“En deze antwoordde: Hier ben ik, Here”

Enkele keren lezen wij in de Bijbel hoe God op een unieke wijze tot een bepaalde daad of tot een bepaalde taak roept. Zoals steeds kunnen wij van de beschrijving van zulke historische gebeurtenissen veel leren. Dat geldt niet van de wijze, waarop Gods roepstem klonk: niet hoorbaar voor het oor en niet zichtbaar voor het oog. De beschrijving van volgende eenmalige, historische gebeurtenissen betekenen geen aansporing om hetzelfde (Gods hoorbare stem) voor ons nu te verwachten. God roept nog steeds, maar op een andere wijze sinds de komst van de Zoon en de Heilige Geest op aarde en sinds de canon van de Heilige Schrift.

1. God zei “na deze dingen” (Gen 15:1-6; H.17; 21-1-7) : “Abraham, en deze zei: Hier ben ik en Hij zei: Neem uw zoon, uw enige, die u lief hebt, Isaak, en ga naar het land Moria en offer hem daar tot een brandoffer op een der bergen die Ik u noemen zal”.
Abrahams reactie: “Toen stond Abraham ’s morgens vroeg op … en begaf zich op weg” (Gen 22:1-3). Leerzaam is, dat Abraham direct met “Hier ben ik” reageerde. Hij vroeg niet eerst wat God van hem wilde om daarna bij zichzelf of met zijn vrouw te overleggen of zij aan Gods bevel wel zouden kunnen of willen gehoorzamen. God Zelf had toch een verbond met hem èn zijn nageslacht via Isaak gesloten (17:10). Hoe kon Abraham dan nu zijn Isaak offeren? Spreekt God zich dan tegen? Vraagt God dan werkelijk alles van mij – ook het liefste bezit? En als hij letterlijk zou gehoorzamen, wat dan daarna?
Maar Abraham gehoorzaamde Gods Woord meteen ondanks dat hij Gods weg niet begreep. Een voorbeeld van eerbied voor God en zijn Woord èn van geloof in Gods trouw. Laten ook wij in geloof zeggen: “Hier ben ik, Here” – wat U ook van mij gaat vragen. U bent het waard. U hebt uit genade alles gegeven, uw geliefde, zondeloze Zoon om onze verdiende straf op onze zonde op zich te nemen.

2.God zei tot Israël in nachtgezichten: Jakob, Jakob. En deze zei: Hier ben ik. Toen zei Hij: Ik ben God, de God van uw vader (Isaak), vrees niet om naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ikzelf zal met u naar Egypte trekken èn Ik zal u ook zeker weer terugvoeren …”.
Jakobs reactie: “Toen ging Jakob uit Berseba op weg” – dus uit het beloofde land naar Egypte, zij het ‘tijdelijk’ (400 jaar; Gen 15:13-16; 46:1-7; Hand 7:6-7). De geloofsgehoorzame Abraham had dus een geloofsgehoorzame kleinzoon. Goed voorbeeld doet goed volgen. Wat een verantwoordelijkheid van gehoorzaamheid in geloof hebben (groot)ouders voor hun (klein)kinderen, nog altijd.

3. “God riep hem uit de braamstruik toe: Mozes, Mozes! En deze antwoordde: Hier ben ik” (Ex 3:4). God gaf hem de uiterst moeilijke, maar met Hem niet onmogelijke taak om het grote volk Israël weer uit Egypte, dat intussen zijn slavenhuis geworden was, naar het beloofde land terug te leiden
Mozes’ reactie was echter vol mitsen en maren. Nadat God beloofd had: “Nu dan ga heen. Ik zal met uw mond zijn en u leren, wat u spreken moet”, reageerde Mozes: “Och Here, zend toch iemand anders”. Zelfs Gods geduld begon een beetje op te raken: “Toen ontbrandde de toorn des HEREN tegen Mozes”. Toch gaf God hem naast een ‘oor’ voor Zijn bevelen ook een extra ‘mond’ om deze bevelen aan het volk door te geven, namelijk zijn broer en Leviet Aäron (Ex 4:12-17).
“Hier ben ik – maar zend toch liever iemand anders”, gaat dat wel samen? Is het niet òf – of?

Uit genade komt God met geroepen, maar tegenstribbelende dienstknechten als Mozes tot zijn doel. Zo ook met de apostel Petrus, geroepen voor de evangelieverkondiging aan de eerstelingen uit de heidenen. Maar Petrus reageerde: “Geenszins, Here, want ik …” (Hand 10:14-16).
“Heer” van mijn hele leven en “geenszins” tegen deze zelfde  Heer – is dat een logische combinatie?
Intussen moesten het volk Israël destijds (Ex 4) en het huis van Kornelius wel eventjes wachten tot de dienstknechten van de Heer bereid en gehoorzaam werden. Komt dat onder christenen ook nu nog voor?

4. “Toen riep de HERE Samuël en deze zei: Hier ben ik. Toen snelde hij naar Eli en zei: Hier ben ik, u hebt mij immers geroepen” (1Sam 3:4-10). Samuels eerste reactie was voorbeeldig:  bereidheid tot directe gehoorzaamheid aan de roepstem. Maar hij kon nog niet tussen de roepstem van God en die van de priester Eli onderscheiden. Onze God is echter een geduldige en goede pedagoog. Hij herhaalde zijn roeping tot driemaal toe.
De oudere Eli deed hem onderkennen dat het Gods stem, en niet de zijne was en reageerde dus niet zo, als was het Gods stem via hem! Dit is belangrijk voor onze tijd, waarin het wemelt van valse profeten. In tegenstelling tot Eli beweren zij dat het Gods (of Jezus’) stem is die door hen spreekt (vgl. Jr 5:30-31; 14:14; 23:25-32).Wie waagt het dan om aan ‘de stem van God’ te twijfelen en de boodschap te negeren?
Ook de tweede reactie van de jonge Samuël was voorbeeldig sinds hij wist, van Wie de roepstem kwam en hoe hij zich daarop moest instellen. “Toen kwam de HERE… en riep als de vorige keren: Samuël, Samuël! En Samuël zei: Spreek, want uw knecht hoort. Toen zei de HERE tot Samuël … ” (3:10-11).
Wat een voorbeeld van eerlijke luisterbereidheid naar datgene, wat God zegt – niet naar dat, wat je graag zou willen dat zijn Woord zegt en dat dan vanuit een bepaald vooroordeel interpreteert.

Samuël zegt tegen God ook niet: Luister God, want uw dienstknecht spreekt … Is dat niet vaak bij ons het geval? We hebben God een heleboel te zeggen (ons ‘verlanglijstje’) en hebben daarna vaak geen tijd of geen energie meer om naar zijn Woord, de Bijbel, te luisteren. God – onze klusjesman?
In den beginne God en Gods Woord. Dat geldt ook voor onze stille tijd, voor onze bidstonden, voor onze samenkomsten. Pas daarna wordt ons gebed in lofprijzing, dankzegging, schuldbelijdenis, gebed en voorbede onze geestelijke reactie op datgene, wat het Woord Gods ons gezegd heeft.

Het is een dwaalleer van de listige slang, als zou een hoorbare stem (‘net als bij Samuël’) of een zichtbaar beeld, een visioen (‘net als bij Ananias’) Gods ‘actuele, concrete, directe spreken’ zijn – de Bijbel echter alleen Gods ‘indirecte’ spreken. Wee de misleiders, die beweren dat ’God ook nu nog, net als bij Samuël’ tot ons spreken kan en spreken wil en dat je daarom bidden kunt. Wee de misleiders, die beweren dat God ‘niet gebonden is aan de Schrift, maar dat Hij te allen tijde buiten het Woord om spreken kan’.

5. Er was “in Damascus een discipel, genaamd Ananias” (“Jahweh is genadig”), “een vroom man naar de wet” en “met een goed getuigenis van alle Joden” aldaar, zo zegt Paulus als gevangene in zijn toespraak tot de Joden en vult daarmee het bericht van Lukas aan (Hand 9:10-19a; 22:6-16). “En de Here zei tot hem in een visioen: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Here. En de Here zei tot hem: Sta op en ga …”.
Hij kreeg een opdracht voor één bepaalde persoon, namelijk voor Saulus van Tarsus. Deze was, op weg naar Damascus, tengevolge van de onverwachte ontmoeting met de Here Jezus blind geworden. Uitgerekend deze Farizeeër, die de christenen “ten dode toe vervolgde”, moest hij de handen opleggen en zich zodoende één maken met de bede om genezing van diens blindheid. Maar zou Saulus dan niet ongehinderd met “dreiging en moord blazen tegen de discipelen” kunnen voortgaan?
“Zie, hier ben ik, Here” – “Maar Ananias antwoordde: Here, ik heb gehoord hoeveel kwaad hij uw heiligen in Jeruzalem aangedaan heeft …”. Zijn moeite om deze opdracht uit te voeren kwam voort uit kennis van Saulus uit het jongste verleden. De Here Jezus kende echter ook het heden van Saulus: “Zie hij bidt”. Maar bidden op zich is nog geen voldoende bewijs van Bijbelse bekering. Waren de Farizeeën niet juist bekend om hun bidden, zelfs om hun lange gebeden (Mt 23:14)? En bidden tot God buiten de naam Jezus om, die Saulus tot voor kort zo heftig vervolgd had, is toch niet mogelijk (Joh 14:6)? Zulke vragen zijn voor ons, die alleen de buitenkant zien, terecht. Maar de Here Jezus weet “wat in de mens is” (Joh 2:25).
Daarna gaf de Here Jezus Ananias meer licht op Saulus’ toekomst: “Ga, want deze is Mij een uitverkoren werktuig om mijn Naam (als last, als kruis) te dragen voor heidenen, koningen en kinderen Israëls” (9:15). Daarop had Ananias geen vragen mee. Hij gehoorzaamde onmiddellijk, in geloof dat de Here Jezus in Saulus gehandeld had en zal handelen.

“Zie, hier ben ik” – Ananias bemoedigende wijsheid (Hand 9:10-19a; 22:6-16)

* Hij begroet de hem persoonlijk nog onbekende Saulus met “Saul, broeder” (Hand 9:17; Fil 4:5);
* Hij maakt meteen duidelijk dat hij niet op eigen houtje gekomen is: “De Here heeft mij gezonden, Jezus, die u verschenen is”- ik heb een persoonlijke taak en boodschap van Jezus Zelf voor u (1Pe 4:11a);
* Zijn opdracht is eerst fysieke genezing als gevolmachtigde gezant van Jezus (Js 57:15; 66:2b);
* Hij mag Gods doel van Sauls unieke ontmoeting met zijn Zoon, Jezus bekendmaken: Gods (heils)wil te leren kennen, de Rechtvaardige (d.i. Jezus) te zien en een stem uit zijn mond te horen (dus direct, niet in een visioen), opdat hij straks als apostel in juridische zin oog- en oorgetuige zal zijn “bij alle mensen, van hetgeen u gezien en gehoord hebt”.
* Ananias hield zich strikt aan de opdracht en vermeldt dus niets over Paulus’ komende lijdensweg – dat was de taak van de Here Jezus (“Ik zal hem tonen, hoeveel hij moet lijden om mijn (Jezus) naam” (9:16).
* Nu moet er nog wel over zonden gesproken worden: “Wat aarzelt u nog?” Pas op voor uitstellen, wachten tot ‘later’. Ananias zag dat de tijd rijp was voor het belijden van zonden “onder aanroeping van zijn naam”: de naam Jezus, Redder van zonden (Mt 1:21; Hand 22:16; vgl. 2:28; Rom 10:13).
* Bij de ontvangst van de Heilige Geest doopte de Here Jezus Saulus ook tot zijn Lichaam, zijn Gemeente, die hij eens zo heftig bedreigd en vervolgd had (1Kor 12:13; Hand 9:17,19b; Gal 1:13).

Moge, uit dankbaarheid voor Golgotha, ons dagelijks motto zijn en blijven: “Zie, hier ben ik, Here!”    

Els Nannen, januari 2014