Johannes 3: 16    –    Is God enkel liefde?

Weinig teksten zijn zo bekend en worden zo vaak aangehaald als Johannes 3 vers 16. Maar wordt deze tekst ook correct uitgelegd, ja zelfs correct geciteerd? Het gaat in dit verband vooral om de woorden want, alzo en liefgehad. Ook de gebruikelijke toevoegingen  Jezus stierf ‘voor jou’ en ‘omdat je zo kostbaar bent’ zijn niet zonder problemen. De voorgeschiedenis van Johannes 3:16.

1. Gedenk nu dan de hele weg, waarop de Here …u geleid heeft, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten wat er in uw hart was (Deut 8:2)

Het volk Israël was uit genade door Gods machtige arm uit de (politieke) slavernij in Egypte verlost om God te dienen in het door Hem beloofde land. Het doel was bijzonder, maar de weg naar dat heerlijke doel ging gepaard met diverse toetsingen van het hart van het volk. In Egypte kon men zich altijd achter moeilijke mensen, zelfs vijanden (de Egyptenaren) en achter moeilijke omstandigheden (discriminatie, zwaar slavenwerk) verschuilen en deze de schuld voor eigen ongepast gedrag geven.
Nu was het volk in de woestijn – alleen met zich zelf  en zonder zware slavenarbeid. Toen kwam aan het licht, wat in het eigen hart leefde in relatie tot God en de naaste. Dat moest vooral Mozes ervaren, de door God aangestelde en door Hem gebruikte Redder en Leider.

God wist natuurlijk wat er in het hart van de Israëlieten leefde. Hij had geen beproevingen van Zijn volk nodig om daar achter te komen. Maar het volk Israël kende zich zelf niet. Het moest eerst tot zelfkennis komen voordat het beloofde land veroverd kon worden. Later liet God de inheemse volken in Kanaän toe “om door hen Israël op de proef te stellen en te zien of zij al dan niet de weg van de Here zouden houden door daarop te wandelen” (Richt 3:1-2, 4).

Zo liet God bewust allerlei moeilijke situaties onderweg naar het beloofde land toe. Uit de reacties daarop van het volk kwam aan het licht, wat er in het eigen hart van de Israëlieten leefde. Zouden zij na het grote wonder van Gods verlossing uit Egypte op Zijn hulp nu ook voor de kleinere moeilijkheden onderweg vertrouwen en Hem daarin eren? (Spr 17: 3; Ex 15: 23-26; 20: 18-20; Dt 4: 34; 7: 18-19)?
God had nog een ander doel met Zijn beproevingen (tests) van het volk. Tijdens één van zijn vermaningen zegt Mozes: “Of heeft ooit een god een poging ondernomen om voor Zich een volk te nemen uit het midden van een ander volk door beproevingen, door tekenen, door wonderen en strijd …opdat u zoudt weten dat Jahweh de enige God is en geen ander dan Hij alleen” (Dt  4:34-35).

God is de “rechtvaardige God” die niet selectief toetst. Hij “toetst de rechtvaardige en de goddeloze” (Ps 7:10; 11:5a). God toetst in Zijn heilige liefde het hart in diverse situaties om tot (diepere) zelfkennis, verootmoediging, schuldbelijdenis en loutering te leiden. Destijds het hart van het volk Israël en sinds de geboorte van de Gemeente van de Here Jezus Christus: het hart van haar leiders en haar leden. De apostel Paulus bekende openlijk dat hij de Here diende “onder tranen en beproevingen door de aanslagen der Joden; hoe ik niets heb nagelaten om u te verkondigen en te leren van hetgeen nuttig was”. Daartoe behoorde dus ook het thema beproevingen. Een van de gevaren van een zogenaamd welzijns-evangelie en een bevrijdings-pastoraat is dat het Bijbelse thema beproevingen “nagelaten” wordt in leer en praktijk.

2. Johannes 3:16: “Want…”

Als al dit vers correct wordt (voor)gelezen, wordt het belangrijke woordje Want in de uitleg eenvoudig weggelaten. Mag dat zomaar? Is het woord Want niet juist de sleutel tot de eigenlijke bedoeling van deze tekst en tot het verstaan er van? Vers 16 hangt toch onafscheidelijk samen met de voorafgaande verzen 14 en 15? Daar gaat het over de slang in de woestijn die door Mozes verhoogd moest worden.

De betekenis van de verhoging van de slang in de woestijn (Numeri 21:4-9)

Een van de toetsen van het hart van het volk was het feit dat het vele dagen om het land van Edom heen trok. Toen werd het volk “ongeduldig”. Het sprak “tegen Mozes: “Waarom hebt u ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn”? Het volk sprak zelfs “tegen God”. “Maar zij bleven verder tegen Hem zondigen, zij waren … weerspannig tegen de Allerhoogste, zij verzochten God in hun hárt” (Nu 21: 4-9; Ps 78:17-22).
Toen zond God als straf op deze zonden vurige slangen onder het volk die het beten. Velen vonden de dood. God is immers heilig en rechtvaardig.

Aan de andere kant leidde Gods gericht over de opstand tegen Hem tot zondebesef en zondebelijdenis (Nu 21:7). Toen Mozes daarop voorbede voor het volk deed, gaf God hem het bevel “een koperen slang te maken en deze op een staak te plaatsen; ieder die daarnaar ziet wanneer hij gebeten is, zal leven”.
De verhoogde koperen slang, vastgenageld hoog op een staak, was dus enerzijds een symbool van Gods gericht over de zonde (het zondige hart) tegenover Hem, waaruit alle zonden voortkwamen (Mk 7:20-23).
Anderzijds was ze een symbool van Gods genade en onverdiende liefde tot Zijn zondig volk om het van de dood te redden als ze op de koperen slang, waarop plaatsvervangend Gods oordeel rustte, zouden zien. God maakte als het ware een scheiding tussen Israëls zonde van rebellie tegenover Hem – zonde die de dood verdiende – en de individuele zondaar die zou leven door Gods veroordeling van zijn zonde in de slang op de staak aan te zien respectievelijk God daarin te rechtvaardigen.

Johannes 3:14: “En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogde, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat …”. Dat was een goddelijk moeten. Jezus’ verhoging d.w.z. Zijn plaatsvervangende dood aan het kruis is Gods oordeel over de zonde van de wereld tegenover Hem opdat iedere individuele zondaar “die gelooft in Jezus’ zondoffer eeuwig leven zou hebben” (Joh 3:14-15; 8:28). Jezus zei: “Als Ik van de aarde verhoogd ben, …En dit zei Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou” (Joh 12:32; vgl.18:32).
Moge het steeds meer tot ons doordringen dat de plaatsvervangende dood van Gods Zoon aan het kruis het vreselijkste gericht van God op aarde was en is.

3. “Want alzo heeft God de wereld liefgehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft …”.

Velen lezen de tekst verkeerd en verkondigen: ‘Want zozeer heeft God … liefgehad …’. Maar dat staat er eenvoudig niet: er staat alzo (Grieks: houtoos = op deze wijze, alzo). In het verband met de voorgaande verzen betekent dat: Op deze wijze van de verhoogde (veroordeelde) Zoon heeft God de wereld liefgehad! Dat is geen sentimentele liefde!

4. God heeft de wereld liefgehad (Grieks: agapaoo = Gods liefde i.t.t. de menselijke liefde).

Deze goddelijke liefde is totaal anders dan onze menselijke liefde:

*  Gods liefde is heilige liefde: God heeft de zondaar lief, maar Hij haat zijn zonde(n), zijn goddeloosheid, zijn afgoderij (Ps 45:8; Jr 44:2-4). Habakuk zegt terecht: “U, die te rein van ogen bent om het kwaad te zien, en die het onrecht niet kúnt aanschouwen …”.

*  Gods liefde is unieke reddende liefde. In Zijn goddelijke liefde wil Hij redden van het eindgericht van de straf op de zonde (de eeuwige hel), van de heerschappij van de zonde.
God is wel tot straffen, maar niet tot redden verplicht! Daarin misleiden de zgn. “vier geestelijke wetten van Bill Bright (Campus Crusade for Christ) ten zeerste, alsof Gods (Redder)liefde een “geestelijke wèt” zou zijn, zelfs de eerste in zijn traktaat.

*  Gods liefde is onverdiende liefde. God is niet verplicht Zijn vijanden lief te hebben door Zijn Zoon in onze plaats aan het kruis te veroordelen.
Wat voor wereld heeft God eigenlijk liefgehad? Jezus zei tot Zijn discipelen: “Indien de wereld u haat, weet dan dat zij Mij eer dan u gehaat heeft … omdat Ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat de wereld u” (Joh 15:18-21).  “Vriendschap met de wereld is vijandschap tegen God” (Jak 4:4). En “Al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een hovaardig leven, is niet van de Vader, maar uit de wereld. En de wereld vergaat met haar begeren” (1 Joh 2:15-17; ook o.a. Ef 2: 1-3; 4:17b-19; 2Pe 2:4b).

De Bijbel zegt: “Niemand zoekt (vanuit zichzelf) zelfs God (Rom 3:10-11)”. Wij zijn toen wij vijanden waren met God verzoend door de dood van Zijn Zoon (Rom 5:10). En: “De gezindheid van het vlees (de oude mens, ook in een christen!) is tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, het (vlees) kan dat ook niet; zij die in het vlees zijn kunnen God niet behagen” (Rom 8:7-8).

*  Gods liefde is eerst eenzijdige liefde. God heeft de zondaar niet lief òmdat de zondaar Hem liefheeft. “Hierin is de liefde (agapè), niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon gezonden heeft als een zoenoffer voor onze zonden” (1Joh 4:10). De apostel Johannes leert verder: “Wij hebben lief, omdat Hij eerst ons heeft liefgehad” (1Joh 4:19). Onze liefde tot God is onze reactie op Zijn onverdiende liefde tot ons. Maar die reactie moet er dan wel zijn.

*  Gods Vaderliefde is opvoedende, tuchtigende, heiligende liefde voor Zijn kinderen
(Dt 8:5; Job 5:17-19; Spr 3:11-12; Js 57: 14-18; Hos 6:1Hb 12: 5-11; Op 3:19).

 5a. “God heeft jou (u) zo lief”
Zegt men tegen een buitenstaander: ‘God heeft je lief’ (laat staan:’God houdt van je’), is de reactie op dit onbegrijpelijke statement gewoonlijk: O, leuk. Hij kent immers uitsluitend de ménselijke liefde, maar kent het woord agapè niet. Hij kan zich hierbij absoluut niets  voorstellen – zeker niet als hij door allerlei tegenslagen, teleurstellingen, onrecht en moeiten heengaat. Gods liefde is niet zomaar een liefde, maar heilige Redderliefde!
Daarom kan men hoogstens zeggen: Gods liefde geldt ook voor jou/u, maar Hij háát jouw/uw zonde. Gods liefde is heilige liefde. Omdat God evenzeer heilig en rechtvaardig is, moet Hij de zonde met de dood straffen. Maar God heeft Zijn liefde daarin getoond en bewezen dat Hij de straf die wij voor onze zonde(n) verdiend hebben, Zijn Zoon in onze plaats liet ondergaan. Op die manier mogen wij o.a. eeuwig leven en vergeving in deze Zoon, Jezus Christus ontvangen.

5b. Jezus stierf voor jou/ u.Voor een buitenstaander totaal onbegrijpelijk. Beter: Jezus stierf in jouw/uw plaats opdat jij /u in Hem gerechtigheid voor God, vergeving én een nieuwe natuur kunt ontvangen en voor Gods laatste oordeel wordt gered. Jezus’ liefde is zichzelf verloochenende, zichzelf opofferende, plaatsvervangende Redderliefde (1Joh 3:16).

1Kororintriërs 2:24: “Christus is de wijsheid Gods”: in Christus’ zoenoffer heeft God het onmogelijke mogelijk gemaakt: Zijn gerechtigheid én Zijn barmhartigheid met elkaar verbonden. God laat dus niet genade voor recht (gerechtigheid) gaan, maar verenigt ze beide in het plaatsvervangende zoenoffer van Zijn Zoon.

5c. Vaak wordt gezegd en gezongen: ‘Jij bent zó kostbaar in Gods oog, dat Jezus voor jou stierf.’
Zou Jezus’ vreselijke kruisdood werkelijk corresponderen met ‘onze kostbaarheid’, met ‘onze (eigen)waarde’?  Is dat niet een typisch voorbeeld van de misleidende integratie van de atheïstische humanistische psychologie en de Bijbelse openbaring over de mens?
Hoe waardeloos de zondige mens in zichzelf door de zondeval geworden is, staat o.a. in  Rom 1:18-32; 3:9-19; Ef 2:11-12; 4:17. De Schrift zegt ons verder: “Wat is de mens, dat U op hem let, het mensenkind, dat U acht op hem slaat? De mens is gelijk aan een ademtocht, zijn dagen zijn als een voorbijglijdende schaduw” (Ps 144:3-4; 90: 3-12; 39:5-7; Jak 4:14; Rom 5:12)? Zo vergankelijk is de mens geworden, al heeft hij vaak een grote mond.

Meer nog, de mens moet als Gods algemeen oordeel over de ongehoorzaamheid van onze stamvader, Adam, vroeg of laat sterven en daarna volgt Gods eindoordeel (Hb 9:27; Rom 5:23). Onze verhouding tot God in Jezus Christus tijdens dit korte leven op aarde is beslissend voor de opstanding ten leven of de opstanding ten (eeuwig) oordeel (Joh 5:27-29).

Bijbelse balans

De waarheid is dat de onbeschrijflijk hoge losprijs (de zoendood en het daarbij vergoten bloed van Gods Zoon) noodzakelijk was voor de onbeschrijflijk hoge schuld voor God! “Weet u niet dat u niet van uzelf bent? Want u bent gekocht en (tegen een prijs) betaald. Verheerlijkt daarom God met uw lichaam” (1Kor 6:19-20)!

Beseffen wij dat wel? En leven wij dienovereenkomstig?

 

 

Els Nannen

september 2010