*  Vergeving – los verkrijgbaar zonder concrete bekering?
Jezus’ uitdrukkelijke opdracht aan de eerste evangelist (zendeling) onder de niet-Joden, de apostel Paulus, was, om door Gods Woord hun “de ogen te openen, opdat zij zich bekeren vantot, opdat zij vergeving van zonden … zouden ontvangen door het geloof in Mij” (d.i. Jezus Christus, Hand 26:18-20).
De apostel Johannes wijst er nadrukkelijk op dat het eeuwige leven in de Zoon is. “Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet” (1Joh 5:10-12).Er staat niet: wie zijn zonden beleden heeft, heeft het eeuwige leven. Zei de Heer niet Zelf dat men “van Boven” (uit God) geboren moet zijn (Joh 3:3,5,7)? Deze ‘wedergeboorte’ schenkt God via zijn Woord (Jak 1:18).

* (Openbare) zondebelijdenis – garantie dat ze oprecht, concreet en volledig is?
Vooral bij openbare schuldbelijdenissen is het oppassen geblazen. Sommigen vergroten hun zonden uit omdat zij denken God daarmee te verheerlijken die hen uit een dergelijke ‘diepe put’ gered heeft. Het verhaal over hun oude leven of zonden staat dan in geen verhouding tot hun korte getuigenis over Gods ingrijpen in hun leven. Sommige (jonge) toehoorders kunnen door een dergelijk uitvoerige zondeverhaal zelfs op het idee komen om hetzelfde een keer uit te proberen. God wordt echter alleen verheerlijkt door de waarheid en door het benadrukken van Zijn genade!
Sommigen belijden zonden om interessant te doen, soms zelfs zonden die zij niet begaan hebben. Het hart van de mens, zijn inwonende zondige natuur, is nu eenmaal “arglistig boven alles, ja verderfelijk is het” (Jr 17:9) – ook in een wedergeboren christen!  De ‘oude mens’ in hem en haar heeft zich immers niet bekeerd, hij kan dat ook niet. De ‘oude mens’ is ook geen demon die ‘uitgedreven’ kan en moet worden. God heeft de ‘oude mens’ in Jezus Christus aan het kruis veroordeeld, de ‘oude mens’ is in Christus mee gekruisigd. “Laat daarom de zonde (de ’oude mens’) niet langer als koning heersen” – ook niet bij het al of niet in het openbaar schuld belijden (Rom 6).

Is een gemeente lauw of zelfs dood in Jezus’ ogen, zou het dan niet voorde hand liggen om met Psalm 139:23-24 eerst te bidden om Bijbelse zelfkennis? Immers, ook voor ons geldt: “Ja, ieders binnenste en hart is ondoorgrondelijk” – ook voor iedere seculiere psychologie en psychiatrie (Ps 64:7b). Alleen God kent “de geheimenissen des harten” (Ps 44:22). Groeiende Bijbelse zelfkennis leidt dan tot groeiende mensenkennis en zodoende tot geestelijk inzicht in de situatie van de gemeente. Dan worden we ook barmhartiger en zullen het niet in ons hoofd halen om over haar ‘vuur van de hemel’ (= Gods gericht) of ‘vuur van de Geest’ te bidden. Wij leven toch zelf uitsluitend van de overvloedige genade van de Here Jezus (Joh 1:16)?

 

Els Nannen, februari 2014

 

 


[1] J.E. van den Brink, Kracht van Omhoog, 19.5.1956, jaargang 23. Het artikel is geschreven door Jan van Gijs