Het Lichaam van Jezus Christus

De Bijbel onderscheidt twee aspecten wat betreft het lichaam van de Here Jezus Christus, Gods Zoon. Hoewel beide van elkaar verschillen, hangen ze ten nauwste met elkaar samen.
Enerzijds openbaarde God door Zijn profeten in Israël de vleeswording (incarnatie) van Zijn Zoon,
opdat wij (zondaren) niet (voor eeuwig) verloren gaan, maar in de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte Zoon eeuwig leven kunnen ontvangen (Js 53; Joh 3:16). Is dat niet de enige Bijbelse betekenis van het Kerstfeest? Behoort het niet ook de enige inhoud van het kerstfeest te zijn van hen die zich christenen noemen?

Anderzijds spreekt het Nieuwe Testament, het Nieuwe Verbond, over het geestelijk Lichaam van Gods Zoon d.i. Zijn (wereldwijde) Gemeente. Hij is daarvan het Hoofd en de leden, kinderen Gods uit Joden en niet-Joden. Deze zijn door Gods “Woord (!) der waarheid” en Geest verwekt.[1] Het ontstaan ( de geboorte) van dit geestelijke Lichaam vond plaats op het Pinksterfeest, en wel op het fundament van het volbrachte zond- en schuldoffer (zoenoffer) van Jezus Christus, de vleesgeworden Zoon. Dat is de enige Bijbelse betekenis van het Pinksterfeest, zoals beschreven in Handelingen 2 (vgl. Mt 16:15-18).
Het “geheimenis van de Gemeente van Christus, eeuwen lang verborgen gebleven in God, de Schepper van alle dingen” werd aan de profeten van Israël niet geopenbaard en is dus niet in het Oude Testament te vinden en ook niet in de periode tussen Maleachi en het Nieuwe Testament (400 jaar). Dit unieke geheimenis van God werd pas aan Paulus, apostel voor de niet-Joden, geopenbaard (Ef 3: 1-13).

 I   Gods genadegeschenk van Zijn Zoon in menselijk lichaam (Joh 3:16)

“En buiten twijfel groot is het geheimenis van de godsvrucht, Die zich heeft geopenbaard in een menselijk lichaam (het vlees) …” (1Tim 3:16). En de oude apostel Johannes schrijft ten aanzien van Gods Zoon, “wiens naam is genoemd: het Woord Gods (Op 19:13): “Het Woord was bij God en het Woord was Godhet Woord is mens (vlees) geworden en heeft onder ons gewoond …” (Joh 1:1-3,14).
De incarnatie van Gods Zoon is de vervulling van wat de profeet Jesaja al mocht aankondigen: “Hoor toch, huis van David! …Daarom zal de HERE zelf u een teken geven: Zie, de jonge vrouw zal zwanger worden en een zoon baren (Lk 1:31,35) en zij zal Hem de naam Immanuël (God met ons) geven” (Js 7:14; 8:8,10; Mt 1:23). En “toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon (Joh 3:16), geboren uit een vrouw (Lk 2:6.7), geboren onder de wet (van Mozes) om hen die onder de wet zijn (Israël) vrij te kopen, opdat wij (Joden) het recht van zonen zouden verkrijgen” (Gal 4:4-5).

De Here Jezuswaarachtig mens

“Laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was, Die in Gods gestalte zijnde, het Gode gelijk niet als een roof geacht heeft, maar Zichzelf (van Zijn goddelijke gestalte) ontdaan heeft door de (uiterlijke) gestalte van een slaaf aan te nemen en aan mensen gelijk te worden. En in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem uitermate verhoogd …” (Fil 2:5-11).

Jezus – waarachtig God en waarachtig mens

“Iedere geest die Jezus niet (in het vlees gekomen) belijdt is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan u gehoord hebt dat hij komen zal, en hij is nu al in de wereld” (1Joh 4:1-3). Daarom zegt de Schrift dat de geest van waaruit profeten een of andere boodschap menen te moeten brengen, getoetst moet worden. Dat was toen al urgent en wel in verband met de zich verbreidende mystieke beweging van de gnostici.

De principiële ontkenning – zoals in sekten en Aziatische religies, vooral in de islam – dat Jezus Gods Zoon en dus Geest is,  maar mens werd om in Zijn lichaam plaatsvervangend voor ons Gods straf voor onze zonde te ondergaan, is dus méér dan een ‘religieuze opvatting’. Daarom ook worden de Bijbel en het persoonlijke getuigenis aangaande Jezus als Gods eniggeboren Zoon zo gehaat en bestreden!

Gods enig doel met het genadegeschenk van Zijn Zoon

 Het is frappant voor onze tijd, maar ook zorgwekkend dat meestal alleen over het eerste deel van Johannes 3:16 (Gods liefde), gesproken wordt, maar niet over Gods noodzakelijke doel o.a.:

  • opdat ieder, die in Hem (de Redder!) gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven zou hebben…”
  • en opdat in de Zoon gerechtvaardigd, de relatie tot Hem hersteld is: “opdat Hij (Jezus) ons tot God zou brengen” (Joh 3:17; 2Pe 3:9; 1Pe 3:18; Joh 14:6; 1Kor 1:30-31; Hb 4:14-16);
  • om de levende God te dienen en Jezus Christus uit de hemel te verwachten (1Ts 1:9-10);
  • om niet langer (egocentrisch, egoïstisch) voor zichzelf te leven, maar voor Hem die in zijn of haar plaats gestorven en opgewekt is (2Kor 5:15).
  • opdat Zijn kinderen omgevormd worden in het karakter, de gezindheid van de Zoon (Rom 8:28-29)

Is een verkondiging zoals ‘God houdt van je’, ‘Hij wil hij altijd bij je zijn en altijd voor je klaarstaan’ wel met het doel van de heilige God in overeenstemming?

Gods genadegeschenk van Zijn Zoon voor wie?

Niet alleen ‘theologisch’, maar ook uit eigen ervaring schrijft de apostel Paulus:

  •  “Dit is een getrouw woord en alle aanneming waard, dat Christus in de wereld gekomen is om zondaren te redden, onder welke ik een eerste plaats inneem” (1Tim 1:15; niet: innam! Hij bleef  immers een begenadigdezondaar).
  •  “God echter bewijst Zijn (onverdiende) liefde voor ons, doordat Christus, toen wij zondaren waren, voor ons gestorven is” (Rom 5:8) en wel “kinderen onder de toorn van God” (Ef 2:1-5).
  • Jezus openbaarde ook Zelf Gods doel: “Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden”(Lk 19:11;6:9; Mt 18:12-14; Rom 2:12; Js 53:6).
  •  Jezus Christus stierf voor ons omdat wij, dat wil zeggen door de ‘oude mens’ (zondige natuur) in ieder van ons met zijn Gode vijandige gezindheid, “vijanden van God” waren (Rom 5:10; 8:5-10; Kol:21; Jak 4:4). Niemand is na Adams ongehoorzaamheid daarvan uitgezonderd. “Allen zijn onder de zonde” (Rom 3:9-11; Gal 3:22), ook Maria, de draagmoeder van de Here Jezus. Daarom moeten allen eens sterven, ook Maria (Rom 6:23; Hb 9:27).

Gods exclusief Redmiddel: Jezus, Zijn Zoon in menselijk lichaam

Een engel des Heren zei tot Jozef aangaande zijn zwangere vrouw Maria: “Zij zal een zoon baren en u zult Hem de naam Jeschua (d.i. Jahweh redt!) geven. Want Hij is het, die Zijn volk zal redden van hun zonden” (Mt 1:22).

In opdracht van God zei de engel tot de schaapherders: “U is heden de Redder geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad Davids” (Lk 2:10-11). Wie preekt er met Kerst over het feit dat de Redder (Heiland) de HEER is en vanaf onze bekering Heer van ons leven wil zijn? Als Jezus niet van begin af aan de Heer van je hele leven is, kan en wil Hij toch ook niet je Heiland zijn. Wij kunnen Jezus immers niet ‘opsplitsen’ in Heiland en Heer! De apostel Paulus schrijft daarom – ook als maatstaf voor onze verkondiging vandaag! – : “Want wij prediken Christus Jezus als Heer” (d.i. de Gezalfde, Redder, Heer  2Kor 4:5; Rom 10:9!).

De joodse christenen, de apostelen Petrus en Johannes getuigen voor de Joodse Raad in Jeruzalem: “De Redding is in niemand anders, want er is ook geen andere naam (dan Jezus, Beschut, Gods Zoon) aan de mensen gegeven, waardoor wij gered moeten worden” (Md 1:21; Hand 4:12; 5:31; 13:23; Rom 10:13; vgl. Js 43:11; 45:21). Dus er is géén heil of redding in de r.-k. kerk, in de r.-k. Maria of in de Jehova van het Wachttoren Genootschap (Jehova Getuigen) noch in de ‘Isa van de islam, enz.

Eén middelaar in menselijke gestalte tussen God en mensen

“God onze Heiland wil dat alle mensen gered (behouden) worden en tot erkentenis van de waarheid komen: Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen: de mens Christus Jezus die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs (Mk 10:45) voor allen” (1Tim 2: ). “Hij is een zoenoffer voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de hele wereld” (1Joh 2:2).

Maria – menselijk ‘ middelares’ tot Jezus, Gods middelaar?
Een van de wijdverbreide, fatale dwalingen in de r.-k. kerk is dat Jezus eigenlijk niet echt  helemaal mens geworden is. Hij is veel te goddelijk, te heilig en te hoog voor ons mensen om op directe wijze tot Hem te kunnen komen. Daarvoor is Maria, zijn aardse (draag)moeder, als middelares nodig. Zo is het immers ook in onze wereld: je kunt toch niet zomaar meteen bij een directeur binnenlopen; je moet je eerst melden bij zijn secretaresse. Zij zal dan bij de directeur een woordje voor je doen, bemiddelen …

Sinds 1965 mocht ik vele keren in Polen – zeker toen nog een streng r.-k.land – het evangelie doorgeven. Op diverse plaatsen legde ik Jezus’ woorden uit: “Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, dan zal hij gered worden…” (Joh 10:9).
Tot mijn verwondering kwam er geen heftig protest van de kant van de vele r.-k. aanwezigen, die uit nieuwsgierigheid waren komen luisteren. Tot ik een keer in de auto van de predikant naar zijn diverse diaspora gemeenten meereed. Zodoende kon ik in dat heuvelachtige gebied rustig om me heen kijken. En wat zag ik?
We reden langs een enorm Mariabeeld dat buiten vóór een r.-k. kerk stond. Daaronder stond in het Latijn: “Gij zijd de Deur tot Christus”. Een Schriftplaats ontbrak – uiteraard. Toen begreep ik dat er geen protest tegen Johannes 10:9 kwam. Enerzijds staat dit vers ook ik de r.-k. Bijbel. Anderzijds waren de r.-k.ogen en oren helaas dermate dichtgeplakt zowel door de ontkenning van de volledige menswording van Jezus als door de eigenmachtige toevoeging van Maria als een soort secretaresse van of toegangsdeur tot Jezus (Spr 30:6; Mt 23:13). Ook op hen was (en is) de diagnose van toepassing: zij horen met gesloten oren (Mt 13:15; Joh 12:40; Hand 28:26-27).
In principe staat de r.-k. kerk zelf al de zoekende zondaar in de weg om Jezus, de Heiland, te vinden en tot Hem te komen. De r.-k. leer is immers: ‘Geen heil buiten de r.-k.kerk’ (Hand 4:12; Mt 23:13).

Het lichaam van de gevallen mens

Het lichaam van de mens is sinds de zondeval van de eerste Adam (mens) instrument van de inwonende erfzonde (‘de oude mens’, ook ‘het hart’ of ‘het vlees’ genoemd) en van de daaruit voortvloeiende zonden (vgl. Mk 7:20-23; 9:47; Mt 18:9; 2Kor 10:7; Gal 5:11-21; 1Joh 2:16).
God is Schepper, Wetgever en Rechter van de mens (Jak 4:12). De dood is Gods straf op de ongehoorzaamheid van de eerste mens, Adam (Gen 2:16-17; Rom 5:12). Daarom moest de Here Jezus een menselijk lichaam ontvangen om de straf op de zonde (de lichamelijke dood) plaatsvervangend voor ons op zich te kunnen nemen.
Vóór Adams ongehoorzaamheid aan zijn Schepper was er dus nog geen dood. Gods geschreven Woord is de Waarheid – uiteraard niet datgene wat atheïstische, humanistische evolutionistische mensen beweren: “Zie, het woord des HEREN hebben zij verworpen, wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?”, zegt God via Zijn profeet Jeremia (Jr 8:9) – ook tot ons!

Bijbelse zelfkennis
De profeet Jesaja moest in Gods opdracht het volk Israël zijn zonden voor houden en het oordeel over Jeruzalem aankondigen. Hij kreeg ook een visioen van de heiligheid van God met de serafs boven de troon van God. De ene seraf riep de andere toe: “Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen …”. Jesaja’s reactie daarop: “Toen zei ik: Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man onrein van lippen, en ik woon te midden van een volk dat onrein van lippen is” (Js 6:1-7). Pas na deze kennis van Gods heiligheid en van eigen onreinheid en eerst zelf gereinigd kon Jesaja gericht en genade voor zijn volk Israël aankondigen. Alleen zo kon hij met volmacht de vier profetieën over “de Knecht des Heren” (Jezus Christus) doorgeven.

Ook de apostel Paulus werd door Gods Woord en Geest diep overtuigd van zijn eigen zondige natuur, de zonde of ‘oude mens’: “Ik ben vleselijk (i.t.t. geestelijk), verkocht onder de zonde …waar ik een afkeer van heb, dat doe ik…Maar dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde (‘oude mens’) die in mij woont (niet: woonde!).Want ik weet dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees (‘oude mens’) niets goeds woont (niet: woonde!)… dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde (‘oude mens’), die in mij woont (niet: woonde!)…Ik zie een andere wet die mij… tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood?” (Rom 7:7-24).

Onmogelijk wegnemen

Ook in Israël onder het Oude Verbond van God was het “onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken zonden zou wegnemen” (Hb 10:3,11). Dat bloed van dieren kon Israëls zonden voor Gods heilig aangezicht alleen bedekken. Vandaar dat koning David na zijn belijdenis van schuld zei: “Welzalig hij, wiens … zonde bedekt is” (Ps 32:1; ook Ps 85: 3). Dit mogen wij na Golgotha dus niet meer zeggen of laten zingen (1Joh 1:9,7).

Een lichaam hebt U Mij bereid”

Jezus Christus, Gods Zoon is de vervulling van deze profetie: “In brandoffers en zondoffers hebt U geen welbehagen gehad. Toen zei Ik: zie, hier ben Ik – in de boekrol staat van Mij geschreven – om Uw wil, o God, te doen” (Hb 10:5-9; Ps 40:7-9; vgl. Joh 4:34; 5:30). Jezus legde aan zijn discipelen, die graag een hoge positie in Zijn heerlijkheid wilden krijgen, uit: “Ook de Zoon des mensen is niet gekomen om zich (als Heerser) te laten bedienen, maar gekomen om te dienen en zijn  Leven te geven als losprijs voor velen” (Mk 10:45; Mt 20:20-28; vgl. Lk 22:24-27).

Gebroken tempeldienst  in Jeruzalem – gebroken tempel van Jezus’ Lichaam
De Joden riepen de Here Jezus ter verantwoording toen Hij de tempel in Jeruzalem ”het huis van de Vader”, dat als ‘verkoophuis’ functioneerde, reinigde. Zij eisten een ‘teken’. Als bewijs van Zijn volmacht daartoe zei Jezus Christus: “Breekt déze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen … Hij sprak van de tempel van Zijn lichaam” (Joh 2:13-22).

Gebroken brood – gebroken lichaam
“Jezus nam het brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun (de apostelen), zeggende: Dit (breken) is (wijst op) Mijn lichaam dat voor u gegeven wordt; doet dit (d.w.z. het breken van het brood onder dankzegging en dat doorgeven) tot Mijn gedachtenis” (niet: als ’onbloedig offer’!, Lk 22:19; Mt 26:26; Mk 14:22; 1Kor 11: 23-24).

“Is niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het Lichaam van Christus? Omdat het één brood is, zijn wij – hoe velen ook –  één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het éne brood” (1Kor 10:15-16).

 “Zie, het (offer)lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt! (Joh 1:29)

De apostel Petrus verkondigt: “ook Christus heeft voor u geleden … die Zelf (plaatsvervangend) onze zonden in Zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven” (1Pe 2:21,24; ook Hb 9:26-28a). 1Joh 2:2: “Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is een zoenoffer (niet:  verzoening! Gr. hilasmos, Duits: Sühnung als in 1Joh 4:10) voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor de hele wereld”.[2]
Immers, “Wat de wet niet vermochtGod heeft door Zijn eigen Zoon te zenden als mens van vlees en bloed gelijkende op het zondige vlees, de zonde (oude mens) veroordeeld in het lichaam (van de Zoon), opdat de eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar de ‘oude mens’ wandelen, maar naar de Geest”. En zo “heeft de wet van de Geest des levens u in Christus Jezus vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood” (Rom 8:2-4).

“Nu is er dan geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn … Wie zal Gods uitverkorenen beschuldigen (aanklagen)? God is het, die rechtvaardigt. Wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte die ter rechterhand van God is, die ook voor ons pleit” (Rom 8:1, 31-34).

Geheiligd (afgezonderd) door het offer van het Lichaam van Christus
“ Zo moet het ook voor u vaststaan dat u wel dood bent voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus” (Rom 6:11). Een weduwe is vrij van de wet. “Bijgevolg bent ook u dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een Ander, van Hem die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen” (Rom 7:4; Joh 15).
   “Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het Lichaam van Jezus Christus …Want door één offer heeft Hij voor altijd hen voltooid, die geheiligd worden” (Hb 10:10,14).

De apostel Petrus schrijft: “Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus die ons naar Zijn grote barmhartigheid heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop door de (lichamelijke) opstanding van Jezus Christus” (1Pe 1:3).

 De Here Jezus Christus, Gods Zoon

  • in menselijk lichaam in Bethlehem geboren,
  •  in menselijk lichaam als het Lam van God gestorven, metlittekens in handen, voeten en zij,
  • in menselijk, maar verheerlijkt lichaam opgestaan, als het Lam van God met lichamelijke littekens,
  •  in menselijk, maar verheerlijkt lichaam, zichtbaar ten hemel gevaren, als Gods Lammet lichamelijke littekens,
  • het vernederd lichaam van de Zijnen veranderd tot gelijkvormigheid aan Zijn verheerlijkt lichaam (Fil 3:20-21),
  •  in menselijk, maar verheerlijkt lichaam, op aarde, in Israël terugkomend, als Gods Lam met lichamelijke littekens, immers “Op dezelfde wijze (als Lam van God) zal deze Jezus wederkomen” (Hand 1:11)
  • naast God op de troon in menselijk, maar verheerlijkt lichaam als het Lam van Godmet lichamelijke littekens (Op 22:1,3).

In Jezus, de Zoon van God, woont al de volheid van het God-zijn lichamelijk (Kol 2:9;1:19; Joh 1:14;14:9).

“Hem (God) nu die bij machte is u te versterken … overeenkomstig de openbaring van het geheimenis, dat eeuwenlang verborgen, maar thans geopenbaard èn volgens het bevel van de eeuwige God door de profetische schriften onder alle volken bekend gemaakt is, opdat zij tot geloofsgehoorzaamheid zouden komen – Hem, de alleen wijze God, zij door Jezus Christus de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen” (Rom 16:25-27; 1:1-5; 15:18-19).

 

 


[1] wedergeboren, lett. van Boven geboren: Joh 3: 3,5,7; 17:17; Ef 1:13; Jak 1:18; 1Pe 1:23

[2] “Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel, boete (Gr. hilastèrion, Duits: Sühneort; Engels: propitiation, niet:verzoening, Versöhnung, reconsiliation) door het geloof op grond van Zijn bloed om …” , Rom 3:25) vgl. het “zoendeksel” (Hb 9:5, Duits: Sühnedeckel,)