II  Jezus, het Lam Gods –Zijn geestelijk Lichaam, Zijn Bruid

God had Zijn Zoon een menselijk fysiek lichaam gegeven, “opdat Hij door Gods genade plaatsvervangend voor ieder de dood (doodstraf voor de zonde) zou (kunnen) smaken” (Rom 5:23; Hb 2:9) en ons in Hem weer “tot God terug te brengen” (1Pe 3:18; Joh 14:6). De Here Jezus is fysiek temidden vanuit de doden opgestaan en zal ook fysiek terugkomen – nooit zonder “de tekenen van de nagels” (Joh 19:33-37;20:20,25; Hand 1:11).[1]
“Door Zijn opstanding temidden vanuit de doden is Hij, Jezus Christus, onze Heer, verklaard Gods Zoon te zijn in kracht – volgens het evangelie van God” (Rom 1:1b,2-4). “Christus is opgewekt te midden vanuit de doden als eersteling…Terwijl de dood er is door één mens (Adam), is ook de opstanding door één mens (Gods Zoon in menselijke, maar verheerlijkte gestalte). Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden” (1Kor 15:20-22).
God de Vader heeft Zijn Zoon de Naam boven alle naam gegeven, opdat in de Naam van Jezus (niet: van ’Isa of Jehova) zich alle knie zou buigen… en alle tong zou belijden: Jezus Christus (de Gezalfde) is Heer tot eer van God, de Vader” (Fil 2:9-11; Lk 2:11).
Dat alles was de voorwaarde en basis, waarop God, de Vader nog meer aan de Zoon zou geven: een geestelijk Lichaam, de Gemeentesinds de uitstorting van de Heilige Geest op aarde op de Pinksterdag – waarvan de Zoon het Hoofd is. Voorwaarden voor de geboorte van Christus’ Gemeente, Zijn Bruid zijn:

 Het Lam van God

*  Zijn kribbe (Lk 2:12,16; Fil 2:5-7),
*  Zijn kruis “vóór de grondlegging der wereld tevoren gekend, maar aan het einde de tijden
geopenbaard ter wille van u” (1Pe 1:20),
*  Zijn kroon: ere en heerlijkheid (Fil 2:9; Hb 2:7,9); door lijden tot heerlijkheid (Lk 24:26; 1Pe 1:21; 2Pe
1:17). Het Lam van God is Zelf: “de afstraling van Zijn (Gods) heerlijkheid en de afdruk van Zijn
wezen” (Hb 1:3),
*  Zijn unieke Naam: Jeschua (Gods redding), dè Gezalfde Gods en Heer (Fil 2:10-11; Hand 2:36; 4:12;
Lk 2:11),
*  Zijn uniek (geestelijk) Lichaam, Zijn Gemeente, “door God als haar Hoofd gegeven” (Ef 1:22). Dat
houdt Zijn zeggenschap in Zijn (geestelijke) levensgemeenschap met alle leden in (1Kor 1:9),
*  Zijn unieke Bruid (2Kor 11:2-4; Op 19:7-9; 21:17),
*  Zijn troon als het Lam naast Gods troon (Hb 8:1; 12:2; Op 3:21; 5:6,8-9,12; 7:9; 22:1,3).

Leden van Christus’ (geestelijk)Lichaam

Leden van de wereldwijde Gemeente van Christus zijn uitsluitend diegenen uit de natie Israël en geroepen en verspreid uit de volkeren die door Gods Woord en Geest wedergeboren zijn (Jak 1:18; 1Pe 1:23; Lk 8:11; Rom 10:17). Zij zijn op het ogenblik van hun geboorte uit God door Christus, het Hoofd, “in de Geest tot één Lichaam gedoopt” (1Kor 12:13). Dat is een heilsfeit, géén subjectieve ervaring. Aangezien Christus, het Hoofd, dat doet, meer nog, gedaan hééft (“Wij zijn”, “Wij zijn allen”), kan geen (mede)mens die ‘geestes-doop’ uitdelen, al of niet onder handoplegging. Heeft de handoplegger zelf een of andere geestesdoop, meestal losgekoppeld van de wedergeboorte, op gebed of via een mèns ontvangen, dan draagt hij weer “een andere geest’ over, die hijzelf aangenomen had (2Kor 11:4; 2Kor 7:1; Heb 10:22).

Christus’ Gemeente, Zijn BruidGods geheimenis”

Zij “is eeuwenlang verborgen gebleven in God, de Schepper van alle dingen, opdat nu… de veelkleurige wijsheid van God bekend zou worden naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus onze Heer heeft uitgevoerd “( Ef 3:9-11). Eerst aan Paulus, de apostel der heidenen is “door Gods genade” dit goddelijk “geheimenis van Christus” geopenbaard. En aan hem is “deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijdom van Christus te verkondigen” (Ef 3:2,8;1:3; Rom10:12; 2Kor 8:9). Dat in algehele overeenstemming met de Heilige Geest, wiens unieke taak het is, Jezus Christus te verheerlijken (Joh 16:14; 1Kor 2:12-13).  
De Gemeente van Christus was niet aan Israël via zijn profeten (OT) geopenbaard. Toen de Here Jezus op de bekende geloofsbelijdenis van Petrus: “U bent Christus, de Zoon van de levende God” reageerde met  “Op deze petra (belijdenis) zal Ik Mijn gemeente bouwen” had géén van zijn discipelen toen begrepen en kunnen begrijpen, wat de Here met Zijn Gemeente bedoelde (Mt 16:16-18). Aangezien Christus’ Gemeente tot op de apostel Paulus niet geopenbaard was, was tot die tijd dus ook niet Christus’ Gemeente als Zijn ene (geestelijk) Lichaam in het Oude Testament bekend. Elke poging om desondanks Christus’ Gemeente en Bruid (bv. Ef 5:25-32) in het Oude Testament (bv. in het boek Hosea) te lezen en in te leggen, leidt per definitie tot dwaalleringen. Een ernstige dwaalleer is dan ook duidelijk herkenbaar, wanneer feitelijk “Christus’ offergave en slachtoffer met zijn bloed aan het kruis, Gode tot een welriekende reuk” (Ef 5:2) vergeleken of zelfs vertaald wordt met een materiële ‘bruidsschat’ (Hosea 3:2).

Gods uitverkiezing van de (geestelijke) Bruid voor Zijn Zoon

God heeft Zijn Zoon gegeven als Hoofd van Zijn (geestelijk)Lichaam, dat is Zijn Gemeente, Zijn Bruid (Ef 1:22-23;5:23; Kol 1:24). God heeft Zijn kinderen uit Joden en niet-Joden, “voortgebracht door het Woord der Waarheid” (Jak 1:18; Ef 1:13; Kol 1:5-6; 1Pe 1:23), uitverkoren om Gemeente en Bruid van de “uitverkoren Zoon” (Lk 9:35; Js 42:1) te zijn.

Hoewel de Gemeente van Christus – dus ook als Zijn Bruid – in het Oude Testament volkomen onbekend is, zijn er wel typologische lessen uit aspecten van bepaalde personen en gebeurtenissen uit het Oude Testament te trekken, zoals wie wel en wie niet tot de bruid mogen behoren.

Rebekkauitverkoren bruid van Isaak, de enige zoon der belofte
Wij lezen hoe Israëls aartsvader Abraham voor zijn zoon Isaak – en anderzijds Isaak voor zijn zoon Jakob – een bruid liet uitkiezen, dieuit zijn land en verwant moest zijn (Gen H. 24; 28:1-5). Abraham gaf aan zijn knecht Eliëzer de uitdrukkelijke opdracht, geen bruid uit het (heidense) volk der Kanaänieten te nemen (vgl. Dt 7:1-8). Dat zou een “ongelijk span” betekenen (2Kor 6:14-18).
Niemand valt er over dat Abraham deze eisen stelde. Ook is niemand op het idee gekomen om met zijn menselijke logica daaruit te concluderen, dat ‘dus’ alle andere vrouwen ‘verworpen’ en ’voor eeuwig verloren’ zouden zijn. Zij konden alleen niet tot de bruid van Isaak, de enige zoon der belofte, behoren!

Waarom trekken we met ons ongeheiligde verstand eigenmachtig wel een dergelijke conclusie ten aanzien van hen die niet wedergeboren, geen kinderen van God zijn, dus niet behoren tot de Gemeente van Christus alsof deze ‘dus verworpen en voor eeuwig verloren’ zouden zijn? Waarom zou God niet het recht hebben om Zijn kinderen als Bruid voor Zijn Zoon uit te kiezen? Of is ons zelfs ontgaan dat het om de uitverkiezing van de Bruidsgemeente van Christus gaat, bestaande uit wedergeboren Joden en niet-Joden  – “in Christus uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld” (Ef 1:3)? Zijn niet zij verloren die niet in de goddelijkheid van Jezus Christus (als Gods Zoon), niet in zijn volbracht zoenoffer aan het kruis van Golgotha geloven en zich niet tot Hem bekeren om eeuwig leven van Hem te ontvangen? (Joh 3:18-20; 5:40-47; Mt 23:37-39).

De Gemeente uitverkoren in Christus  – Israël in zijn vaderen

*  God, de Vader heeft Zijn Zoon Jezus “liefgehad vóór de grondlegging van de wereld” (Joh 10:17; 17:24b). Waarom toen bij uitstek? De Here Jezus onthulde: “Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weer te nemen. Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af … dit gebod heb ik van mijn Vader ontvangen” (Joh 10:17-18). Staat ook niet geschreven dat de Zoon gehoorzaam geworden is tot de dood, ja, tot de dood aan het kruis”? Daarom heeft God Hem uitermate verhoogd (Fil 2:8-9)!

*  Christus’ wereldwijde Gemeente uit bekeerde Joden en heidenen is uitverkoren in de uitverkoren, geliefde Zoon, uitverkoren in Christus vóór de grondlegging der wereld” (Ef 1:4; 1Pe 1:2; Rom 8:33).

Christus’ Gemeente is niet een aardse natie, laat staan een politieke. Zij heeft nergens op aarde een bepaald land als erfdeel gekregen dat zij zou moeten veroveren of verdedigen. Integendeel, zij is een “vreemdeling in verstrooiing” (1Pe 1:1). Haar woning is in “het huis van de Vader”, door de Zoon voorbereid .. “om altijd bij Hem te zijn” (Joh 14:1-3; 12:26; 17:24; 1Ts 4:17). De erfenis van de Gemeente van Christus is “een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen is weggelegd…welke gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd” (1Pe 1:3-5; Hand 20:32; 26:18).[2]

Daarentegen is Israël  “nakroost van Abraham, zijn knecht, kinderen van Jakob (niet: van Ismaël!)” als aardse natie Gods geliefd en uitverkoren volk met het aardse land Kanaän als erfdeel (Ps 105:6-11; 1Kron  16:15-18; Jozua 14:1-2; Hand 13:19). “Naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil. Want Gods genadegaven en roeping zijn onberouwelijk” (Rom 11:28-29; 3:3).

De Gemeente (NT) – haar taak op aarde

Fundament en Hoofd van de Gemeente is exclusief Jezus Christus, de Waarheid, Die exclusief door de Geest der Waarheid in haar woont (Joh 14:6;16:13). De Gemeente is ontstaan door “het Woord der Waarheid, het evangelie van uw redding (Ef 1:13; ook Gal 2:5,14) door middel van ”de prediking van de waarheid“ (2Kor 6:7; Kol 1:5).

*  Zo is de verantwoordelijke functie en opdracht van de Gemeente om “pijler en fundament van de Waarheid ” te zijn o.a. omtrent de drie-enige God; over God, Schepper, Wetgever en Rechter in Jezus Christus (Joh 5:22,27; Hand 10:42;17:30-31; Rom 2:16; 2Tim 4:1); over de geschapen en gevallen mens; over de Persoon en het volbrachte verlossings- en verzoeningswerk van Christus, Gods Zoon; over de Gemeente van Christus en haar toekomst; over Gods volk Israël en zijn toekomst; over de eindtijd en het nieuwe Jeruzalem; over het eeuwige eindgericht (Heb 9:27; 6:2).

 * “Heel Uw Woord is Waarheid” (Ps 119:160,140b; Spr 30:5; 2Tim3:14-17). De taak van de Gemeente als objectieve “pijler en fundament van de Waarheid” is in de eerste plaats de Bijbelse Waarheid voor zichzelf vast te houden, te bewaren.  Zij moet zich niet van de wijs laten brengen door theologische, psychologische, pedagogische, sociologische, wetenschappelijke en andere seculiere theorieën. Hebben de bedenkers “Het Woord des HEREN verworpen, wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?” (Jr 8:9; Joh 1:10;17:25; Rom1:18-32; 1Kor1:18-21).
Gods Woord serieus bestuderen, gehoorzamen, toepassen en met volharding bewaren geschiedt in eerste instantie in het eigen hart van de voorganger en van ieder gemeentelid (Ps 17:4-5;119:9,11; Lk8:15; Kol 3:16). Anders wordt het gemeentelid en/of de plaatselijke gemeente onvruchtbaar (Lk 8:15).

In de tweede plaats moet het Woord der Waarheid tot uitdrukking komen in o.a. eerlijke Bijbelvertalingen uit de grondtekst (dus bv. niet “God, Vader” vervangen door ’God, Vader en Moeder’ en niet de unieke Reddernaam “Jezus” vertalen met het woord ’Isa.) en Bijbelgetrouwe commentaren zonder eigenmachtig toevoegen of afdoen, zonder inlegkunde vanuit een of ander vooroordeel, zonder een tekst te isoleren uit de directe of bredere context, wat steeds tot verdraaiing, vervalsing leidt (Spr 30:6; Gal 1:7; 2Pe 3:16; Op 22:18-19). Vergelijk Gods bevel aan Zijn profeet Jeremia (Jr 26:1-3) en Gods aanklacht via hem tegen de valse profeten (Jr 23:9,32,36)!
Gods geschreven Woord is de enige goddelijke autoriteit en objectieve maatstaf, waaraan alles getoetst moet worden, dus ook alle subjectieve ervaringen, dromen, visioenen, beelden, visualisaties, eigentijdse profetieën en eigentijdse ‘laagdrempelige’ vertalingen enz. Zou de heilige God, die de “heilige Schriften” inspireerde, Zich ‘laagdrempelig’ laten maken? (2Tim 3:16-17; 2Pe 1:21)

* Als Bruidwerver voor Jezus Christus, de geestelijke Bruidegom van Zijn Gemeente, moest de apostel Paulus voortdurend lijden onder en strijden tegen valse broeders (2Kor 11:26, zelfs een keer tegen de apostel Petrus, die ook nog Barnabas misleidde, Gal 211-15); tegen valse apostel (2Kor 11:13-20) en valse leraren (Rom 16:17-18; Gal 1:6-9; Fil 3:2; 1Tim 6:3) of tegen verkondigers met een valse innerlijke instelling (Fil 1:15,17; 3:18-19). Dat was uiteraard geen ‘strijd tegen demonen’, maar tegen “de oude mens”, die immers tot de fyieke dood toe in ieder gelovige is en nog heel veel kwaad kan doen.
Paulus, prediker van de Bijbelse Waarheid, had zelf innerlijke liefde tot de Waarheid. Zodoende had hij de gemeente in Korinte “aan een echtgenoot verbonden om haar als een onbesmette bruid voor Christus te stellen”. Daarom ”waakte“ hij over haar “met goddelijke ijver”en streed hij voor de gezonde leer en haar gezonde levenspraktijk.
Er waren twee ernstige problemen opgetreden: valse apostelen waren gekomen, die “een andere Jezus” en “een evangelie van een andere aard” en zelfs “een geest van een andere aard” brachten.
Het tweede probleem was dat de gemeente tolerant was zowel tegenover die valse apostelen als ook ten aanzien van hun valse boodschap: ’er is méer’ – meer dan wat Paulus jullie verkondigd had. ‘En wij brengen jullie dat ‘meer’! Zo was de gemeente geestelijk besmet geworden. Christus, haar Geestelijke Bruidegom was niet meer het een en al gebleven. Het was ‘Jezus Christus-PLUS’ geworden.

Eva – de vrouw van de eerste Adam

De Bijbel stelt typologisch uitsluitend Christus als de (gehoorzame) tweede Adam tegenover de (ongehoorzame) eerste Adam (Rom 5 e.v.) – nooit de twee vrouwen: Eva tegenover Maria, zoals bv. de charismatisch en room-katholiek georiënteerde Marienschwestern doen.
Wel ziet Paulus op één punt een alarmerende vergelijking tussen Eva en de tolerante gemeente in Korinte: beide laten zich verleiden tot verstoring van de relatie met God respectievelijk met Jezus Christus: Zoals de slang met haar sluwheid Eva (de vrouw van de eerste Adam) verleidde” zo ziet hij verleiding door dezelfde sluwe slang van de gemeente in Korinte als deel van de Bruid van Christus, de tweede Adam.
Het ‘evangelie van de slang’ in het Paradijs was in principe: ‘er is méér’ : jullie kunnen meer hebben en meer zijn (Gen 3). Het verleidingsmiddel was het woord van de slang.
Dezelfde listige slang gebruikte in Korinte mensen, die zich voordeden als apostelen (pseudo-apostelen, 2Kor 11:13-15). De gemeente kende al twee apostelen: Paulus en Petrus (1Kor 1:12). Succes van misleiding dus gegarandeerd door ‘zich voor te doen als apostel’ en te spreken met een gevolmachtigd woord als van een apostel. Dat is tegenwoordig weer actueel door de Nieuwe Apostolische Beweging, waarvan de bekende pinksterchristen Prof. Peter Wagner de eerste apostel zou zijn.

Elk toevoegen en afdoen van de Schrift leidt tot verdraaiing van de inhoud en van de bedoeling van b.v. een tekst. Het wemelt in de Gemeente van Christus van bestaand en recent toevoegen en afdoen (Spr 30:6).
Wie is het nog opgevallen dat bv. bij het citeren van het overbekende vers Johannes 3:16 het belangrijke woord “Want” (duidend op vers 13) weggelaten en het woord “alzo” (vers13) meestal vervangen wordt door ‘zozeer’, terwijl het doel van Gods Redderliefde: “opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga …” vaak weggelaten wordt?

NB: Niet één kerkelijke richting zelf is ‘het’ fundament van de Bijbelse Waarheid – laat staan de r.-k. kerk – en ook niet een plaatselijke kerk. Het is de wereldwijde Gemeente van de Here Jezus Christus, Gods Zoon, bestaande uit alle kinderen van God, die ”Hij door het Woord der Waarheid voortgebracht heeft” (Jak 1:18). Zij kunnen ook tot een huisgemeente behoren (Rom 16:5; 1Kor16:19; Kol 4:15; Filemon 2).

Verkondiging van Gods evangelie over Zijn Zoon aan alle volkeren! Bovendien moeten zij, die zich aan de Here Jezus overgegeven hebben met Gods Woord ”tot discipelen van Jezus Christus gemaakt worden (Mt 28:19a).
Deze unieke evangelistische en zendingsopdracht voor de volken gold dus niet alleen Paulus, de apostel der heidenen[3], en Timoteüs (2Tim 4:1-5). Ze is ook blijvende opdracht van de Gemeente van Christus [4]. God, de Schepper Zelf verkondigt aan de heidenen dat zij zich met berouw moeten bekeren met het oog op het komende gericht door de Zoon! (Hand 17:22-31; Joh 5:22; 2Tim 4:1;1Pe 4:5). Zo had God de apostelen “geboden te prediken en te betuigen” dat Jezus de door Hem aangestelde Rechter is (Hnd 10:42).
Het volk Israël, nu nog “gedeeltelijk van hart verhard”, wacht op de tijd dat ”de volheid van de volken ingaat” (Rom11:25).“Daarna” zal God “terugkeren en de vervallen hut van David weer opbouwen” (Hand 15:7-18).

Verkondiging van het geheimenis van God – “eeuwen verborgen in God” (Ef 3:6,8)
God heeft “ons in Jezus Christus met iedere geestelijke zegening in de hemelse gewesten gezegend” (Ef 1:3). Deze “onnaspeurlijke rijkdom in Christus” is niet exclusief voor Israël bestemd, maar is en moet ook “aan de heidenen verkondigd” worden. God had niet alleen Israël “berouwvolle bekering”(Gr. metanoia) geschonken, maar ook de heidenen (Hand 5:31;11:17-18) en deze tot “mede-erfgenamen” gemaakt. Deze “veelkleurige wijsheid van God” in Christus moet door de Gemeente “aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten bekend worden” (Ef 3:10).

Voorbede voor alle mensen, vooral voor overheden
Als “dienares van God”(Rom13:4,6) zijn overheden verplicht om vrijheid te garanderen voor druk en verspreiding van Bijbels evenals voor financiële gelijkberechtiging van christelijke scholen. Het is God die wil, ”dat alle mensen gered worden en tot kennis van de waarheid (van het evangelie over Jezus) komen” (1Tim 2:1-7). Kennen wijzelf trouwe voorbede voor onze overheden?
 God communiceert via Zijn geschreven Woord. Sinds Hij Jezus Christus gezonden heeft, spreekt God niet meer zoals in het Oude Testament door profeten, visioenen of dromen (Hb 1:1-2). Het boek Openbaring is de laatste profetie die God aan Jezus, Zijn Zoon, gaf om aan de laatst levende apostel (de  oude Johannes) te tonen. Alleen Gods Woord is het levende zaad dat levend maakt (Mk 4:14; Lk 8:11;1Pe 1:23). Daarom zijn vrijheid van Bijbelverspreiding en van bevordering van Bijbellezen en Bijbelkennis zo belangrijk.

* Voorbede voor hen, die het evangelie verkondigen (Rom 15:30-32; ) “Ook voor mij”, schrijft de apostel  Paulus, “dat bij het openen van mijn mond het woord geschonken wordt òm met vrijmoedigheid het geheimenis van het evangelie bekend te maken, waarvoor ik een gezant (2Kor 5:20) in ketenen ben. Dàn zal ik vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken “ (Ef 6:19-20; Hand 28:31; Kol 4:2-4).“Bidt voor ons, dat het Woord des Heren snelle voortgang moge hebben en verheerlijkt wordt” (2Ts 3:1; 1Ts 5:25).

* Voorbede met respect voor hen die geroepen zijn om in een plaatselijke gemeente leiding te geven [5]. Tot hun taak behoren o.a. het aanmoedigen èn corrigeren, terechtwijzen. Paulus vermaant de christenen in de gemeente te Korinte: “Laat u terechtwijzen, laat u vermanen” [6].

Voorbede dat de leidinggevende waakzaam zijn t.o.v. “grimmige wolven die de gemeente van Efeze trachtten te infiltreren”. Maar het ontstellende is dat “ook uit de gemeente zelf mannen zullen opstaan die verkeerde dingen spreken om de discipelen af te trekken achter zich aan” (2Pe 2:1; 1Joh 2:19; 2Joh 7-11). Judas vermaant “tot het uiterste te strijden voor het gelóóf dat eenmaal de heiligen is overgeleverd. Want …” (verzen 3-4,20; vgl. Fil 1:27-30; 1Tim1:18; 6:12; 2Kor 4:12-13).
Paulus, die “het Woord van geloof verkondigde”, (Rom10:8) schrijft: “Het doel van alle vermaning is liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof” (1Tim 1:3-15).

* Voorbede voor evangelieverkondigers en andere gelovigen die in de gevangenis zitten (Hand 12:1-5; Hb 10:34; 13:3). De apostel Paulus noemde zich “een gevangene ter wille van Christus voor de heidenen.[7]
Hij voelde zich niet als apostel te verheven gemeenteleden om voorbede te vragen:“Gedenk mijn gevangenschap” (Kol 4:18). Hij schaamde er zich niet voor. Maar Timotëus, zijn geestelijk kind, moest Paulus aansporen: “Schaam u dus niet voor mij, zijn gevangene.. Wees mede bereid voor het evangelie te lijden in de kracht van God …” (2Tim 1:8-9,12).

 * Dienstbetoon en opbouw van het Lichaam van Christus [8]
De apostel Paulus bidt God, de Vader, voor de gemeente in Efeze: “geworteld en gegrond in liefde zult u dan samen met alle heiligen in staat zijn te vatten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat” (Ef 3:14-19). Het gaat om “de volle kennis van Gods Zoon”, om “geestelijke rijpheid”: “De waarheid sprekende groeien wij in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het Hoofd is, Christus” (Ef 4:12-16). Dienstbetoon kan ook bestaan uit bemoediging (1Ts 4:18; 2:11) en vermaning van elkaar (Rom 12:8; Hb 3:13).

Christus en Zijn Gemeente, Zijn Bruid“Dit  geheimenis is groot
(Ef 5:2,25-33)

Christus heeft haar liefgehad. Het bewijs: “Hij heeft Zich voor haar overgegeven”, en wel “als offergave en slachtoffer, God tot een welriekende reuk”[9]. Doel is: ”om haar te heiligen” (Joh 17:27), d.w.z. om haar temidden van uit (Grieks: ek) de wereld voor Zich af te zonderen om Hem alleen toe te behoren – zoals een Bruid haar Bruidegom (Gal 1:4; Ef 2:2; Titus 2:14; 2Pe 1:4).
“Christus heeft haar gereinigd door het waterbad in het Woord (Ef 5:26; Joh 13:10), om zo de Gemeente Zichzelf verheerlijkt te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel, zó dat zij heilig is en onbesmet”.

“dat God u de roeping waardig achte en met kracht…het werk van geloof volmake, opdat de naam van
onze Here Jezus in u verheerlijkt worde en u in Hem naar de genade van onze God en van de Here Jezus
Christus” (2 Tess 1:10-12).

 

Els Nannen, december 2014

 


[1] Zie ook Ps 22:17; 1Joh 5:6; Zach 12:10; Op 1:7
[2] Rom 8:17; Ef 1:11; Kol 1:5,12; Hb 9:15: eeuwige erfenis
[3] Hand 9:15;22:21-22;26:16-21;26:23; Gal 1:15-16; Rom 1:1-4;1Tim 2:5-7
[4] Mt 28:18-20; Mk 16:15; Lk 24:46-47; Joh 10:16; Hand 11:18;13:46-49;26:23; Js 42:6-7;49:6; Lk 2:31-32
[5] Hand 20:28; Rom 12:8; 1Ts  5:12-13; 1Tim 5:17; Hb 13: 7,17,24; 1Pe 5:1-5
[6] 2Kor 13:11;1Kor 1:10; zie ook Hand 14:22; Rom 12:1-2; 16:17-18; Ef 4:1-6; 1Ts 2:11-12; 3:1-3; 4:1-3; 4:10-12; 1Pe
2:11-12
[7] Ef 3:1; 4:1; Fil 1:13;1:7,14,17; Kol 4:3; zie ook Hand 24:27; 2Kor 6:4; 11:23; Filemon 1en 9
[8] Ef 3:1-16; 1Pe 4:10-11; 1Kor 14; Vgl. 1Kor 16:15-16; 2Kor 9:1,12-14; Ef 4:16
[9] Ef 5:2, 21-33; 1Tim2:5-6; Hb 9:14; 1Pe3:18; Op 1:5b; 5:9-10