Discipelen van Jezuszonder Heilige Geest? (Hand 19:1-7)

In Korinte “begoot” Apollos wat de apostel Paulus door het zaad van Gods Woord geplant had – in Efeze “begoot” Paulus wat Apollos met zijn grondige Schriftkennis van de profetieën over Jezus Messias had gezaaid (1Kor 3:4-9).
Zoals in ons lichaam niet alle leden dezelfde taak en bekwaamheid voor die taak hebben – zo is het ook in de Gemeente van Jezus Christus, die zijn (geestelijk) Lichaam is. Niemand bezit alle kennis en alle gaven. Alle leden hebben elkaar nodig en moeten elkaar aanvullen. De Jood Apollos had het tentenmakers echtpaar Aquila en Priscilla nodig om tot kennis van de vervulling van de Messiaanse profetieën in Jezus Messias te komen. De 12 Joodse discipelen van Johannes de Doper hadden de apostel Paulus nodig om diens boodschap te verstaan dat zij moesten geloven in “Hem die na mij komt” – en “dat is Jezus” (Hand 19:4).

Wegwijzer of “de Weg”?
Johannes de Doper was weliswaar een belangrijke wegwijzer naar Jezus Messias geweest. Maar alleen Jezus Zelf is de Weg tot de heilige God. “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij”, zei Hij immers (Joh 14:6). De weg tot God is niet een evangelist of prediker, niet een kerk, een doop, een ‘goed werk’ of een overleden mens (bv. Maria of een ‘heilige’), het zijn ook niet ‘oudvaders’, Reformatoren of  Bijbelse opwekkingspredikers uit het verleden. Wie bij een wegwijzer blijft staan, bereikt nooit zijn doel: Jezus Christus Zelf.

Unieke situatie – unieke vraag
Paulus vroeg de 12 Joodse discipelen van Johannes de Doper: “Hebt u de Heilige Geest ontvangen toen u tot geloof kwam?” (19:2). Zij hadden Johannes’ boodschap van bekering en belijdenis van zonden geloofd, net als “de tollenaars en de hoeren” (Mt 21:31-32). Als teken daarvan hadden zij zich door hem laten dopen (19:3). Maar:

“Hoe geloven in Hem (Jezus), van wie zij niet gehoord hebben?”(Rom10:14b)
Blijkbaar waren deze twaalf niet op de Pinksterdag in Jeruzalem aanwezig geweest. Zo hadden zij – zoals ook Apollos – niet de christocentrische verkondiging van de apostel Petrus gehoord (Hand 2:22-40). Zij waren onwetend gebleven ten aanzien van het feit,
*  dat de beloofde Messias in “Jezus de Nazoreeër” al gekomen, gekruisigd, door God opgewekt
een verheerlijkt was,
*  dat Jezus Messias de belofte van God de Vader aangaande de Heilige Geest al ontvangen en
deze uitgestort had. Daarmee was de profetie van Johannes de Doper al vervuld: “Hij, die na
mij komt, zal u dopen in de Heilige Geest” (Mt 3:11;Lk 3:3,16; Hand 2:33; 1Kor 12:13),
*  dat men in de naam van Jezus Messias gedoopt moest worden (Hand 2:38).

“Het geloof  – uit het horen van het Woord van Christus(Rom 10:17)
Paulus verkondigde daarop niet de Heilige Geest of de doop, maar de Here Jezus. Immers, “De redding (het heil) is in niemand anders, want er is ook … géén andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij gered moeten worden” (Hand 4:12). Zonder een persoonlijke levende relatie met de Here Jezus, de Redder, is inwoning van de Heilige Geest niet mogelijk. Omgekeerd is zonder de inwonende Geest van Christus niemand Jezus’ eigendom (Rom 8:9).

Aanknopingspunt
Paulus zag niet hoogmoedig op deze 12 Joodse gelovigen neer omdat  deze nog zo onwetend waren en hij zoveel ‘meer’ wist en had. Hij was er zich ten volle van bewust: “Door de genade Gods ben ik, wat ik ben” (1Kor 15:10). Zo knoopte Paulus met veel tact en wijsheid aan bij de verkondiging van hun ‘wegwijzer’ Johannes de Doper, die gezegd had ”dat zij moesten geloven in Hem die na hem kwam”. En “dat is Jezus”, die Paulus verkondigde (19:4).
Toen die twaalf  “dit hoorden, lieten zij zich dopen in de naam van de Here Jezus” (19:5). Terwijl (niet: omdat!) Paulus hun de handen oplegde, kwam de heilige Geest over hen. Vergelijk de volgorde bij de Joden op de Pinksterdag: bekering, doop in de naam van Jezus Messias, ontvangst van de Heilige Geest (Hand 2:38). De volgorde bij de niet-Joden daarentegen was: geloof in de Here Jezus, ontvangst van de Heilige Geest op het geloof in Hem (zonder handoplegging van een apostel) en doop (Hand 10:42-48; 11:13-17).

Bijbelse situatie – geen vraag naar de Geest
Juist in de brief aan de gelovigen in de gemeente in Efeze schreef de apostel Paulus (Ef 1:13-14):
* u hebt het Woord der waarheid, het evangelie van uw redding gehoord,
* uw antwoord daarop was geloof,
* u bent toen verzegeld met de Heilige Geest der belofte, door God Zelf (2Kor 1:21),
* de Heilige Geest die u toen gegeven is, is het onderpand van uw erfenis. Dat is de verandering van het vergankelijke, vernederde lichaam in het verheerlijkte lichaam van de door God opgewekte Here Jezus, “de eersteling van hen die ontslapen zijn” (1Kor 15:20,23; Fil 3:20-21; 1Joh 3:2-3).
* Dat alles “tot lof van Zijn heerlijkheid” (Ef 1:14b).

De apostel Petrus getuigde duidelijk dat de eerste groep heidenen de Heilige Geest ontvangen hadden “op het geloof in de Here Jezus Christus” en wel “op gelijke wijze als aan ons” (d.i. de Messias gelovige Joden, Hand 11:17; 15:7-9).
De apostel Johannes schrijft: “Hieraan onderkennen wij dat Hij (de Here Jezus) in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft” (1Joh 3:24). En hij herhaalt: “Hieraan onderkennen wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van zijn Geest gegeven heeft” (1Joh 4:13). Had niet de Here Jezus Zelf gezegd: “Te dien dage (op de Pinksterdag) zult u weten dat Ik in mijn Vader ben en u in Mij en Ik in u”, namelijk in de Heilige Geest  (Joh 14:20,28a)?
De apostel Paulus heeft noch aan de gelovigen in Efeze noch aan gelovigen in een andere gemeente ooit de vraag gesteld: Hebt u de Heilige Geest ontvangen toen u tot geloof in de Here Jezus Christus kwam? Integendeel. Verwijtend vroeg hij de gelovigen in Galatië: “Hebt u de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof?”(Gal 3:1-3; 3:14). Toch zijn er nog altijd gelovige christenen die menen allerlei ‘werken’ te moeten doen om (meer van) de Heilige Geest te ontvangen, zoals vurig bidden, vasten, handoplegging zoeken. Maar de Bijbelse waarheid blijft: “Omdat u zonen bent, heeft God de Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden, die roept: Abba,Vader” (Gal 4:6).
Aan de gelovigen in Rome schreef hij: “U hebt de Geest van het zoonschap ontvangen, door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn” (Rom 8:15).
Paulus schreef de gelovigen in Korinte: “Of weet u niet dat uw lichaam een tempel van de Heilige Geest is, die in uw woont, die u van God ontvangen hebt”(1Kor 6:19)? Duidelijker kan het niet dan: “is” en “woont” en “hebt”! Maar let op: Paulus vraagt niet: ‘voelt’ u niet, ‘ervaart’ u niet? Ook niet: ‘begrijpt’ u niet? De inwoning van de Heilige Geest is geen kwestie van verstaan of van een fysiek of emotioneel gevoel. Het is een zaak van weten door de Geest op grond van de Schrift: Er staat geschreven! Daarom.

Wij moeten als Apollos “doorkneed in de Schriften” worden en zijn. Alleen dan kunnen wij “nauwkeurig leren” wat de Schrift over het ontvangen en de inwoning van de Heilige Geest zegt, evenals over Christus, het Hoofd van zijn (geestelijk) Lichaam die ieder op het moment van de geboorte uit God in de Heilige Geest tot zijn Lichaam gedoopt heeft (1Kor 12:13).
Wie aan de Schrift toevoegt door aan een kind van God te vragen: Heb je de Heilige Geest of ‘de Geestesdoop’ ontvangen? staat onder het oordeel van de Schrift: hij of zij wordt “als een leugenaar bevonden” (Spr 30:6). Het gevaar is bovendien dat bij handoplegging, kringgebed of omarming voor de Heilige Geest dan “een andere geest” overgedragen wordt (2Kor 11:2-4).

 

Els Nannen, juli 2014