I. Jezus’ lichamelijke hemelvaart

Wat betekende de Hemelvaart voor de Here Jezus?

 1.  Onzichtbaar aanwezigheid voor de Zijnen

Tot zijn Hemelvaart was de Here Jezus lichamelijk zichtbaar en lichamelijk hoorbaar bij de zijnen. “Hij heeft zich ook na Zijn lijden met vele kentekenen[i] levend aan de apostelen, die Hij zich had uitgekozen, vertoond, 40 dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende” (Hand 1:3; 10:40-41; 13:31; 1Kor 15:5; Lk 6:13).
De apostelen moesten immers tot en met Hemelvaart in juridische zin oog- en oorgetuige van Jezus Christus zijn (Lk 24:48; Hand 2:32; 4:20,33; 5:32; 10:39-42; 1Pe 5:1).

Met Jezus’ Hemelvaart brak een nieuwe periode aan (Hand 1:9): “Een wolk nam Hem van hun ogen weg”[ii]. Natuurlijk kon die wolk niet Jezus Zelf van zijn apostelen wegnemen. Hij had bovendien net daarvoor beloofd (Mt 28:20): “En zie, Ik ben bij u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw”[iii].

Christus zou na zijn Hemelvaart op een andere wijze en nog veel intiemer bij de Zijnen zijn, “te dien dage”, d.i. wanneer de Heilige Geest op aarde zou komen wonen (Joh 14:18,28). “Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u … Te dien dage (met Pinksteren) zult u weten dat … U in mij bent (d.i. de nieuwe positie voor God: “in Christus”, vgl. Js 61:10, en niet langer “in Adam) en Ik in u ben” (Zijn leven, de nieuwe mens in hen. Zie ook Joh 17:23,26).

 2. Thuiskomst

Toen Maria Magdalena de opgestane Heer wilde aanraken, zei Hij: “Raak Mij niet aan … maar ga tot Mijn broeders en zeg tegen hen: Ik ga naar Mijn Vader  … en naar Mijn God” (Joh 20:17). Wat moet dat een feest in de hemel geweest zijn.
Jezus ging echter in een andere gestalte  naar de Vader terug dan die Hij voor die tijd bij de Vader had. Hij was nu immers in de gestalte van een mens in een verheerlijkt lichaam, met de littekenen aan beide handen en voeten en in de zij.

3. Wederkomst  op aarde “op dezelfde wijze”

“Deze Jezus zal op dezelfde wijze terugkomen als u Hem ten hemel hebt zien gaan” (Hand 1:11). Wat betekent deze boodschap concreet?

  •  “Deze Jezus”, Die terugkomt is niemand anders dan de om onze zonden gekruisigde en opgestane Zoon van God.
  •   “Deze Jezus” draagt niet alleen bij zijn hemelvaart, maar ook bij zijn wederkomst zichtbaar de littekenen aan Zijn handen en voeten en in Zijn zijde. Zie ook Joh 19:30; Zach 12:10; Op 1:7! Daarin onderscheidt Hij zich van alle voorstellingen over Jezus en Zijn wederkomst in sekten en religies, zoals in de islam. De koran loochent de zoendood van Jezus aan het kruis. De ‘Isa’ van de koran heeft dan ook geen littekenen aan handen en voeten – noch nu bij de islamitische Allah in diens hemel noch later bij zijn veronderstelde komst op aarde.
  • De Hemelvaart van “deze Jezus” gebeurde lichamelijk. Precies zo zal Zijn wederkomst lichamelijk zijn. Dus niet: ‘geestelijk’, figuurlijk. Een leer van de Jehova Getuigen is dat Jezus al teruggekomen is o.a. in 1914, maar dan niet lichamelijk. Dat is dus een dwaalleer.

4. “De belofte van de Geest ontvangen èn uitgestort”

In zijn verkondiging op de Pinksterdag zei Petrus over Jezus Christus: “Nu Hij dan door de rechterhand van God verhoogd is en de beloften van de Heilige Geest ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort” (Hand 2:33; Joh 15:26; 16:7). Daardoor ontstond Zijn gemeente op aarde. Dat Pinksteren ‘feest van de Geest is’, is een dwaling, geïnspireerd door “een andere geest”.
De waarheid is dat Pinksteren de geboorte van de Gemeente, de Bruid van Christus, is. Dat is een historisch feit en een eenmalige gebeurtenis. Een geboorte kan immers niet herhaald worden.Met kerstmis vieren wij dat God zijn Zoon een fysiek lichaam bereidde om Zijn verdiende straf voor onze zonde in zijn lichaam in onze plaats op het kruishout te dragen (Hb 10:3-10; 1Pe 2:24). Met Pinksteren vieren wij dat God zijn Zoon een geestelijk Lichaam, de Gemeente gaf.De apostel Paulus schrijft de gemeente in Korinte: “Weet u niet dat u (meervoud) Gods tempel bent en dat de Geest van God in u (de gemeente) woont” (1Kor 3:16-17)?

5. “tot Heer en Messias gemaakt – deze Jezus”

Tijdens deze zelfde verkondiging op de Pinksterdag zei de apostel Petrus: “Daarom moet ook het hele huis van Israël zeker weten dat God Hem gemaakt heeft èn tot Heer (niet: tot een Heer!) èn tot Messias – déze Jezus Die u gekruisigd hebt” (Hand 2:33,36).
Later schreef de apostel Paulus aan de Romeinen: “Want indien u met uw mond Jezus als Heer belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u gered worden”. In die tijd waarin de Romeinse keizer zich heer en zelfs een god liet noemen, was het niet eenvoudig om Jezus als Heer met de mond te belijden.

En aan de gelovigen in Korinte met zijn vele Griekse goden schrijft Paulus: “Want al zijn er ook zogenaamde goden, hetzij in hemel of op aarde – zoals er vele heren en vele goden zijn – toch is er voor ons (maar) één God: de Vader .. en één Heer: Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem” (1Kor 8:9; Joh 13:13; Fil 2:11).
Daarin onderscheidden de christenen zich, dat niet (langer) zon, maan en sterren voor hen ‘goden’ zijn die hun leven zogenaamd beheersen en bestemmen, maar God, de Schepper. Immers, Hij heeft door Jezus Christus, de Heer, alles geschápen, inclusief zon, maan en sterren.
Bijbelse bekering betekende dus voor hen ook een zich radicaal afkeren van alle vormen van astrologie, waaronder op de astrologie gebaseerde genezingsmethoden en landbouwmethoden (zoals in onze tijd antroposofische, biologisch-dynamische methoden van Rudolf Steiner).

In 2003 vaardigden de Duitse rooms-katholieke bisschoppen “Richtlijnen voor multireligieuze vieringen van christenen en moslims” uit. In een protestschrijven reageerden leidende moslims daarop (o.a.) met: “De christenen aanbidden Jezus als God. Dat is de ergste zonde tegen Allah: Jezus is (slechts) een schepsel van Allah. Allah heeft hem uit de aarde geschapen (soera 3:59)… Wij moslims achten Jezus als profeet – de christenen daarentegen begaan een doodzonde tegenover Allah! Nooit zullen wij moslims Jezus Christus als Heer aanroepen. Onze Heer is Allah, de Heer van alle mensen …Vrede is daar, waar Allah heerst!” (enz.)

Gods plan zal echter in vervulling gaan, ook voor iedere moslim, hindoe, boeddhist, atheïst enz: “God heeft Hem (Jezus) uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken,
opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen … en alle tong zou belijden:
                            Jezus Christus is Heer tot eer van God “(Fil 2:8-11).

6.  Jezus “had Zich gezet aan de rechterhand van God”

Nadat de Heer aan zijn apostelen de opdracht en belofte gegeven had, “werd Hij opgenomen in de hemel en had Hij zich gezet aan de rechterhand van God” (Mk 16:19; Mt 26:64; Rom 8:34; Ef 1:20; Kol 3:1; Hb 1:3; 1Pe 3:22)).
De priesters onder het Oude Verbond moesten dag in dag uit offers voor de zonden van het volk der Joden brengen (Hb 7:27; 10:11). Er was daarom geen zitplaats in het heiligdom! De priesters moesten blijven staan om steeds weer offers te brengen.
Maar door Gods wet en Gods wil te vervullen en Zichzelf eenmalig als zond- en schuldoffer voor onze zonden te offeren, had Jezus Zijn priesterlijke taak vervuld. “Het is voltooid” (Joh 19:30). Jezus kon dus gaan zitten: “Na één offer voor de zonden te hebben gebracht, is Hij (Christus) voor altijd gezeten aan de rechter hand van God, wachtende totdat …” (Hb 10:12).

7. “Zulk een hogepriester hadden wij nodig …”  (Hebreeën 7:21-28)

  • Die zonder zonde is,
  • Die niet meer sterft, maar in eeuwigheid leeft,
  • Wiens priesterschap dus op geen ander kan overgaan,
  • Die daarom ook volledig kan redden,
  • Die voor altijd leeft om voor hen te pleiten die door Hem tot God gaan (Hb 7:24; 1Joh 2:1).

8. “om de Zijnen een plaats te bereiden”

Christus legde aan de Zijnen uit: “In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen … want Ik ga heen om u een plaats te bereiden … opdat ook u mag zijn, waar Ik ben” (Joh 14:1). De thuiskomst van Christus heeft dus ook tot doel om de thuiskomst van de Zijnen voor te bereiden.

 

 II. Jezus’ lichamelijke hemelvaart

 Wat betekent Zijn hemelvaart voor de Zijnen?

 1. De verkondiging van geloof

De oude apostel Johannes schreef: ”Wat … wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze (eigen) ogen, wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben …wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u” (1Joh 1:1-2).
Die tijd van de apostolische oog- en oorgetuigen met hun apostolisch getuigenis is al lang voorbij. Gods laatste openbaring via de Zoon was aan de laatst levende apostel en fundament-legger van de Gemeente van Christus: Johannes. Deze is schriftelijk vastgelegd in de Bijbel.

Jezus Christus is dus niet meer direct met onze oren hoorbaar, niet meer met onze ogen zichtbaar en niet meer met onze handen ‘tastbaar’, zoals Hij in Zijn menselijk lichaam op aarde voor Zijn apostelen was. Maar de Heer Jezus is in de Geest veel inniger bij ons: “Hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest die Hij ons gegeven heeft” (1Joh 4:24). En “Hieraan onderkennen wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons dat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft” (1Joh 4:13).
Daarom staat geschreven: “Ons leven is verborgen met Christus in God”. Dat brengt op aarde wel de persoonlijke verantwoordelijkheid met zich mee om ”de dingen te zoeken die boven zijn, waar Christus is, gezeten ter rechterhand van God” (Kol 3:1-3). Behalve dat de Heer Jezus bij, met en voor ons is, gaat het om een geestelijk innerlijke relatie, om een geestelijke band tussen Jezus Christus en de Zijnen. Deze gaat ons verstand te boven. Maar “er staat geschreven”!

Al diegenen na de apostolische getuigen zijn zij voor wie de Heer Jezus tot de Vader bidt: “Ik bidt niet alleen voor deze (de apostelen), maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven” (Joh 20:10).
Sinds Jezus’ Hemelvaart en Pinksteren moet het woord van geloof gepredikt en aangenomen worden (Rom 10:8,17). Paulus getuigt van zich zelf: “Nu wij dezelfde Geest van geloof” hebben, zoals geschreven staat: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, geloven ook wij, en daarom spreken ook wij” (2Kor 4:13). Immers, “Het heeft God behaagd door de dwaasheid van de prediking te redden hen, die geloven (1Kor 1:21).
“Het evangelie is een kracht Gods tot redding voor ieder die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek … Want de gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit geloof leven” (Rom 1:16-17). “…want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen” (2Kor 5:7; 4:18). Sindsdien moet dus de Gemeente van Christus de weg van alleen geloof (sola fide) gaan.

2. De zekerheid van een thuis in Gods vaderhuis

Dat Hemelse thuis wordt door de Here Jezus Zelf voorbereid (Joh 14:2). Voor kinderen van God geldt: “Wij zijn burgers van een rijk in de hémelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten … “ (Fil 3:20-21). En straks: “Wij zullen Hem zien zoals Hij is” (1Joh 3:2; Joh 17:24; Op 22:4; Ps 17:15; ) – met de littekens aan zijn handen en voeten.
De consequentie daaruit is: “Ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is” (1Joh 3:3; 2Kor 7:1).

3.  “op dezelfde wijze” – met de littekenen

Wanneer “deze Jezus” èn bij zijn Hemelvaart èn bij zijn Wederkomst de lichamelijke kenmerken van zijn zoenoffer aan het kruis heeft, dan heeft Hij vanzelfsprekend zijn littekenen aan handen en voeten ook in die tussenperiode behouden. Ook vandaag.
Nooit zou de oude apostel Johannes de verheerlijkte Heer hebben herkend en erkend, als Hij (tussen 90-100 p. Chr.) hem zonder deze littekenen op Patmos verschenen was (Op 1:17)! Schreef Johannes niet zelf dat er al in zijn tijd “vele anti-christussen” zijn, pseudo-christussen die zowel in de plaats van als tegen Jezus Christus optraden? Had niet enige decennia daarvoor Jezus Christus Zelf al voor zulke valse Christussen gewaarschuwd, die zich voordoen als Jezus Christus, als “engel des lichts” (1Joh 2:18-23; Mt 24:5, 24; 2Kor 11:13-15)? Typerend dat een dergelijke pseudo-Jezus vaak in een lichtgestalte in een droom of visioen verschijnt.

Het is uitgesloten dat ‘bij uitzondering’ de Bijbelse Jezus ook na de canon van de Bijbel in een visioen of droom al of niet met een boodschap verschijnt zonder Zijn specifieke littekenen.
Een oproep om voor moslims te bidden dat ze een droom of visioen van ‘Jezus’ krijgen opdat zij daardoor ‘sneller tot geloof in Hem’ komen, is een zeer ernstige misleiding. Als God Zelf verkondiging van het Woord uitverkoren heeft om via het oor geweten, verstand en hart te bereiken, mogen christenen dan eigenmachtig de keuze van de soevereine God eventjes negeren en droom, visioen en oog uitkiezen? Worden daarmee God en Zijn Woord niet veracht?

Bovendien kennen de moslims alleen de ‘Isa’ van de koran. ‘Isa’ is géén vertaling van Jeschua (Jezus)! De koran loochent met alle kracht de zoendood van Jezus aan het kruis. De ‘Isa’ van de koran heeft dan ook geen littekenen aan handen en voeten. Moslims zijn van huis uit al aan allerlei dromen en visoenen gewend. Zien zij dan hun ‘Isa’ in een ‘licht’, dan interpreteren christenen (!) die gestalte als zijnde de ‘Jezus’ van de Bijbel. Volkomen ten onrechte.
Iedere keer wanneer een gestalte in een droom of visioen zich niet expliciet voorstelt als de Zoon van God en niet zijn littekenen tengevolge van zijn zoendood aan het kruis toont, gaat het om bedrog van een anti-christus (1Joh 2:22-23).

Het is een schijnargument te beweren dat de meeste moslims geen Bijbel hebben en zij ‘daarom’ dromen en visioenen van Jezus kunnen/moeten hebben. Had dan ieder lid van de vroeg-christelijke gemeenten, ja zelfs iedere gemeente destijds een complete Bijbel toen de apostel Paulus zijn brieven begon te schrijven met bijvoorbeeld Romeinen 10:17 en 1Korintiërs 1:18; 1:21 enz.? De canon van de Bijbel ontstond eerst in de 4e eeuw. Waar lezen wij dat de apostelen of kerkvaders tot die tijd christenen opriepen om voor niet-Joden (heidenen) ‘die geen Bijbel hadden’ te bidden dat zij dromen of visioenen van Jezus krijgen om (sneller) tot geloof te komen?

Helaas zijn er ook christenen die wel een Bijbel hebben, maar menen ‘Jezus’ in een droom of visioen of door visualisatie gezien te hebben. Is deze niet “een andere Jezus” wanneer Hij niet expliciet zegt: “Ik ben Gods Zoon” en zònder deze littekenen verschijnt (2Kor 11:4)? Is het bovenal niet dezelfde verzoeking van de verleider in het paradijs: Er is méér! Hier: Er is méér dan ‘geloof alleen’? Iedere peseudo-jezus of pseudo-christus zal tot “een ander evangelie” leiden. Tenzij men zijn eigen verlangen naar ‘zien’ als schuld voor God belijdt. En tenzij men zich bewust en concreet van een dergelijke droom of visioen afkeert en God bidt om bevrijding van die stem of dat beeld. Hij moge de gedachtewereld en het gevoel grondig reinigen.

 4. De Heilige Geest is uitgestort

De Gemeente van Christus is op de Pinksterdag ontstaan. Zij is het (geestelijke) Lichaam van Christus, waarvan Hij het Hoofd is. Jezus Christus Zelf is het die ieder kind van God onmiddellijk bij de geboorte uit God in de Geest tot zijn Lichaam doopt (Joh 1:33-34; 1Kor 12:13: “Wij zijn” en “wij zijn allen”).
Een latere “doop in de Geest”, los van de geboorte uit God bestaat er volgens de Bijbel niet.

Maar  “wij” en “allen” slaat uitsluitend op hen die uit God geboren zijn. Dan hebben zij de Heilige Geest ontvangen. En dat kunnen zij weten: “Weet u niet dat uw lichaam een tempel van de Heilige Geest is, die in u woont die u van God hebt …?” (1Kor 6:19). Let wel: Er staat niet: ‘Voelt u niet’? en ook niet: ‘Begrijpt u niet’? Toch kan een kind van God het weten, en wel op grond van geloof in de Schrift: Er staat geschreven (1Kor 12:13).
Wie echter niet uit God geboren en dus nog geen kind van God is, kan ook nog niet door Christus, het Hoofd, in de Geest tot zijn Lichaam gedoopt worden respectievelijk zijn.

5. Jezus is Heer – in de praktijk

Jezus Christus is niet alleen onze Redder (Heiland). Hij is rechtens evenzeer onze Heer. Dat brengt de verplichting met zich mee om Hem als zodanig dagelijks en concreet te aanbidden, Zijn wil met dankbare blijdschap te zoeken en te doen. “Wat u ook doet, verricht uw werk van harte als voor de Heer en niet voor mensen … U dient Christus als Heer” (Kol 2:22-23)

 6. Onze Heiland en Heer zit aan de rechterhand van God

Jezus zit ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en naam (Ef 1:20-23).
Onze Heiland en Heer is daar onze voorspraak. Als wij gezondigd heb, mogen wij onze zonden eerlijk en concreet aan God belijden. God vergeeft op grond van Jezus’ volbracht zoenoffer en reinigt ook van alle ongerechtigheid (1Joh 1:9).

 7. Jezus, Onze Hogepriester bij God

“Hij is in staat om volledig te redden” als wij door Hem tot God gaan (Hb 7:24). “Christus is in de hemel zelf om nu voor het aangezicht van God te verschijnen voor ons” (Hb 9:24). Hij is onze Hogepriester Die leeft om voor ons te bidden – ook al zou niemand voor ons bidden.
De apostel Paulus jubelt: “Wie zal ons veroordelen? Jezus Christus is de Gestorvene, wat meer is, de Opgewekte Die ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons pleit” (Rom 8:27)!
“Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan naar de troon der genade, opdat wij barm-
hartigheid ontvangen en genade vinden om op het juiste ogenblik hulp te verkrijgen” (Hb 4:16).

8. Jezus, de Naam boven iedere naam

Christenen mogen dus geen andere naam belijden en verkondigen dan de naam Jeschua (Jezus). Want alleen in die naam is redding van de straf en de schuld van de zonde, van de macht van de zonde en van de eeuwige dood (Hand 4:12).
Ook bij de vertaling van een (kinder-)Bijbel moeten wij uitsluitend de naam Jezus in de betrokken taal (laten) gebruiken. De naam Jezus komt in de koran nergens voor. Trouwens evenmin komt Gods eigennaam Jaweh in de koran voor, laat staan Zijn Naam “Vader” van Jezus Christus en van hen die uit God geboren zijn (Joh 1:13; Jak 1:18; 1Pe 1:3,23; 1Joh 5:4-5).

De Schrift zal in vervulling gaan dat eens “in de naam van Jezus zich alle knie zal buigen en alle tong zal belijden: Jezus Christus is Heer tot eer van God” (Fil 2:9-10).

 

Els Nannen

1980, aangevuld in 2013

 


[i] Gr. tekmèrion: (ken)teken, bewijs, bevestiging
[ii] Gr. hupolambanó: wegnemen, onttrekken
[iii] Grieks sunteleia: voleinding; aioon: tijdsduur, wereldtijd, eeuw, eeuwigheid