En Jezus zag …

 Wij lezen zeven keer in het evangelie naar Johannes dat Jezus Zijn oog op iemand richtte. Hij keek met heilige liefde en met ontferming bewogen. In de bekende gelijkenis ‘zag’ de Samaritaan een beroofde en neergeslagen medemens. Hij zag ‘met zijn hart’. Dat werd zichtbaar door het werk van barmhartigheid aan deze medemens. Ook “De priester zag hem, maar ging aan de overkant voorbij. Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats, en hij zag hem en ging aan de overzijde voorbij” (Lk 13:25 e.v.). Niet ieder ‘zien’ is dus een echt zien, een ‘zien met het hart’. Wat kunnen wij van het ‘zien’ van Jezus leren en van Zijn gezindheid daarachter?

1.  Toen Johannes de Doper Jezus Christus zag gaan, zei hij: “Zie, het Lam van God!” (Johannes 1:36). Vgl. 1:29: “Zie, het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt!” – en dus niet de zonde bedekt, zoals het vergoten bloed van de dieren onder het Oude Verbond onder Mozes alleen kon doen (Rom 11: 27; Heb 9: 15; 10: 4-11). Christenen onder het Nieuwe Verbond bidden dan ook niet Psalm 32:1 of  85:
3. Zij belijden hun persoonlijke schuld aan God en danken Hem voor de volkomen vergeving op grond van het aan het Kruis uitgestorte zoenbloed van Zijn Zoon, dat reinigt van alle zonden (1Joh 1: 6, 9).
Toen Johannes en Andreas, discipelen van Johannes de Doper, hem dat hoorden zeggen, bleven zij niet bij deze prediker staan, maar volgden zij Jezus, op wie hij gewezen had..
En Johannes de Doper liet zijn beide discipelen gaan. Als “vriend van de Bruidegom” verheugde hij zich daar zelfs over (Joh 3: 29-30). Daarmee bewees Johannes de Doper, dat het in zijn dienst niet om hemzelf en zijn eigen discipelenkring ging, maar om Jezus alleen.
Toen Jezus bemerkte, dat de beide vissers Hem om dat woord van Zijn wegbereider volgden, keerde Hij zich om, zag Johannes en Andreas Hem volgen en zei tegen hen … Kom en zie!” (Joh 1:35-40).

De Here ziet ook nu hen, die Hem oprecht willen leren kennen. Het bewijs is dat zij op Zijn uitnodiging ingaan om tot Hem te komen.
Jezus Christus ziet eveneens in onze tijd, wie zoekende is naar echte vergeving van zonden en naar rust van alle eigen werken om rechtvaardig te worden voor God. Hij gebruikt daarvoor ‘wegwijzers’ die in Hem geloven, zichzelf verloochenen en uitsluitend op Hem wijzen, zoals Johannes de Doper deed.
En wij mogen bidden om geopende ogen zodat wij bemerken, wie in onze familie- en kennissenkring en daarbuiten zoekende is naar vergeving en een nieuw leven in Christus.

2.  Na een hele dag bij Jezus gebleven te zijn, zocht en vond Andreas zijn broer Simon. Na zijn persoonlijke ontmoeting met Jezus kon hij niet anders dan één ding doen: zijn broer tot Jezus leiden. Jezus zag Simon aan en zei: “U bent Simon, de zoon van Jona (Aramees voor Johannes), u zult heten Kephas, wat vertaald wordt met Petrus” (Aramees, Joh 1: 41-43).

Ook in onze tijd ziet Jezus Christus hen aan, die ingaan op ons getuigenis over Hem en zich tot Jezus laten leiden. Maar Hij alleen is het die uit deze “uit het vlees geboren” mensen (zoals Simon naar de mens) zulke christenen kan maken die “uit God geboren” worden, uit “de Rots” (Gr. petros: rots, steen), die hen “verwekt heeft” (Dt 32:18; Joh 1:13).

3.  De Here Jezus vond Filippus. En Filippus van zijn kant vond daarna Natanaël. Wie door Jezus gevonden is, gaat op zoek om anderen voor Hem te vinden.
Op grond van een (theologisch) vooroordeel dat uit Nazareth toch wel niet “iets goeds kan voortkomen”, was Natanaël aanvankelijk sceptisch. Filippus liet zich echter niet ontmoedigen. Hij begon ook niet aan een theologische discussie, maar nodigde eenvoudig uit: “Kom en zie”.
Anderzijds hield Natanaël niet aan zijn twijfel vast, maar liet zich daarop tot Jezus leiden. Hij was bereid om te toetsen, wat Filippus hem verteld had.
Jezus zag Natanaël naar Zich toe komen en zei …” (Joh 1:46-52). Hij doorzag en doorziet, wie echte vragen heeft en een echt antwoord daarop zoekt.

Helaas zijn er heel wat mensen (ook christenen) die eigenlijk een antwoord niet willen horen. Zij hebben nog “geen liefde tot de waarheid” (2Tes 2:10) of zij zijn bang voor de consequenties van de waarheid in hun leven en werk (vgl. Pilatus in Joh 18:37-38; 19: 4,6, 12!, 15-16a). Zij zijn mensen, in wie – anders dan in Natanaël (Joh 1: 47; Ps 32: 2b) – nog wel “bedrog” is, misschien zelfbedrog.

Laten wij ons door twijfel leiden en gevangen houden? Of zijn wij bereid om de raad van een medechristen in uitnodigende of waarschuwende zin serieus te nemen?

4.  De Here Jezus ging voor een feest der Joden op naar Jeruzalem. Op weg daarheen passeerde Hij een bad, genaamd Bethesda. Daar lagen vele zieken, blinden en verlamden. Daaronder was een man die al achtendertig jaar ziek was. “Hem zag Jezus liggen … en zei tegen hem: Wilt u gezond worden?” (Johannes 5: 6-9). Was dat geen overbodige vraag?   De Heiland zag echter méér dan de verlamde benen en de eenzaamheid van deze man. Als Goddelijk Persoon zag Hij niet zoals de mens “op datgene, wat voor ogen is, maar de Here ziet het hart aan” (1Sam 16: 7b). Daarom zei Jezus tot de man  persoonlijk nadat Hij hem genezen had: “Zie, u bent gezond geworden; zondig niet meer (vgl. Joh 8:11) opdat u niet iets ergers overkomt” (5:14).

In dit speciale geval was er op de een of andere manier een verband tussen een persoonlijke zonde en de ziekte. Het is echter een zonde van toevoeging, wanneer we (meestal als gezonde mensen!) zeggen dat iedere ziekte gevolg van een persoonlijke zonde is of dat er een persoonlijke ‘zonde moet zijn’, wanneer iemand in een ‘genezingsdienst’ niet genezen wordt (Spr 30:6).

Een veel groter wonder dan lichamelijke genezing is het, wanneer wij onszelf in Gods licht toetsen, eerlijk voor God worden, de eventuele zonde van het koesteren van een ziekte of (ouderdoms-)zwakte erkennen en belijden en ons door Hem innerlijk laten reinigen.
Voor David was het een vanzelfsprekend zaak dat God hem door en door kende. Maar dat was voor hemzelf niet voldoende. Daarom eindigt Psalm 139 met een oprecht gebed: “Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten; zie, of bij mij een heilloze weg is en leid mij op de eeuwige weg” (Ps 139: 23-24). David verlangde oprecht naar Bijbelse zelfkennis. Hij wilde zichzelf leren zien, zoals de heilige God hem ziet!
Alleen (groeiende) Bijbelse zelfkennis kan tot belijdenis van (verborgen) schuld voor God leiden, evenals tot barmhartigheid tegenover andere schuldenaren. Dat is wel iets totaal anders dan wanneer iemand zich in een psychologische, menselijke spiegel gaat ‘zien’, laat staan in die van humanistische ‘zelfervaring’ en ‘zelfacceptatie’.

5.  Jezus zag een blindgeboren man (Johannes 9:1). Jezus zag met een geestelijk open oog echter méér dan de fysieke blindheid. Hij zag dat Hij in dit geval “de werken van God die Hem gezonden had” moest doen. Hij zag dat een werk van God aan deze man openbaar moest worden, al was dat op de sabbat (9: 3-4). Jezus Christus maakte de blinde ziende.
Deze unieke genezing betekende voor de Joodse man echter excommunicatie door de Farizeeën die zich “discipelen van Mozes” noemden (9:28). De Here Jezus hoorde dat. Hij ging meteen op zoek naar de man en vond hem. Jezus stelde hem op de man af de vraag: “Gelooft u in de Zoon van God? En hij antwoordde: “En wie is Hij, Here, dat ik in Hem moge geloven?”.
Daarop openbaarde Jezus Zich aan hem. De genezen man kwam tot geloof “en wierp zich voor Hem neer” als blijk van ontzag voor zijn Redder en Heer en als teken van aanbidding van Hem. Of hij bewust handelde naar de Joodse gewoonheid, zoals in Ps 95: 6 beschreven staat (vgl. Mt 14:33)? In ieder geval stond hij niet te dansen en zwaaide hij niet met vlaggen.

De Here Jezus zag nog iets anders: namelijk dat de genezing van deze blindgeborene een oordeel zou gaan betekenen, “opdat … zij die (Jezus’ Messiaanse tekenen) zien, (geestelijk) blind zouden worden”. Sommige Farizeeën vroegen: “Zijn wij dan ook blind?” (vgl. Op 3:17) Jezus antwoordde daarop: “Indien u  blind zou zijn, zou u geen zonde hebben; maar nu u zegt: Wij zien (9: 28, 34), daarom blijft uw zonde” (9: 39-40).

Het ontgaat de Here Jezus niet, wanneer wij ter wille van Hem of de Schrift door mede-mensen geestelijk of letterlijk uit de gemeenschap of een geestelijk werk buitengesloten worden. Hij ziet vooral onze innerlijke reactie daarop. Geloven wij in de concrete situatie dat alle dingen meewerken ten goede voor degenen die God liefhebben (Rom 8:28-29)? Kunnen wij dan voor Hem en door Hem stil worden, zonder bitterheid en wraakgevoelens? En in Zijn kracht alles aan Hem overgeven en overlaten, zoals de Here Jezus deed (1Pe 2:19-24)?

 6.  Jezus zag Maria huilen (Joh 11:33), diep bedroefd dat Jezus ‘te laat’ gekomen en haar broer Lazarus nu overleden was, al vier dagen geleden. Hij zag ook de Joden huilen die met haar meegekomen waren. Wij lezen dat Jezus “verbolgen werd in de geest (over de heerschappij van de dood door de zonde?) en diep ontroerd”(vgl. 12: 27;13: 21; Mk 3:5).
Marta probeerde Jezus te corrigeren toen Hij beval de grafsteen weg te nemen. Maar Jezus reageerde verwijtend: “Heb Ik u niet gezegd dat u, als u gelooft, de heerlijkheid van God zult zien?” Na een dankgebed tot de Hemelse Vader, en met Zijn gezag over de dood riep Jezus de dode Lazarus naar buiten te komen, dus op te staan uit de doden! En Lazarus hoorde Jezus’ bevel en kwam uit het graf naar buiten!

De Heiland ziet ook onze tranen bij en na het overlijden van een geliefd persoon. Huilen mag. Maar wij mogen zulk een verdriet niet koesteren, “niet bedroefd zijn zoals andere mensen die geen hoop op de opstanding ten leven” bij en met de Here hebben (1Tes 4:13-18; 1Joh 3: 2-3). ”Onze Here Jezus Zelf en onze God en Vader (“de God van alle vertroosting”!) die ons heeft liefgehad en ons in genade een eeuwige troost en goede hoop verleend heeft, Hij moge uw harten troosten en ze in elk goed werk en woord sterken” (2Tes 2:16-17; 2Kor 1: 4).

Maar aanknopend bij Jezus’ vraag aan de verlamde in Bethesda: “Wilt u getroost worden?

7.  Toen Jezus aan het vreselijke kruis hing, bad Hij allereerst tot de Vader voor Zijn vijanden, daarna beloofde Hij het paradijs aan de berouwvolle zondaar naast Hem aan een kruis. Er stonden ook verschillende vrouwen bij het kruis. “Toen nu Jezus Zijn moeder zag én de discipel die Hij liefhad, bij haar zag staan, zei Hij tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zei Hij tegen de discipel: Zie, uw moeder. En vanaf dat uur nam de discipel (Johannes) haar bij zich in huis (Joh 19:25-27)”.

De apostel Paulus schreef zijn geestelijke kinderen in Galatië: “Mijn kinderen, terwille van wie ik opnieuw in barensnood ben, totdat Christus gestalte in u verkregen heeft” (Gal 4: 19). Daartoe behoort ook dat wij een open oog voor de ander in verdriet en nood hebben, ondanks dat wijzelf door een noodsituatie heengaan.
Petrus, die gezegd had bereid te zijn om met Jezus te sterven, stond in de hof, terwijl Jezus
in het huis van de hogepriester door de overpriesters en de hele Raad ondervraagd werd. Het personeel had een vuur in de hof aangelegd en zat bij elkaar. Petrus ging tussen hen in zitten. Bij het licht van het vuur zag een van de slavinnen Petrus daar zitten en zei, hem scherp aanziende: “Ook die was bij Hem!” Maar Petrus loochende dat – tot driemaal toe. Onmiddellijk kraaide de haan. En de Here keerde zich om en keek Zijn discipel Petrus aan.
Toen pas herinnerde hij zich het woord dat Jezus tegen hem gesproken had: “Eer de haan heden kraait, zult u driemaal loochenen dat u Mij kent (Lk 22:34)”. “En Petrus ging naar buiten en huilde bitter” (Mt 26: 75; Lk 22: 54-61).

Dit is de tweede keer dat wij lezen dat Jezus Petrus aankeek (Lk 22: 61; Joh 1: 42). Omdat Hij Petrus’ verloochening voorzien en voorzegd had, was Jezus daardoor niet overrompeld of teleurgesteld. Zijn blik was zeker niet verwijtend, zo van: Dat heb Ik jou toch al gezegd?
Of deze blik van de gevangen Jezus Petrus hielp om er zich óók aan te herinneren dat Hij gezegd had: “maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken” (Lk 22:32)?

Petrus wist sindsdien uit ervaring wat het betekent om “gezift te worden als de tarwe”. Hij had echter ook de kracht van Jezus’ voorbede mogen ervaren. Hij kon nu medegelovigen in de verstrooiing bemoedigen. De echtheid van het geloof moet worden beproefd. Het doel is dat het beproefde geloof tot lof en heerlijkheid en eer bij de openbaring van Jezus Christus moge blijkt te zijn (1Pe 1: 6-9). Het geloof – niet de ervaring – is kostbaarder dan vergankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt. Zo moeten kinderen van God door allerlei beproevingen beproefd worden opdat zij “beproefd” blijken te zijn, zoals een Apelles, die “in Christus beproefd” was gebleken (Rom 16:10). De gelovigen in Macedonië waren “geproefd gebleken in veel verdrukking” (2Kor 8:1-6).

Buigen wij ons onder Gods wegen van beproevingen van ons geloof opdat Jezus Christus meer en meer gestalte in ons krijgt en zo verheerlijkt wordt? Of proberen wij alle beproevingen ‘weg te bidden’ of zelfs als ‘demonen’ te behandelen en proberen wij ze ‘uit te drijven’? Ook dat is rebellie tegen God, de Vader in de hemel, die het recht heeft om Zijn kinderen op te voeden (te tuchtigen, Heb 12: 5-11).
En hoe gaan wij om met medegelovigen die onder de zware druk van beproevingen dreigen te bezwijken? Barmhartig, ziende op onszelf? Bemoedigend en vermanend (Gal 6:1)? Wijzende op Jezus Christus, die leeft om voor ons en voor hen te bidden (Heb 9:24; 7: 25)?
Jezus Christus ziet onze reactie ook daarin.

“Wie zegt in Hem te blijven,
moet ook zelf wandelen
zoals Hij gewandeld heeft”  (1Joh 2:6)

 

Els Nannen, maart 2013