De betekenis van Pinksteren voor Gods kinderen

Jezus’ zoendood aan het kruis, zijn opstanding en Hemelvaart zijn van onvoorstelbare waarde, ja van eeuwigheidswaarde.

Een van de gevolgen van Christus’ leven en werk is het nieuwe Pinksterfeest: dat is het ontstaan van de Gemeente van Christus, zijn geestelijk Lichaam. Eerst had God zijn Zoon een menselijk lichaam bereid om daarin plaatsvervangend Zijn straf voor onze zonde te dragen.[1] Op de historische Pinksterdag heeft God zijn Zoon een uniek geestelijk Lichaam bereid, waarvan Jezus Christus het Hoofd is (Ef 1:19-23). Dit geestelijk Lichaam heeft wereldwijd nu al ontelbare leden, organisch verbonden met het Hoofd en met elkaar.
Wij willen nu proberen om de betekenis van de komst van Gods Geest op aarde na te gaan, evenals enkele uitwerkingen daarvan.

Betekenis van Pinksteren voor kinderen van God

 1. Pinksteren is voor hen het bewijs dat Jezus “uitermate verhoogd” en verheerlijkt is.[2]

Jezus zit aan de rechterhand van God “in de hemelse gewesten, ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam … “(Ef 1:20-22a). Jezus zei terecht: “Mij is gegeven alle macht (volmacht) in hemel en op aarde”.[3]
Nog meer dan David kunnen wij daarom in geloof zeggen: “Wat zou vlees (een mens) mij aandoen?”[4] Het antwoord is: niets … dan wat onze Heer en Heiland toelaat. En God kan heel veel in het leven van zijn kinderen toelaten.
Het leven van Paulus, “gezondene” (apostel) voor de niet-Joden (Hand 26:17), is daarvan een sprekend bewijs.[5] Hij werd bovendien soms verhinderd om zijn belangrijke dienst te doen.[6] Zelfs aan de satan werd dat soms toegestaan (1Ts 2:18). Ook stierven de meeste apostelen, waaronder Paulus, de martelaarsdood. Is dat alles dan niet in strijd met de eerder genoemde Bijbelteksten, zoals
Matteüs 28:18?
Uiteraard spreekt de Schrift niet zichzelf tegen. Wij moeten daarom altijd Schrift met Schrift vergelijken.
 
Rechtens (de jure) zijn aan Jezus Christus “alle dingen onderworpen” zonder enige uitzondering. God heeft Hem immers “tot Heer gemaakt” (Hnd 2:36). Dat is het objectieve aspect.
Feitelijk (de facto) is echter de situatie op aarde zoals de Schrift eveneens zegt: “Maar thans zien wij nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn” (Hb 2:8). Christus is wel “voor altijd gezeten aan de rechterhand van God”. Maar Hij “is wachtende totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten” (Hb 10:13; 1:13; Mt 22:41-45).
Zodoende wacht ook Christus’ Gemeente op de feitelijke verwerkelijking van Efeziërs 2:6-7: “om in de komende eeuwen de overweldigende rijdom van zijn (Gods) genade te tonen … over ons in Christus Jezus”.
 
Zei dezelfde Heer die op Zijn almacht wees niet ook: “In de wereld lijdt u verdrukking” en “Als de wereld u haat, weet dan dat zij Mij eer dan u gehaat heeft … Als zij Mij vervolgd hebben, zullen zij ook u vervolgen” (Joh 16:33; 15:18,21)?
Nee, Jezus Christus verkondigde absoluut niet een ‘theologie van de glorie’ op deze aarde. Tot zijn komst voor zijn Gemeente worden de zijnen “als slachtschapen gerekend” (Rom 8:36) en volgen zij het geslachte Lam, waar het ook heengaat!” (Op 14:4).
 
De apostel Paulus verkondigde (1Kor 1:18; 2:2) èn leefde de theologie van het kruis (theologia crucis) getuigende: “Ik sterf elke dag”.[7] Zeiden Paulus en Barnabas op hun allereerste zendingsreis niet al tot de pas bekeerde (!) christenen: “Wij moeten door veel verdrukkingen het Koninkrijk van God binnengaan”?[8] Kennen jonge mensen in onze tijd  nog iets van Paulus’ “roemen in de verdrukkingen” omdat deze “volharding, beproefdheid en hoop uitwerken” (Rom 5:3-4)?
Werd en wordt niet juist daartoe de kracht van de Heilige Geest gegeven om in deze Gode vijandige wereld getuige van de gehate naam Jezus Messias te kunnen zijn (Gr. martureó: in het NT speciaal marteldood als getuigenis van het geloof)?

Wanneer wordt deze ‘kruistheologie’ van Christus en van de apostel Paulus het hoofdthema van conferenties op Pinksteren en daarna? Hoelang nog laten wij het denken van onszelf en van medechristenen besmetten met liederen uit de pinksterbeweging die eenzijdig het objectieve aspect van Jezus’ verhoging benadrukken en dit feitelijke aspect van lijden om de naam en het evangelie van Jezus Christus, de Heer verwaarlozen? En hoe lang nog laten wij ons beïnvloeden door de pinkster/charismatische dwaalleer dat Pinksteren ‘het feest  van de Geest’ is? Dat gaat toch helemaal in tegen de taak en wil van de Geest der Waarheid zelf (Joh 15:25; 16:13-15)?

2. Pinksteren betekent ook: God is betrouwbaar

God had op zijn tijd zijn belofte aangaande de komst van zijn Zoon op aarde in Betlehem in Judea vervuld.[9] Precies zo had Hij de belofte van de komst van de Heilige Geest om op aarde te wonen in Jeruzalem vervuld (Lk 24:49). Wij kunnen er dus zeker van zijn dat God ook al zijn andere beloften, die in de Bijbel geschreven staan, in vervulling zal doen gaan.
God kan zijn redenen hebben om “met de belofte te talmen” (2Pe 3:13). Maar van uitstel komt bij Hem geen afstel. “Want hoe vele beloften van God er ook zijn, in Hem (Christus) is het: Ja; daarom is het ook door Hem het Amen, tot eer van God door ons (apostelen)” (2Kor 1:20).

Pinksteren betekent dus ook: Gods Zoon is betrouwbaar. Ook Jezus Christus is zijn belofte nagekomen om de Heilige Geest die Hij van de Vader ontvangen zou uit te storten. (Hand 2:33; Titus 3:6). Zo zal Hij ook al zijn andere beloften vervullen, zoals Johannes 12:32 en 14:2-3!

3. Pinksteren betekent:Ik (Jezus) kom tot u”

Jezus beloofde dat Hijzelf met Pinksteren in de Heilige Geest tot de zijnen die op de aarde zijn, zou komen (Joh 14:18,28).
Meer nog: “Te dien dage (met Pinksteren) zult u weten dat Ik in mijn Vader ben en u in Mij en Ik in U” (Joh 14:20). Jezus Christus is door de Heilige Geest niet alleen bij de zijnen, waar zij zich ook mogen bevinden, en wel elke dag (Mt 28:20). Hij is in de Heilige Geest ook in de zijnen door zijn leven in hen (1Joh 5:11-12). Want: “Dit is de belofte die Hij ons beloofd heeft: het eeuwige leven” (1Joh 2:25; 5:11-12; Joh 3:16).
Daarom is Gods doel met het leven van zijn kinderen: hen om te vormen in het karakter, de gezindheid van zijn Zoon door de groei van Jezus’ leven in hen tot psychische en geestelijke volwassenheid.[10] “Daarom weten wij dat God alles doet meewerken ten goede voor degenen die Hem – en zodoende ook Zijn Woord en wil – liefhebben” (Rom 8:29,28).
Paulus ging als geestelijke vader door veel moeite en strijd vanwege zijn geestelijke kinderen in Galatië “totdat Christus gestalte” in hen zou verkrijgen. Dat zou ook zichtbaar moeten worden in de innerlijke reactie op Gods (vaak moeilijke) wegen (Gal 4:19). Ja, “Christus in u, de hoop der heerlijkheid”, jubelt de apostel.[11]

4. Pinksteren is het feest van de geboorte van de unieke Gemeente van de unieke Jezus

Voor haar had Hij Zich uit goddelijke liefde overgegeven “om haar te heiligen (voor Zich af te zonderen), haar reinigend door het waterbad met het Woord … Dit geheimenis is groot, maar ik spreek met het oog op Christus en de Gemeente“.[12] Zij is immers zijn Bruid in geestelijke betekenis (Joh 3:29; Mat 9:14-15; 2Kor 11:2-4; Op 19:6-9; Js 61:10).
Het geheimenis van de Gemeente van Christus was “niet bekend ten tijde van vroegere geslachten”. Het was “eeuwenlang verborgen in God, de Schepper van alle dingen”    (Ef 3:5a,9). Maar: “Nu door de Geest geopenbaard aan de heiligen: zijn apostelen en profeten”, in het bijzonder aan de apostel Paulus (Ef 3:1-4,5b).
Het thema van de brief aan de Efeziërs is de Gemeente van Jezus Christus, haar Hoofd. Het thema van de brief aan de Kolossenzen is Jezus Christus als het Hoofd van zijn Gemeente.

5. Pinksteren betekent: door Jezus tot zijn (geestelijk) Lichaam gedoopt zijn

Jezus Christus, het Hoofd, heeft ieder die uit God geboren werd, onmiddellijk in de Geest tot zijn (geestelijk) Lichaam gedoopt (1Kor 12:13: “wij zijn”, “wij zijn allen”). Het is dan ook de Here Jezus Zelf die hen tot zijn (geestelijk) Lichaam toevoegt die gelovig het Woord gehoorzamen “door de bijstand van de Heilige Geest “ (Hand 2:47; 9:31).[13]

Het is dus niet de Heilige Geest die in de Geest, in Zichzelf doopt! Hij is immers ook niet het Hoofd van Christus’ Lichaam. De Geest is ook niet de vervulling van de profetie van Johannes de Doper aangaande de Zoon van God (Joh 1:33-34). Een ‘geestesdoop’ zoals deze in diverse pinkster/charismatische kringen geleerd wordt, heeft dus absoluut niets te maken met 1Korintiërs 12:13. Bovendien wordt deze zogenaamde ‘geestesdoop’ qua tijd meestal gescheiden van de geboorte uit God verkondigd en ervaren.

Uitwerkingen van Pinksteren voor kinderen van God

1. Heilszekerheid

Immers, “U hebt de Geest van het Zoonschap ontvangen, waardoor wij roepen: Abba, Vader! Die Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn”, dus zodra wij “uit God geboren” zijn (Rom 8:16; Gal 4:6; Jak 1:18). 

2. Zekerheid van de inwoning van de Heilige Geest

De enige voorwaarde voor het ontvangen van de Heilige Geest is bekering tot en geloof in de Persoon van Jezus Christus (Gods Zoon, Heer en Redder), door Wiens zoenoffer aan het kruis de schuld tegenover God voldaan is (Gal 3:1-2; vgl. Rom 5:5-6).
De Geest, die God op het (levend) geloof in zijn Zoon geeft, wordt daarom niet ontvangen door bidden en vasten, niet door een of andere handoplegging e.d. De Heilige Geest is Persoon, zelfs Goddelijk Persoon. Gods Geest is dus evenmin ‘overdraagbaar’ als Gods Zoon ‘overdraagbaar’ is of ‘uit te delen’ (bv. via een eucharistie). Een “andere geest” daarentegen is wel overdraagbaar!
Zonder berouwvolle bekering tot God in Jezus Christus in geloof  kan men de Heilige Geest niet ontvangen (Hnd 26:18-20). “Wie de Geest van Christus niet heeft, behoort Hem niet toe” (Rom 8:9). Geen inwoning van de Heilige Geest zonder inwoning van Jezus Christus, de Heer. En omgekeerd!

Bidden om (de inwoning van) de Heilige Geest?
Er zijn christenen die leren dat je ‘om de Heilige Geest’ kunt en zelfs moet bidden. Daarbij verwijzen zij naar Lukas 11:13. Volkomen onterecht. Dat komt mede omdat men niet geleerd heeft om de Schrift ook historisch te lezen. Men is bovendien weinig of niet gewend om Schrift met Schrift te vergelijken.

Wanneer sprak de Heer tot zijn discipelen over het bidden t.a.v. de Heilige Geest? Was dat  voor of na Goede Vrijdag en Pasen?! Zelfs vlak vóór Zijn (historische) Hemelvaart gebood de Heer hun niet om voor de belofte van de Vader (de Heilige Geest) te bidden, maar op de (historische!) vervulling daarvan te wachten. Het was toch duidelijk dat Jezus éérst (historisch) verheerlijkt moest worden (Joh 7:37)! Toen dat gebeurd was (Hand 2:33; Fil 3:9-10) stortte Hij de Heilige Geest uit – op zijn tijd, d.i. op de Pinksterdag.

Een kind van God bidt wel in de Geest (Ef 6:18; Judas 20), maar niet om de Heilige Geest. Dat zou een belediging voor Jezus Christus zijn. Hij woont immers in de Heilige Geest sinds de geboorte uit God in hem of haar. Het is evenzo een belediging voor God, de Vader, alsof Hij  zijn kind nog steeds niet tot een “tempel van de Heilige Geest” zou hebben gemaakt (1Kor 6:19).
Iedere scheiding van de inwoning van de Here Jezus en de inwoning van zijn Geest in een kind van God is een heel ernstige dwaalleer. Ze is een open deur voor dwaalgeesten, allerlei dwaalleringen en onbijbelse ervaringen zoals die van een ‘persoonlijk pinksteren’.

Iets heel anders is, dat een kind van God de Vader bidt om de werking van Zijn Geest. Zo bijvoorbeeld voor een (jeugd)dienst, een Bijbelavond, een pastoraal gesprek, een pastorale brief (e-mail) of evangelisatie.

3. Gods verzegeling met de Heilige Geest

God heeft Zijn kinderen zodra zij tot levend geloof in zijn Zoon gekomen zijn “verzegeld met de Heilige Geest der belofte”.[14]  De Heilige Geest is Gods onzichtbaar en onaantastbaar zegel dat “Hij op ons gedrukt heeft”, als merkteken van toebehoren (Joh 17:6; 1Pe 2:9), van zekerheid (Joh 10:28-30) en van verificatie (2Tim 2:19).
Aangezien wij mensen alleen “zien wat voor ogen is” en niet het hart, kunnen wij ons vergissen en menen dat iemand ‘bekeerd’ is. Maar God vergist Zich nooit: Zijn kinderen heeft Hij verzegeld. De 144000 verzegelden uit Israël dragen op hun voorhoofden de naam van het Lam van God en de naam van zijn Vader, geopenbaard in de Zoon (Op 14:1; ook Op 3:12).

De Schrift zegt dat er in de toekomst verzegelden zijn met een ander merkteken met een andere naam: die van “het beest uit de aarde”, de anti-christus.[15] Maar “God kent hen
die zijn kinderen zijn”. Hij heeft hen immers door zijn Woord en Geest verwekt (Jak 1:18).

4. Gods onderpand voor de opstanding ten leven

“Indien de Geest van Hem (God), die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zal Hij die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest die in u woont”  (Rom 8:11).[16]
De apostel Paulus schrijft nuchter dat onze “aardse tent (ons lichaam) afgebroken wordt”; het sterfelijke moet door het leven verslonden worden. “God is het die ons juist daartoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft” (2Kor 5:1-5; 4:14).

5. Innerlijke vrucht van de Geest

De innerlijke vrucht van de Heilige Geest is de heilige gezindheid van Jezus Christus. Daarom schrijft de apostel Paulus “niet langer te wandelen zoals onbekeerden (heidenen) wandelen … Maar u geheel anders: u hebt Christus leren kennen … leg daarom af … ” (Ef 4:17-6-10).
Temidden van al die vermaningen zegt hij: “En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is”. Dan weet je immers niet meer wat je doet en wat je zegt. Je bent dan alle  controle kwijt. Datzelfde geldt ook voor hen die beweren ‘dronken van de heilige Geest’ te zijn (geweest), waarbij zij niet meer wisten wat zij zeiden of deden – tot lastering van God onder niet-christenen. De zogenaamde Toronto-zegen kan nooit door de Heilige Geest geïnspireerd zijn, eerder door het ‘vrome vlees’ of zelfs door “een andere geest”.

De vrucht van de Heilige Geest is precies het tegenovergestelde: zelfbeheersing, zelfcontrole (Gal 5:22). Daarom vervolgt de apostel: “maar  wordt vervuld met (de) Geest” (Ef 5:28). Deze tekst mag nooit uit zijn verband worden gerukt en nooit geïsoleerd.

*  Vervuld worden met Heilige Geest betekent vervuld worden met het heilige leven van Jezus Christus – en omgekeerd. Hoe meer Christus gestalte in de zijnen krijgt, des te meer worden zij met Heilige Geest vervuld! Het ene is nooit te scheiden van het andere. Wat zou dat een gezegende conferentie met Pinksteren worden en zijn, wanneer dit aspect voor de praktijk van elke dag uitgewerkt zou worden.

*  Er staat niet: weest vervuld, niet als het ware ‘eens voor altijd’. Maar wordt vervuld, en wel steeds weer en steeds meer. Door iedere zonde wordt de Geest bedroefd. Als wij echter oprecht en concreet de bewuste zonde voor God belijden, vergeeft Hij om Christus’ wil. Pas dan kunnen wij opnieuw met Gods Geest vervuld worden.
Toen de apostel Petrus vanwege zijn huichelarij in Antiochië door Paulus vermaand moest worden, was hij niet meer zoals op de Pinksterdag met de Geest vervuld (Gal 2:11-14)!

*  De vermaning: “En bedrinkt u nietmaar wordt” is een bevel, precies zo als “Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid “ (4:25). Een bevel moet opgevolgd worden.
Er staat dan ook niet: ‘ Bidt om vervulling met de Geest’ en al helemaal niet: ‘Laat je de handen opleggen voor vervulling met de Geest’. Dat zou pure ongehoorzaamheid zijn. En dat is dan weer een open deur voor misleiding door het vlees of door “een andere geest”.
“Niet meer liegen” is eveneens een Bijbels bevel, evenzo “de waarheid spreken” onder elkaar (Ef 4:25). Bij al die vermaningen schrijft de apostel nergens: ‘bidt’ of ‘laat je daarvoor de handen opleggen dat je niet meer liegt’. Hij beveelt gewoon: “Hebt de oude mens afgelegd” (Ef 4:22, in het Grieks: aoristus, niet: tegenwoordige tijd! Vgl. Rom 6:6,11-14).

*  Nooit mogen wij vergeten dat de Heilige Geest Goddelijk Persoon  is. Nooit en te nimmer kan de inwoning van de Geest door menselijke handoplegging of een opheffen van handen in een christen worden ‘vermeerderd’ (‘opgeladen’). Is het niet een grove belediging voor de Heilige Geest, wanneer Hij in dergelijke praktijk gereduceerd wordt tot een onpersoonlijke kracht zoals elektriciteit die je naar believen voor jezelf of een ander kunt ‘aftappen’?

Hoe dan wel vervuld worden met Heilige Geest?
Paulus schrijft na “maar wordt vervuld met Heilige Geest” verder met deelwoorden (niet met ‘en’. Dat doet de vertaler), “sprekende onder elkaar … te allen tijde (!) dankende in de naam van onze Here Jezus God, de Vader, voor alles (!) …elkaar (!) onderdanig zijnde (zich aan elkaar onderwerpende) in de vreze voor Christus … echtgenotes aan uw echtgenoot  … kinderen aan uw ouders … slaven aan uw heren … ” (Ef 5:18-6:9). Dat zijn Paulus’ concrete aanwijzingen voor de gelovigen in Korinte hoe zij meer en meer met Heilige Geest vervuld kunnen worden.
Een christen kan van de ene pinkster-charismatische bijeenkomst naar de andere reizen en  zich de handen laten opleggen voor ‘vervulling met Heilige Geest’ –  maar waar geen innerlijke en geen praktische onderwerping is of geen dankbaarheid “te allen tijde” en “voor alles”, is dat allemaal een farce, zij het geen onschuldige.

6. Het lichaam – een tempel van de Heilige Geest

“Weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest die in u woont, die u van God hebt en dat u niet van uzelf bent? Want u bent gekocht en betaald. Verheerlijkt daarom God met uw lichaam” (1Kor 6:19). Beseffen wij wel (genoeg) dat ook ons lichaam niet ons eigendom is? Het is ‘geleend’ òm daarin en daarmee God te verheerlijken en te dienen. Daarom staat er in de brieven van het Nieuwe Testament “slaaf” (lijfeigene!) van Christus (niet: dienaar, dienstknecht).[17]
Anders gezegd: “Ik vermaan u dan met beroep op de barmhartigheden van God dat u uw lichamen stelt tot een levend, heilig en God welgevallig (geestelijk) offer: dit is uw redelijke eredienst” (Rom 12:1). “Voor allen is Hij (Jezus) gestorven opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die voor hen gestorven is en opgewekt” (2Kor 5:14-15).
Hebben wij ooit principieel en daarna steeds weer opnieuw ons lichaam bewust aan de Heer overgegeven en het Hem ter beschikking gesteld? Is Jezus Christus overdag en ’s nachts Heer van ons lichaam met al zijn leden (1Kor 6:12-13)?

7. Kennis van de rijkdom in Jezus Christus

“God heeft ons gezegend met iedere geestelijke zegen in Christus in de hemelse gewesten” (Ef 1:3). Daarom: “geloofd zij God en Vader van onze Here Jezus Christus”! Het is z’n enorme rijkdom, dat het laatste overgeleverde woord van de apostel Petrus is (2Pe 3:18): ”Wast op … in de kennis van onze Heer en Heiland, Jezus Christus” (niet: van demonen!).
Toenemende en doorleefde kennis van de Here Jezus ontstaat o.a. door trouwe omgang met Hem in Bijbelstudie, door toepassing daarvan in levenshouding en denken, door gebed en een dienende gezindheid. Daarbij “hebben wij de Geest uit God ontvangen opdat wij zouden weten wat ons door God in genade geschonken is” in zijn Zoon (1Kor 2:12).

8.  “De Geest komt onze zwakheid te hulp”

Welke ‘zwakheid’? Het gaat hier niet om lichámelijke zwakheid, maar om de onvolmaaktheid (beperktheid) van onze menselijke natuur. Dat is bijvoorbeeld ons gebrek aan kennis van Gods wil in een bepaalde, concrete situatie of voor ons leven in het algemeen.
*  Dan pleit de Geest voor ons (niet: in ons; wij zijn geen medium voor het pleiten van de Geest, Rom 8:26-27).
*  De Geest pleit voor ons “met onuitsprekelijke verzuchtingen” (niet: met onverstaanbare verzuchtingen als een soort geheimtaal of met de onverstaanbare tongentaal).
*  God kent en beaamt de bedoeling van de Geest. Omgekeerd pleit de Geest voor heiligen (d.i. door God voor Zich afgezonderde gelovigen) “naar de wil van God”.

Gods kinderen hebben dus een goddelijke pleitbezorger
*  in de Heilige Geest op aarde opdat wij niet tegen Gods wil ingaan en zondigen en
*  in Jezus Christus, de Rechtvaardige, in de hemel als we gezondigd hebben (1Joh 2:1-2).“Wie zal veroordelen (schuldig verklaren en straf eisen)? Christus Jezus is de Gestorvene,
wat meer is, de Opgewekte die ter rechterhand Gods is die ook voor ons pleit” (Rom 8:34).

9. De liefde van God in onze harten uitgestort

De apostel Paulus schrijft met grote zekerheid: “De liefde van God (Gr. agapè) is in onze harten uitgestort door de heilige Geest die ons gegeven is, zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen gestorven is”. Daarom “roemen wij óók in de verdrukkingen, daar wij weten dat de verdrukking volharding uitwerkt en de volharding beproefdheid en de beproefdheid hoop en de hoop (op Gods heerlijkheid) maakt niet beschaamd” (Rom 5:2-6).
De Here Jezus gaf een nieuw gebod van liefde tot de naaste. Het oude gebod onder het Oude Verbond voor het volk Israël onder de wet was: “Heb uw naaste lief als uzelf”. De oude maatstaf was dus: zoals je van nature gewend bent jezelf lief te hebben, heb daarmee ook je naaste lief. Eigenliefde behoort tot ‘de oude mens’ en hoeft dus niet te worden ‘geleerd’.
De Here Jezus nu vervangt deze oude maatstaf door zijn nieuwe maatstaf: “Een nieuw gebod geef Ik u dat u elkaar lief hebt zoals Ik u heb liefgehad” (Joh 13:34; 1Joh 3:16). Wie kan dat gebod gehoorzamen? Geen mens. Paulus laat daarom in Romeinen 5 de nieuwe bron van die vereiste liefde zien: God Zelf via de Heilige Geest. Wij moeten dus liefhebben, zoals de Here Jezus ons liefgehad heeft, met de goddelijke liefde die éérst in ons hart uitgestort is!
En omdat Christus van Zichzelf zei dat Hij de Waarheid is, moeten wij leren als Christus met Gods liefde lief te hebben in waarheid. (Vgl. Mk 10:20-22). Dit gebod heeft dus als een medaille twee kanten. De ene kant betekent: de ontvangen goddelijke liefde doorgeven en niet voor jezelf oppotten. De andere kant is dat te doen met “een waarachtig hart”. Geveinsde liefde is een zonde. De oude apostel Johannes schrijft dan ook: “Laten wij liefhebben, niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid” (1Joh 3:18).

10. Mede-erfgenamen van Christus

Doel van de inwoning van de Heilige Geest is ook “opdat wij, gerechtvaardigd door zijn (Gods) genade, erfgenamen (van God) zouden worden overeenkomstig de hoop van het eeuwige leven” (Titus 3:7; 1:2)[18] en “mede-erfgenamen van Christus. Immers, waar wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking” (Rom 8:17,30).
Ook op de Pinksterdag kunnen wij met de apostel Paulus niet anders uitroepen (2Kor 9:15):
 
           “Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave”: Jezus Christus
voor ons, bij ons, met ons, in ons en door ons “tot eer van God”

Els Nannen,
1980, 2013

 


[1] Hb 10:5-9; Rom 8:3; 1Pe 2:24
[2] Hnd 2:33; 5:31; Fil 2:8-9
[3] Mt 28:18; Lk 10:22; 1Pe 3:22
[4] Ps 56:5,12; 118:6; Hb 13:6
[5] 1Kor 3:9-1; 2Kor 1:3-11; 4:7-12; 6:3-10; 11:12-29; 1Ts 2:14b-16
[6] Rom 1:13; 15:22; 1Ts 2:16
[7] 1Kor 15:30-31; 2Kor 4:7-12; 6:9
[8] Hand 14:22; vgl. 1Ts 3:3-4; 2Tim 3:12
[9] Gal 4:4; Mt 1:5-6; 21-22; Mk 1:15; vgl. Hand 13:32-35; Rom 9:4-5; 15:8
[10] Vergelijk ds.J. Overduin: Worden als een man. Over geestelijke volwassenheid. Zomer en Keuning, 1974/3
[11] Kol 1:27; Joh 17:23-24,26; Titus 2:11-15; 1Joh 3:2-3
[12] Ef 5:2,25-26,32; vgl. Titus 2:14
[13] Vgl. ook Hnd 4:4; 5:14; 6:17; 9:31; 11:21,24; 16:5
[14] Ef 1:13; 4:30; 2Kor 1:22; 2Tim 2:19 (Grieks: sphragizó: verzegelen, merktekenen. Het werkwoord in de eerste drie verzen staat in de aoristus d.i. de afgesloten handeling in het verleden; Gr. sphragis: zegel, merkteken)
[15] Op 13:16-17; 14:9,11; 16:2; 19:20
[16] Ook Ef 1:13; 2Kor 1:21
[17] Vergelijk Rom1:1; Gal 1:10; Fil 1:1; Fil 2:7 (de Here Jezus!); Titus 1:1; Kol 4:12; Jak 1:1 enz.
[18] vgl. Ef 1:11; Kol 1:12; 3:24; 1Joh 2:25; 1Pe 1:3-5; 3:7