Het “moeten” in het leven van de Here Jezus Christus op aarde

 
Vanuit onze oude natuur is er meestal een aversie, ja rebellie tegen het werkwoord ‘moeten’. Dat wordt meteen negatief geassocieerd met ‘dwang van boven af’, met een ‘knellende band’. Wij willen ‘vrij’ zijn en zelf over ons leven beschikken en beslissen. Werkwoorden als ‘kunnen’, ‘mogen’ en vooral ‘willen’ klinken dan ook beter in onze oren.

Het oude volk Israël had er ook grote moeite mee om God te gehoorzamen en te dienen: “Want van ouds hebt u uw juk verbroken, uw banden verscheurd en gezegd: Ik wil niet dienen. Want …” (Jer 2:20 ev.5:5). De Messiaanse Psalm 2 drukt deze innerlijke verzets-houding van alle mensen tegen God en zijn geboden sinds Adams’ ongehoorzaamheid (Gen 3:11) als volgt uit:
“De koningen van de aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde (Messias). Laat ons hun banden verscheuren en
hun touwen van ons werpen
” (2:1-3; Hand 4:25-26; Op 11:18).
Weg met al die Bijbelse geboden en verboden voor het persoonlijke en het huwelijks leven, voor de eigen samenleving en internationaal in Europees verband – ook in de wetgeving.

Geheel anders Gods geliefde Zoon en Messias. Hij legde vrijwillig zijn God gelijk zijn af, nam de gestalte van een slaaf (niet: dienstknecht!) aan. “Hij heeft zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood aan het kruis. Daarom laat die gezindheid bij u zijn welke ook in Christus Jezus was, die………”(Fil 2:5-11).
Als twaalfjarige bleef Jezus op het Paasfeest in de tempel in Jeruzalem langer dan zijn aardse ouders dachten. De tempel  noemde Hij “het huis van Mijn Vader (God)” (Joh 2:16).
Jezus antwoordde zijn verontruste ouders die naar Hem op zoek waren: “Waarom hebt u Mij gezocht? Wist u niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen van mijn Vader?” (Lk 2:48-50).

Na “geregeld geleerd” en genezingen in Kapernaum volbracht te hebben, vertrok Jezus. De mensen zochten Hem en “trachtten Hem tegen te houden opdat Hij niet van hen zou weggaan. Maar Hij sprak tot hen: Ook aan de andere steden moet Ik het evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen, want daartoe ben Ik uitgezonden” (Lk 4:31-44; 4:16-21; 8:1).

Bij Zijn ontmoeting met de blindgeboren man zei Jezus dat “Gods werken aan hem geopenbaard moesten worden. “Wij moeten de werken doen van Hem, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht waarin niemand werken kan” (Joh 9:1-5; vgl. 5:17,19; 10:30). De ‘werktijd’ van de Here Jezus op aarde was kort. Hij had immers 30 jaar moeten wachten voor Hij 3 jaar mocht “werken de werken van de Vader”.

De apostel Paulus begreep dat ook onze tijd als Gods kinderen op deze aarde begrensd is – niet alleen vanwege het feit dat wij moeten sterven. Ook de situatie in eigen land en in de wereld vereist bewust gebed om het verstaan van Gods wil in de concrete situatie. En dan moeten wij de korte tijd voor Hem uitkopen – met onze kracht, onze talenten, ons geld, onze opleiding, onze maatschappelijke positie, kortom met alles, wat we hebben en zijn. “Want de dagen zijn  boos” (Ef 5:15-16; Rom 13:11-14). Zijn wij niet bovendien “bekeerd om de levende en waarachtige God te dienen …” (1Tes1:9)?

Tegenover de Farizeeër Nikodemus legde de Here Jezus uit, wat er met Hem moest gebeuren, opdat verloren mensen “gered” en “uit God geboren” zouden kunnen worden: “En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd (veroordeeld) worden, opdat ieder die in Hem gelooft eeuwig leven heeft” (Joh 3:14-15; 8:28; 12:32-34).
Voor Pilatus zeiden de Joodse leiders terecht dat het hun niet geoorloofd was om Jezus ter dood te brengen, “opdat het woord van Jezus vervuld werd dat Hij gesproken had, toen Hij aanduidde wat voor dood Hij zou sterven” (Joh 18:31-32). De Joden gaven het doodsvonnis in handen van de Romeinse bezetting. Zij wisten dat de Romeinse methode van voltrekking kruisiging was.

“Van toen aan” (na Petrus’ belijdenis dat Jezus “de Messias, de Zoon van de levende God is”) begon Jezus Christus zijn discipelen te tonen, dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en van de kant van de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden veel moest lijden en gedood moest worden en op de derde dag opgewekt moest worden” (Mt 16:16, 21); 17:22-23; 20:17-19).
Bij de gevangenneming sprak Jezus Christus: “Dagelijks was Ik bij u in de tempel aan het leren, en u hebt Mij niet gegrepen; maar  de Schriften moeten in vervulling gaan” (Mk 14:49).

Twee engelen vroegen de vrouwen die in aller vroegte met specerijen naar het graf  van Jezus waren gekomen: “Wat zoekt u  de Levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt. Gedenkt, hoe Hij, toen Hij nog in Galilea was, tot u gesproken heeft en zei: de Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen van zondige mensen en moet gekruisigd worden en op de derde dag moet opstaan. En zij herinnerden zich zijn woorden, en teruggekeerd van het graf, boodschapten zij dit alles aan de elven” (Lk 24: 1-9).
Johannes ging het open graf binnen en zag de windsels liggen en de zweetdoek opgerold op een andere plaats. “Hij zag het en geloofde; want zij kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan” (Joh 20:9; Hnd 2: 24-32; 13:34-37; Ps 16:10).

De Opgestane zei tot de Emmaüsgangers, die een totaal andere verwachting van de Messias en de getuigen van Jezus opstanding niet geloofd hadden: “O dwazen en tragen van hart dat u niet alles gelooft wat de profeten gesproken hebben. Moest de Messias dit niet lijden en (zo) in zijn heerlijkheid ingaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten, hun uitleggende, wat in al de Schriften op Hem betrekking had” (Lk 24:24-27).
Bij Jezus’ verschijning aan de elf apostelen legde Hij uit dat alles wat over Hem in de wet van Mozes en in de Profeten en in de Psalmen geschreven staat, vervuld moet worden (Lk 24:44-46).

Jezus Christus “is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood aan het kruis. Dáárom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van (deze) Jezus zich elke knie zou buigen … en alle tong zou belijden tot eer van God, de Vader: Jezus Christus is Heer” (Fil 2:5-11).

Voor de Here Jezus was gehoorzaamheid aan de Vader geen ‘beknellende band’ die Hem frustreerde in Zijn ‘zelfontplooiing’. Integendeel: “Mijn spijze is dat Ik de wil van Hem doe, Die Mij gezonden heeft (Joh 5:30; 6:38; 8:29; Heb 10:7, 9) en Zijn werk volbreng”, legde de Heer aan Zijn discipelen uit (Joh 4:34; 17:4). Jezus Christus vervulde de wet, de profeten en de Psalmen, zoals Psalm 40:8-9: “Ik heb er vreugde in om Uw welbehagen te doen, mijn God; uw wet is diep in mijn binnenste”. Jezus Christus, in Wie God welbehagen heeft, heeft omgekeerd er vreugde in om te doen wat God welbehaaglijk is (Jes 42:1; Mt 3:17; 12:18;17: 5). Christus heef nooit Zichzelf behaagd (Rom 15:3). Hij heeft ook niet getracht om mensen te behagen.“Jezus Christus heeft, hoewel Hij de Zoon is, gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij geleden heeft ..Hij is voor allen die Hem gehoorzamen, oorzaak van eeuwig heil geworden” (Heb 4:9).

 

Els Nannen, maart 2013