I. Pinksteren in Jeruzalem

Pinksteren, tien dagen na Hemelvaart, is een historische, eenmalige gebeurtenis voor Christus en zijn Gemeente.
Tot die Pinksterdag werkte de Heilige Geest vanuit de hemel, en wel tijdelijk in enkele personen in Israël. Op deze Pinksterdag echter kwam de Heilige Geest om op aarde te wonen, en wel blijvend in de wereldwijde Gemeente van Jezus Christus en in ieder lid daarvan.
Pinksteren is de geboorte dag van de Gemeente die in en door Jezus Christus bestaat, gebaseerd op het Nieuwe Verbond in Zijn bloed en op de leer en aanwijzingen van Zijn uitgekozen apostelen (1Kor 11:25; Ef 2:20). Pinksterfeest is sindsdien dus eigenlijk het
‘verjaardagsfeest’ van de Gemeente van de Here Jezus Christus.

Pinksteren betekent ook het begin van de verkondiging van “het evangelie van God … aangaande zijn Zoon”, van “berouwvolle bekering tot vergeving van zonden in Jezus’ naam” (Hand 26:18)– dus in plaats van “de bediening van de wet” van Mozes die “veroordeling bracht” (Rom 1:1-4; 10:2; Lk 24:47; 2Kor 3:7-9).

Wat betekende Pinksteren voor de Here Jezus Zelf?

1. De bevestiging dat Hij door Gods rechterhand verhoogd is

Pinksteren is bewijs dat “deze Jezus” die “God opgewekt” had ook “door de rechterhand van God verhoogd is” (Hand 2:33; 5:30-31). Zolang “Jezus nog niet verheerlijkt was, was de Geest er nog niet (d.i. op aarde wonend)” (Joh 7:39). Sinds Pinksteren is de Geest nu wel op aarde, dus is Jezus intussen door God verhoogd.  “Deze Jezus die u (Joden) gekruisigd hebt, heeft God èn tot Heer èn tot Messias (Lk 2:11) gemaakt”.[i]  

2. Het bewijs dat Zijn verzoek aan de Vader ingewilligd is

“Ik zal de Vader vragen[ii] en Hij zal een andere Parakleet (bijstand, advocaat, voorspraak) geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn” (Joh 14:16). “Deze Jezus” die door de rechterhand van God verhoogd is, heeft de belofte van de Vader ontvangen” (Hand 2:33a).

3. De bevestiging dat de belofte van de Vader en Hemzelf vervuld is

De apostel Petrus zegt tot de Joden: “Deze Jezus … heeft dit uitgestort, wat u en ziet en hoort” (Hand 2:33b; Lk 24:49;1:4). Dat is eenvoudig een historisch feit. Ook de apostel Paulus bevestigt dankbaar: “de Heilige Geest die Hij (God) rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland, opdat wij …” (Titus 3:6-7).
Als Gods instrument voor de eerstelingen uit de niet-Joden (de Romein Cornelius en zijn huisgenoten) getuigt Petrus voor de Joden: “Toen ik begonnen was te spreken viel de Heilige Geest op hen evenals in het begin ook op ons …” (Hand 11:14-18; 10:44-45).

Het zou dus ondankbaar, ja een zonde van ongeloof zijn, wanneer christenen naar Jeruzalem (of elders) zouden reizen om te bidden voor een nieuwe of ‘tweede uitstorting’ van de Heilige Geest, zoals in 1974 op de charismatische Wereldconferentie te Jeruzalem[iii] letterlijk gebeurde. Maar wanneer vond er dan in de afgelopen eeuwen een ‘Hemelvaart van de Heilige Geest’ plaats?? Zodat de Heilige Geest weer opnieuw op aarde zou moeten komen door bijvoorbeeld hiervoor te bidden of te zingen zoals o.a de liederen  334, 391, 463, 610 uit de opwekkingbundel of o.a. de liederen 28, 225, 300, 384, 412 uit de Zangbundel van Joh. De Heer menig  gelovige laat zingen. Beseffen wij wat we zingen?

4. De openbaring van Zijn Gemeente als Zijn lichaam

Christus’ Gemeente wordt vergeleken met een levend organisme in geestelijke zin: Zijn (geestelijk) Lichaam met vele leden.
Jezus Christus is daarvan het Hoofd.[iv] Paulus schrijft aan de gemeente in Korinte: “U nu bent (samen) het Lichaam van Christus” (1Kor 12:27; Rom 12:5).

5. Eén Lichaam – principiële eenheid in het Hoofd

Jezus Christus, het Hoofd, heeft ieder kind van God direct bij de geboorte uit God in één Geest tot Zijn ene (geestelijke) Lichaam gedoopt (Joh 1:33-34; 1Kor 12:13: “wij zijn” en “wij zijn allen). “Wij zijn in één Lichaam geroepen” (Kol 3:15).
Zodoende zijn al Gods kinderen, alle leden van zijn Lichaam, één in Jezus Christus die de Waarheid is: “U allen bent één in Christus Jezus” (Gal 3:28). Wel moet deze geestelijke eenheid “bewaard” worden (Ef 4:1-6).

Deze geschonken organische geestelijke eenheid in het Hoofd kan nooit door mensen georganiseerd worden. Dus noch door een of andere oecumene (d.i. eenheid zonder waarheid) noch door kringvorming met de handen noch door omarming bv. bij gebed (d.i. een vleselijke eenheid) kan de geschonken (!) gééstelijke eenheid in Christus ‘gemaakt’ worden. Òf christenen zijn geestelijk één in Jezus Christus, Gods Zoon, in hun Redder en Heer. Òf zij zijn het niet. Gééstelijke eenheid is niet door mensen maakbaar.
Wel is er onder Gods kinderen verschil in geestelijke groei en rijpheid. Leden van de gemeente in Korinte waren geestelijke baby’s – de apostel Paulus was hun geestelijk vader.

Verdeeldheid in de praktijk
Jezus’ Gemeente is het die Hij bouwen wil op de geloofsbelijdenis van Petrus: “U bent de Messias, de Zoon van de levende God!” (Mt 16:16). Ja, de gekruisigde, opgestane en wederkomende Heer is Zelf het fundament van dat “bouwwerk van God” (1Kor 3:9). Een ander geestelijk fundament dan de Persoon van Jezus Christus, Gods Zoon, en Zijn zoenoffer aan het kruis bestaat er niet. In dit fundament zijn alle kinderen van God één.

Maar ieder kind van God (en iedere gemeente) zie wel toe hoe hij in zijn leven (of zijn gemeente) op dat geestelijk fundament bouwt (1Kor 3:10-15). Zo is er naast principiële eenheid in het fundament soms op bepaalde punten principiële scheiding in de opbouw.
Uitgerekend aan de gemeente in Korinte met haar diverse verdeeldheden respectievelijk
“scheuringen” (1Kor 1:10; 11:18) schrijft Paulus: “Scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal blijken wie onder u de toets kunnen doorstaan”.[v] Overal moet ieder levend lid van Jezus’ Gemeente door beproevingen geestelijk getest worden (1Pe 1:6-7).

Paulus vervolgt: ” Weet u (meervoud) niet dat u (samen) Gods tempel bent en dat de Geest van God in u (als gemeente) woont? Wie Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel van God, en dat bent u, is heilig”, dat is: voor God afgezonderd. God Zelf is immers heilig (1Kor 3:16; 2Kor 6:16). Het is dus ook mogelijk dat een plaatselijke gemeente door haar onheilige levenswandel of door het tolereren van onbijbelse leringen en praktijken (“een andere geest, een andere Jezus, een andere leer”, zoals in 2Kor 11:2-4) de tempel van God schendt, zoals in Korinte.

Er is dus principiële, geestelijke eenheid tussen alle kinderen van God in het Hoofd en in het fundament van de Gemeente van Christus. Maar helaas is er tengevolge van onbijbelse ‘opbouw’ veel praktische verdeeldheid– en die “moet” er zijn (1Kor 3:10-15; 1Kor 11:19).
De Bijbelse liefde als vrucht van de Geest der Waarheid is daarom “niet blij over ongerechtigheid, maar blij met de waarheid” (1Kor 13:6; vgl. Ef 4:11-16). Liefde en waarheid zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Liefde zonder waarheid is onwaarachtig, is uit het vlees, dat God in Jezus aan het kruis veroordeeld heeft.
Bijbelse liefde betekent èn aanvaardende liefde tot de Bijbelse waarheid èn terechtwijzende liefde tot dwalenden (vgl. Mk 10:21-22). Dat kan afwijzing, zelfs vijandschap veroorzaken.[vi] Dan wordt ook openbaar of in eigen hart “liefde tot de Waarheid“ is.

De Bijbelse liefde loopt niet te koop met zonden (bv. van echtgenoot, ouders of een eigen kind) of met afdwalingen van misleide christenen. Zij wil niet dat daardoor “de naam van God gelasterd wordt”.[vii] Waar mogelijk en nodig bedekt zij.[viii]

6. Geestelijke, diepste gemeenschap met de Zijnen

De Here Jezus zei tot zijn discipelen: “Te dien dage (d.i. met Pinksteren) zult u weten dat Ik in mijn Vader ben en u in Mij en Ik in u” (Joh 14:20). Zoals het sap van de wijnstok in elk van zijn ranken is (Joh 15:5). “En hieraan onderkennen wij dat Hij in ons blijft: aan de Geest die Hij ons gegeven heeft” (1Joh 3:24). “En hieraan onderkennen wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van zijn Geest gegeven heeft” (1Joh 4:13).
Een dergelijke diepe relatie tussen de Here Jezus en de Zijnen was tijdens Zijn lichamelijke rondwandeling op aarde nooit mogelijk.

7. Zijn (gedeeltelijke) verheerlijking nu al voor de Zijnen

Jezus openbaarde wat het werk van de Heilige Geest zal zijn: “Hij zal Mij verheerlijken. Want Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen. Al wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom zei Ik u: Hij (de Geest) neemt uit het Mijne”.
“Wij nu hebben (!) ontvangen de Geest uit God opdat wij zouden wéten wat ons door God in genade geschonken is”, namelijk in Christus (1Kor 2:14; Ef 1:3).

De Heilige Geest zal nooit “uit Zichzelf spreken”. Hij zal nooit onafhankelijk van Jezus Christus en nooit boven de Schrift, die Hij Zelf inspireerde, uit een boodschap of leer brengen. Hij is immers door Jezus Christus “gezonden”. En als Gezondene (Gezant) kan en mag Hij alleen doen en spreken wat zijn Zender voorschrijft. Daaraan is de Geest der Waarheid te herkennen. Zo ook was de Here Jezus Zelf op aarde te herkennen als Degene die als de door God Gezondene “de woorden Gods sprak” (Joh 3:34; 7:16; 17:8,14) en ook daardoor altijd de Waarheid zei.

8. Zijn openbaring als Hoofd door de leden van Zijn Lichaam  

Aan de apostel Paulus is het geheimenis van Christus’ Gemeente uit bekeerde Joden en niet-Joden (heidenen) geopenbaard (Ef 3:1-12). Zijn bediening van dat geheimenis houdt ook in: “dat nu door middel van de Gemeente aan de overheden en de machthebbers in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekend gemaakt zou worden … ”.[ix]

9. Zijn verheerlijking bij zijn wederkomst op aarde in de leden van zijn Lichaam

De apostel Paulus schrijft: “wanneer Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen die tot geloof gekomen zijn” (2Ts 1:10).
Dat was de reden waarom Paulus zoveel geestelijke strijd om de gelovigen in Galatië had: “.. mijn kinderen ter wille van wie ik opnieuw weeën doorsta totdat Christus in u gestalte verkregen heeft” (Gal 4:19).
Aan de gelovigen in Kolosse schrijft hij hetzelfde met andere woorden: “Christus in u, de hoop der heerlijkheid. Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid om ieder mens in Christus volwassen te doen zijn. Hiervoor span ik mij ook in onder zware strijd naar de werking van Hem die in mij werkt met kracht” (Kol 1:27-29; vgl. ook in Epafras: Kol 4:12-13!).
En om die reden had Paulus, ‘bruidbemiddelaar’ voor Christus, de hemelse Bruidegom, zo’n grote geestelijke strijd om de gemeente in Korinte: “Met een ijver van God (!) ijver ik voor u, want ik heb u verbonden aan één man om u als reine maagd (onbezoedeld) voor Christus (de hemelse Bruidegom) te stellen ” – gereinigd van alle “bezoedeling van het vlees (uiterlijk) èn van de geest” (2Kor 6:14-7:1; vgl. Ef 5:25-27).

Nu ziet Paulus met geestelijk inzicht en zorg de volgende vergelijking. Hij vreest dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva (de vrouw van de eerste Adam) verleidde, ook haar (de gemeente als Bruid van de tweede Adam) gedachten van de eenvoudige toewijding aan Christus, de tweede Adam, afgetrokken en bedorven zullen worden (2Kor 11:1-4). Dan is het niet meer Jezus alleen (Mt 17:8) zoals het een Bruid tegenover haar Bruidegom betaamt. Het is Jezus-PLUS geworden, en dat betekent geestelijke hoererij.

Er waren “pseudo-apostelen, bedrieglijke arbeiders gekomen (11:13-14) met “een andere Jezus”, met “een andere geest” (dan de Heilige Geest) en met “een ander evangelie” (11:4).
Deze meenden en beweerden dat ze méér hadden en méér te bieden hadden dan wat Paulus verkondigd had, te weten “Jezus alleen” en “de Schrift alleen”. Dat vonden zij ‘te eenzijdig’ Wat zij toevoegden, zou dan ‘het volle evangelie’ zijn en de ‘volheid van de Geest’. Het ergste was dat de gemeente in Korinte het “andere evangelie” tolereerde in plaats van onmiddellijk afwees. Zij ging er zich vervolgens voor openstellen.

Tegenwoordig zou men zich verdedigen met: Wij moeten toch ‘alles onderzoeken’ en het goede bewaren?
Maar dat is misbruik van Paulus waarschuwing om alles te toetsen, namelijk wat op je weg komt. Alles toetsen is wel iets heel anders dan alles onderzoeken door bijvoorbeeld alles te lezen, overal naar toe te gaan om alles met eigen ogen te zien; of ook dwaalleraars, profeten, genezers, bevrijdingsteams en dergelijke mensen bij zich uit te nodigen en met hen te spreken om te ‘onderzoeken’.
Is men gewaarschuwd, dan is men dubbel schuldig (2Joh 7-11). Dat geldt te meer wanneer men niet vraagt naar de argumenten van hen die waarschuwen of die waarschuwingen niet wil accepteren. Met “en andere geest” en “een ander evangelie” valt niet te spotten (Ef 5:16-17). Daarom staat er direct na “toetst alles”: “Onthoudt u van alle soort van kwaad!” (1Ts 5:22).

10. De Heilige Geest is Zijn permanente Getuige

“Wanneer de Bijstand komt … de Geest der Waarheid, zal deze van Mij getuigen; en u moet ook getuigen, want u bent vanaf het begin met Mij” (Joh 15:27). De Heilige Geest gebruikte eerst het mondelinge getuigenis (Hand 5:32; 1Joh 5:6) en daarna het schriftelijk vastgelegde getuigenis van hoofdzakelijk de apostelen als de oog- en oorgetuigen.

Daar de apostelen vóór kruis en opstanding van Jezus Christus niet alles konden verstaan en verwerken, zou de Heilige Geest datgene wat Hij hun nog had willen zeggen “uit Jezus nemen” en hen in de volledige waarheid leiden (Joh 16:13). Daartoe behoren ook de “geheimenissen” Gods, waarvan ongeveer tien aan de apostel Paulus werden geopenbaard.
Zo bijvoorbeeld “het geheimenis van Christus” en zijn Gemeente, “eeuwen verborgen in God”, “maar nu geopenbaard door de Geest” (Ef 3:1-13).

Het was dus inderdaad zo: “Het is beter voor u dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga kan de Parakleet (Bijstand) niet komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden” (Joh 16:7). En dat vond historisch en eenmalig voor de Gemeente en haar leden op die Pinksterdag plaats. Sindsdien blijft Jezus Christus door de Heilige Geest in zijn Gemeente (Joh 14:17).
Wat een voorrecht dat wij de Bijbel in onze eigen taal hebben. Wat een zegen dat de Heilige Geest de Schrift in hart en geweten wil uitleggen, bevestigen en toepassen.
“Wast op in de genade en in de kennis van onze Heer en Heiland, Jezus Christus. Hèm zij
de heerlijkheid, nu en in alle eeuwigheid” (2Pe 3:18).

 

Els Nannen,

1980, aangevuld in 2013

 


[i] Hand 2:26; Ef 1:21; Fil 2:11; dus 2Kor 4:5; Rom 10:9
[ii] Gr. erótaó: vragen, verzoeken
[iii] Charismatische wereldconferentie te Jeruzalem, Reformatorisch Dagblad,
19 – 01 -1974, p.2  ( http://www.digibron.nl/search/detail/012ea54cfff611f72b2b4e7d/charismatische-wereldconferentie-in-jeruzalem )
[iv] Ef 1:22-23; 5:23,32; Kol 1:18
[v] 1Kor 11:19; 2Kor 10:18; Lk 12:51-53; vgl. Mt 13:22
[vi] Joh 3:19-20; 7:7; 15:18-21; Gal 4:16
[vii] Rom 2:24; vgl. Titus 2:5; 2Pe 2:1-2
[viii] Gr. stegó: bedekken om buiten te sluiten, tegenhouden; bedekken om binnen te sluiten, verbergen, verzwijgen
[ix] Ef 3:10-11,6; 1:20-21; 2:6-7,13-22; Kol 1:15-16