“Esau heb Ik gehaat”

De meditatie op zondagochtend voor de EO radio ging over de – vooral in Nederland bekende – tekst: “Toch heb Ik Jakob liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat”, zegt God (Mal 1:3). Naast andere goede dingen werd er terecht op gewezen dat altijd het verband gelezen en bestudeerd moet worden.Zou het ook niet goed zijn om aan woordstudie te doen aan de hand van de (Griekse) concordantie?
Het Nieuwe Testament geeft veel licht op de verborgen achtergrond van onze gedachten, woorden en daden: onze ‘oude mens’, de zonde. Woordstudie zou kunnen helpen om te voorkomen dat onze voorstelling van de soevereine God van Jezus Christus op dezelfde lijn ligt als die van de ‘soevereine Allah’ van de koran. Deze laatste is willekeurig: hij is de één genadig en verwerpt een ander, heeft de ene lief en haat een ander in zijn ‘soevereiniteit’.

Wat haat onze heilige God?

Er zijn diverse Bijbelteksten die direct of indirect over Gods haat spreken. God is Licht – Hij haat de duisternis. De drie-enige God is Waarheid en dus ook Zijn geschreven Woord – Hij haat de leugen[1]. God heeft gerechtigheid lief, want Hij is rechtvaardig – Hij haat “alle bedrijvers van ongerechtigheid” en “haat goddeloosheid” (Ps 5:6; 45:8; Hb 1:9).
In Spreuken 6:16 worden zeven dingen genoemd die de HERE haat en Hem een “hartgrondige gruwel zijn”: hoogmoedige ogen, een valse tong, onschuldig bloed vergietende handen, een heilloos plannensmedend hart, snelle voeten naar het kwade, een vals getuige met leugens sprekende mond, een twist stoker.
Het is – juist ook in verband met Maleachi 1:2-3 – belangrijk om te zien dat het soms de zonde, de zondige gezindheid is die de heilige God haat en Hem een gruwel is. Soms ook wordt de zondaar (zoals een vals getuige en wie twist stookt tussen broeders) vereenzelvigd met zijn zonden, die God haat. Het boek Spreuken kent diverse teksten die vermelden, wat de heilige God haat en verafschuwt, wat dus God een gruwel is. De Here Jezus zei tot de Farizeeën: ”God kent uw harten … Wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor God” (Lk 16:14-15; vgl. Spr 16:5).

De profeet Zacharia moest namens God zeggen: “Dit moet u doen: spreekt waarheid onder elkaar, oefent eerlijke en heilzame rechtspraak … beraamt in uw hart elkaars onheil niet en hebt geen valse eed lief, want dit alles haat Ik, luidt het Woord des HEREN” (8:16-17).

De huwelijksband in Israël moest een weerspiegeling zijn van de diepe geestelijke verbondenheid tussen God en Zijn volk Israël. Maar Juda had “de dochter van een vreemde god getrouwd” en dat is ‘echtbreuk’ in geestelijke zin. Afgoderij, gepaard met afval van God was steeds weer Israëls grote zonde van ontrouw tegenover zijn Verlosser. De profeet Maleachi moet dan ook namens God tot Israël zeggen: “Want Ik haat echtscheiding, zegt Jahweh, de God van Israël… Daarom, weest op uw hoede voor uw hartstocht en weest niet ontrouw” (2:16-17).

Het is leerzaam om eens al zulke teksten over datgene, wat God haat en wat Hem een”gruwel” is aan  de hand van de concordantie te bestuderen – juist in onze tijd, waarin eenzijdig de nadruk gelegd wordt op de liefde van God. Zodoende wordt de heiligheid van God, voor Wie iedere zonde een gruwel is (!), onderbelicht en daarmee verbonden de onverdiende genade van God minder bezongen.
Ook moge een dergelijke serieuze studie ons ervoor bewaren om ‘gruwelzonden’ te demoniseren en dergelijke zonden aan de werking van demonen toe te schrijven. Wat de Bijbel zonden als uitingen van de inwendige zonde, ’de oude mens of ook ‘het hart’ noemt, noeme de mens niet occult of demonisch.

De gezindheid van Esau tegenover God

De apostel Paulus schrijft: ”Zij, die in het vlees zijn (d.i. onder de heerschappij van de oude mens staan), kunnen God niet behagen”. Immers, “De gezindheid van het vlees (van de oude mens) is vijandschap tegen God” – “zoals blijkt uit uw boze werken” (Rom 8:7,8; Kol 1:21). Esau is een droevig voorbeeld daarvan.
“De mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan” (1Sam 16:7b). Zo zag God ook de gezindheid van Esau: de gezindheid van het vlees: ik-gericht, aards, materialistisch. De vergankelijke ‘soep’ had voor hem meer waarde dan Gods onvergankelijke geestelijke zegen van het eerstgeboorterecht voor hemzelf èn voor “alle geslachten van de aardbodem” (Gen 12:3)!

De zegen van het eerstgeboorterecht

Deze bijzondere zegen hield Gods belofte aan Abraham in dat uit hem en zijn nakomelingen (dus Isaak, Jakob enz.) de Verlosser geboren zou worden. Bovendien beloofde God dat in Abraham en zijn nakomelingen alle geslachten van de aarde gezegend zouden worden. Zo was het eerstgeboorterecht aan de ene kant een bijzonder grote zegen, aan de andere kant een grote opdracht en verantwoordelijkheid tegenover “alle geslachten”. De vleselijke gezindheid van Esau die zowel Gods geestelijke zegen t.a.v. de komende Verlosser alsook zijn grote verantwoorde-lijkheid voor zijn medemensen aan zijn laars lapte ter wille van lichamelijke begeerte, betekende vijandschap tegenover God.

Esau’s vleselijke gezindheid werd verder ook duidelijk in zijn keuze voor vrouwen uit inwoners van het heidense Kanaän en voor een dochter van Ismaël (Gen 26:34-35; 28:6-9) in plaats van voor een vrouw uit de verwantschap van zijn vader Isaak, zoals Jakob deed (Gen 24; 28:1-5). Als gevolg daarvan was niet alleen Esau, maar ook zijn nageslacht een uitgesproken vijand van Israël. Zoals de Amalekieten (Amalek, kleinzoon van Esau, Gen 36:12), de Edomieten, verzamelnaam voor Esau’s nakomelingen, zoals Doeg, verrader van David en moordenaar van 85 priesters van God; Haman, de Amalekiet en Jodenhater; de Herodessen (uit Idumea d.i. de Griekse verbuiging van het woord Edom) tegen de nieuw geboren Koning, Jezus (Mt 2:13b,16-18).
God zei pas aan het einde van de geschiedenis van het Oude Testament: “Esau heb Ik gehaat” – niet al bij voorbaat in de moederschoot, maar enige eeuwen na zijn geboorte! De haat van de heilige God gold bovendien Esau’s vleselijke, aardse gezindheid gepaard met verachting van Zijn geestelijke zegen in het eerstgeboorterecht.

“Dwaalt niet, God laat niet met zich spotten. Want wat de mens zaait, zal hij ook oogsten. Want wie op de akker van zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten” (Gal 5:7-8) – ook nu! Immers, wie Gods geestelijke zegeningen in zijn Zoon Jezus Christus veracht, wacht Gods gericht (Ef 1:3; Hb 2:2-4). Dat geldt zeker ook voor de “velen die wandelen als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun god is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind” (Fil 3:18-19). Temidden van zijn brief vol blijdschap laat de apostel Paulus zijn wenend hart daarover zien.

God heeft destijds Jakob “liefgehad” – niet zijn listige daad. Jakobs doel was wel geestelijk, hij wilde persé Gods zegen ontvangen en zelf met zijn nageslacht tot zegen zijn. Maar de weg naar dat doel was vleselijk. Daarvoor moest God Jakob “tuchtigen” (vgl. Ex 4:22; Hb 12:6-11). Uit genade alleen werd uit de getuchtigde Jakob Gods “eerstgeboren zoon, Israël” (Ex 4:22; Gen 32:22-28). God had Jakob lief – ondanks alles.

 

E. Nannen, maart 2014

 


[1] Het Griekse werkwoord miseoo betekent: haten, verafschuwen (vgl. Amos 5:21-23). Dienovereenkomstig getuigt
ook de gelovige Psalmist: “Ik haat en verafschuw de leugen” (119:163)