Werkingen van de Heilige Geest in Petrus

 “U zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt en u zult Mijn getuigen zijn”, zei de Here Jezus tot de apostelen vlak voor zijn Hemelvaart (Hand 1:8). Er zijn christenen die het woord “kracht” meteen verbinden met het doen van genezingen en het uitdrijven van demonen door gelovigen. Dat zei de Heer hier echter niet bij. Wij lezen wel dat de apostelen heengegaan waren en overal gepredikt hadden, terwijl het de verhoogde Heer zelf was die het woord dat de apostelen gebracht hadden, bevestigd had door de tekenen die op hun Woordverkondiging volgden (Mk 16:17-18,20).[1]     
Voor wij de werking van de Heilige Geest in Petrus op de Pinksterdag en daarna bestuderen, moeten wij nagaan, wat de ontmoeting met de levende Heer en Heiland als ook met diens kruisweg als voorbereiding op de prediking op de Pinksterdag geweest was.

Petrus’ innerlijke voorbereiding

Jezus’ wonder van de meer dan overvloedige visvangst, nota bene op klaar lichte dag, had Petrus tot een begin van Bijbelse zelfkennis gebracht. Het wonder had hem niet ‘high’ gemaakt, hij stond niet te dansen, niet met de handen omhoog te zwaaien en almaar halleluja te roepen.
Integendeel, deze genade had hem klein gemaakt, op de knieën gebracht voor de Here Jezus die door dit teken zijn heilige heerlijkheid geopenbaard had. Zo was Petrus’ reactie op dit onverdiende wonder: “Ga uit van mij, want ik (!) ben een zondig mens, Here” (Lk 5:8). Immers “Gods goedheid (wil) tot boetvaardigheid”[2] leiden (Rom 2:4). Dit genadewonder en Jezus’ roeping werden het eerste keerpunt in het leven van Petrus, innerlijk en uiterlijk. De visser kwam in de leerschool van Jezus Messias, de Zoon van God.

Maar het volgen van Jezus die boeiend preken kon en vele spannende wonderen deed, waardoor vele mensen aangetrokken werden, is één ding – de lijdende Jezus in je eentje volgen die bespot, gevangen genomen en verhoord werd, is wel even iets anders. Petrus werd op de weg naar het kruis hard met zijn oude mens met zijn lijdensschuwheid, zijn zelfbewustzijn, zelfvertrouwen, zelfoverschatting en met zijn arrogantie ten opzichte van zijn mede discipelen geconfronteerd.
Het kruis van Christus werd het noodzakelijke, tweede keerpunt in Petrus’ leven. Hij kon zeker met Paulus enerzijds spreken: “Ik weet dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees (oude mens) niets goeds woont”, maar anderzijds nu ook: “Niet meer ik, maar Christus”! (Rom 7:18; Gal 2:20). Het kruis is de streep door het oude ‘ik’.[3]

Laten wij nu eens nagaan, waartoe de apostel Petrus in eerste instantie kracht van de Heilige Geest gekregen had.

 1. Kracht om te “vergeten wat achter mij ligt …”.

Deze woorden van de apostel Paulus ten aanzien van zijn zondig verleden tegenover Christus en zijn Gemeente zouden ook van toepassing kunnen zijn op Petrus. Nog geen acht weken geleden had hij in Jeruzalem uit angst voor zijn leven ten aanzien van Jezus Christus gezegd: “Ik ken Hem niet” – zelfs onder ede. Nu, na op de weg naar het kruis gelouterd te zijn, stond hij samen met de andere apostelen op de Pinksterdag op, nam zelf het woord en sprak vrijmoedig de vele Joden toe … in datzelfde Jeruzalem!
Waar haalde uitgerekend hij die moed vandaan? Hoe kon hij zijn recent verleden vergeten? Er was maar één reden: de Here Jezus had al zijn schuld – inclusief die van zijn verloochening – plaatsvervangend in Zijn zoendood aan het kruis betaald. Na berouw en schuldbelijdenis mocht en kon Petrus zijn zondig verleden vergeten – ook zijn verloochening van de Heer waarmee hij Hem erge pijn gedaan moet hebben. Het werd de tegenstander (de satan) wel geoorloofd om Petrus “te zeven als de tarwe”. Maar door Gods genade en door de voorbede en de nieuwe dienstopdracht door de Gekruisigde en Opgestane is Petrus na zijn val niet blijven liggen (Ps 37:23-24; 145:14; Spr 24:16)!

Ook voor ieder van ons staat deze unieke weg open met een uniek resultaat (1Joh 1:9,7). De Heilige Geest overtuigt immers niet alleen van zonde, maar wijst ook op Jezus Christus en Diens volbrachte zoenoffer voor de zonde. Geen mystieke boetedoening, geen ‘goede werken’, geen goede voornemens en geen tranen kunnen daar iets aan toevoegen of daarvoor in de plaats komen.
“Loof de HERE, mijn ziel, en vergeet niet een van zijn weldaden; die al uw ongerechtig-heden vergeeft …die u kroont met genade en barmhartigheid” (Ps 103:2,3a,4)!

 2. Kracht om de (geestelijke) sleutels … te gebruiken

Op een gegeven moment vroeg de Here Jezus aan zijn discipelen: “Wie zegt u dat Ik ben?” Daarop antwoordde Petrus: “U bent de Messias, de Zoon van de levende God”. Dat had God hem geopenbaard. Daarop zei de Heer dat Hij op de waarheid van de inhoud van dat antwoord (d.i. op Zichzelf als onwankelbare, onoverwinnelijke Rots) zijn Gemeente zou bouwen (Mt 16:15-18; vergelijk ook 1Pe 2:6-7). Het gaat dus niet om de mens Petrus alsof hijzelf als persoon die rots zou zijn. De Gemeente is dus niet van Petrus, maar eigendom en werk van Christus. Petrus is ook niet bouwheer – dat is Jezus Christus alleen. Maar wie is de ‘bouwvakker’ van de eerste steen op die rots in opdracht van de goddelijke Bouwheer? De Heer zei tot Petrus verder: “Ik zal u de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen” (16:19a). Waarom sleutels, meervoud?

In één en hetzelfde huis van één en dezelfde eigenaar zijn verscheidene ruimtes. Zo ook in het ‘huis van Christus’: “Christus als Zoon is getrouw in Zijn eigen huis. Zijn huis zijn wij” (Hb 3:6). Petrus nu was door de ‘Huiseigenaar’ aangewezen om ‘Zijn huis’  met de eerstelingen uit de bevolkingsgroepen: 1. Joden, 2. Samaritanen en zelfs 3. heidenen in deze volgorde te ‘vullen’ (Hand 1:8).

Hoewel alle twaalf apostelen op de Pinksterdag opstonden, was het Petrus die “zijn stem verhief”, de toegestroomde Joden toesprak en de “sleutel” van Christogerichte verkondiging ‘hanteerde’. Het “huis van de Zoon” werd daarop gevuld met 3000 eerstelingen uit de Joden die Gods Woord aannamen (Hand 2:42).

Hoewel Paulus al bekeerd en tot apostel der heidenen bestemd was, was het Petrus die ongeveer tien jaar later bij de eerstelingen uit de heidenen de “sleutel” van Christo- centrische verkondiging moest gebruiken. Daarop werd het “huis van de Zoon” gevuld met de Romeinse hoofdman en de zijnen van heidense afkomst (Hand 10:34-11:18).

Bij de eerstelingen der Samaritanen als tweede doelgroep was geen apostel betrokken, niet eens de apostel Petrus. Door de eeuwenlange vijandschap tussen Joden en Samaritanen (een mengvolk) bestond het gevaar dat Christus’ Gemeente verdeeld zou worden in een Samaritaans en een Joods deel. Zo had God in Zijn wijsheid in deze unieke situatie de inwoning van de Heilige Geest de Samaritaaanse gelovigen nog onthouden tot de joods-christelijke apostel Petrus uit Jeruzalem zou komen om samen met de joods-christelijke apostel Johannes Hem voor deze Samaritanen te bidden dat ook zij de Heilige Geest zouden mogen ontvangen. Zodoende zouden deze gelovigen tegelijkertijd door de Here Jezus in de Geest tot hetzelfde, ondeelbaar geestelijk Lichaam van Hem gedoopt worden (1Kor 12:13). Er was geen verachting van of vijandschap (meer) van de beide joodse apostelen Petrus en Johannes tegenover deze Samaritanen – dat was bij Johannes wel eens anders geweest (Lk 9:51-56)! Zich duidelijk van harte één makend met hun bede voor deze Samaritaanse gelovigen legden beide apostelen tijdens hun voorbede hun de handen op. En de Heer verhoorde hun gebed onder handoplegging. Deze historische, unieke situatie kan nooit herhaald worden.

Er staat niet: door middel van handoplegging. De Heilige Geest is goddelijk Persoon. Het is dus uitgesloten dat een mens door handoplegging de Geest zou kunnen ‘uitdelen’. De Heilige Geest geeft wel geestelijke kracht, maar is Zelf geen (onpersoonlijke) kracht. Overigens kan er door handoplegging, door hand-in-hand-gebed of omarming bij gebed wel “een andere geest” (2Kor 11:4) overgedragen worden.

Bovendien heeft ieder die uit God geboren werd op dat moment de Heilige Geest ter inwoning ontvangen: “Wij hebben … de Geest uit God ontvangen, opdat wij zouden weten …” (1Kor 2:12). Echter, “Indien iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe” (Rom 8:9).

3. Kracht om geestelijk te reageren op spot

Toen de Heilige Geest op de Pinksterdag op aarde kwam om in de Gemeente van Christus en in haar leden te wonen, waren er joodse feestgangers uit Jeruzalem die geen woord verstonden van wat de apostelen en andere gelovigen in voor hun vreemde talen (“van de grote daden van God”) spraken (Hand 2:11-13). Zij zeiden spottend dat deze te veel op hadden. Het was niet alleen een poging om het bovennatuurlijke wonder weg te verklaren door natuurlijke dronkenschap. Dat was ook een belediging van de Heilige Geest èn van Christus’ unieke apostelen.

Hoe nu ging Petrus op zulke valse beschuldiging in? Vanuit zijn ‘oude mens’, impulsief? Neen, de Heilige Geest gaf hem de kracht om weliswaar de beschuldiging kort te weerleggen. Maar de hoofdzaak was zijn directe insteek met Gods Woord, met een profetie van Joël. Zeker herinnerde Petrus zich hoe zijn Heiland op spot, smaad en beledigingen gereageerd had toen Hij gekruisigd werd. Zo kon hij ook niet nalaten om Christus’ reactie tot voorbeeld voor de gelovigen te maken: ”die als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt” (1Pe 2:19-23; Js 53:7; Mt 26:62-63). Zie ook Psalm 38:14-16. Petrus kon medechristenen daartoe vermanen, omdat hij direct al op de Pinksterdag zelf “in de voetstappen van Christus” getreden was.

4. Kracht om de waarheid te verkondigen

Niets is moeilijker dan om godsdienstige mensen met hun zonden te confronteren en hen tot bekering op te roepen tot de enige Persoon, in wie redding van Gods straf op de zonde, vergeving van de eigen concrete zonden en het eeuwige leven te ontvangen is. Het “tweesnijdende zwaard” van Gods Woord, dat eerst in zijn eigen leven “werkzaam was”, mocht en moest Petrus nu ook bij de toegestroomde Joden hanteren (Hb 4:12). Er zijn 3 preken van Petrus in de Schrift bewaard gebleven: twee tot de Joden en één tot niet-Joden.

De eerste toespraak met Pinksteren begon met de prediking, waarin God en Jezus Christus in het middelpunt staan – niet de Heilige Geest, niet tongentaal, niet de eigen ervaringen. “Jezus, de Nazoreeër, een man u (Joden) van Godswege aangewezen (gelegitimeerd) door krachten, wonderen en tekenen, …door God opgewekt uit de doden, door diens rechterhand verhoogd en de belofte van de Heilige Geest ontvangen …door God gemaakt en tot Heer en tot Messias” (Hand 2:22,32-33,36). Zo heeft God zijn eigen naam HERE (Jahweh) met Jezus (Jehoshua, Jeshua), de Gekruisigde verbonden en zich met Hem geïdentificeerd.

De toevoeging van de eerstelingen uit de Joden tot de zojuist ontstane Gemeente van Christus begon op de allereerste Pinksterdag met de niets ontziende waarheid: “Deze Jezus … hebt u door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood …deze Jezus, die u gekruisigd hebt” (Hand 2:23,36). Petrus kreeg kracht van de Heilige Geest om ‘man en paard te noemen’. De verkondiging van de waarheid, bevestigd door de Heilige Geest der waarheid, doet wel eerst pijn, maar het zou liefdeloos geweest zijn om de waarheid af te zwakken of te verdoezelen. Het is immers alleen de waarheid die vrij maakt, zei Jezus zelf (Joh 8:32).

Doordat de profeet Natan tegenover de schuldige koning David de waarheid zei: “U bent die man”, werd  David in zijn geweten getroffen, kwam hij tot inkeer, berouw en schuldbelijdenis (2 Sam 12:7). Gezegend zijn zulke predikers en pastorale medewerkers.

Het resultaat van “de prediking van de waarheid” (2Kor 4:2,7) was een wonder van God op die Pinksterdag: Er kwam geen protest, geen tegenspraak of goedpraterij. Niemand loochende de bloedschuld aan de Zoon van God. “Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen. Dáár gaat het in prediking en pastoraat om: dat in de eerste plaats het geweten (niet het gevoel) getroffen wordt en “de droefheid naar Gods wil tot inkeer[4] leidt” (2Kor 7:9-10).

Ook in zijn tweede toespraak tot de Joden na de genezing van een verlamde man kan Petrus niet anders dan de waarheid verkondigen: “De God van onze vaderen heeft zijn knecht Jezus verheerlijkt, die u hebt uitgeleverd en verloochend voor Pilatus, hoewel deze oordeelde … Maar u hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend en in zijn plaats een moordenaar begeerd; en de Leidsman ten leven hebt u gedood, maar God heeft Hem opgewekt uit de doden …” (Hand 3:13-15).  Ook nu weer was de boodschap ‘op de man af’.

Waarheid, persoonlijk toegespitst bergt altijd een groot risico in zich. De ‘oude natuur of oude mens’ in ieder is een “leugenaar”, de “gezindheid van het vlees is vijandschap tegen God” en dus ook tegen Gods Woord (Rom 3:7; 8:7). De apostel Paulus vroeg de gelovigen in Galatië: “Ben ik dus uw vijand geworden, nu ik u de waarheid zeg? (Gal 4:16)”. De Here Jezus zei in een twistgesprek met de Joden zelfs: “Nu tracht u mij te doden, een mens, die u de waarheid gezegd heeft, die Ik van God gehoord heb” (Joh 8:40,45-46). Stefanus, een diaken vol van genade, kracht en wijsheid, hield een lange toespraak voor de joodse Raad, waarvoor hij zich had te verantwoorden. Ook hij wond er geen doekjes om en zei hun de harde waarheid: “Hardnekkige en onbesnedenen van hart en oren, u verzet u altijd tegen de Heilige Geest; zoals uw vaderen, zo ook u …”. Ook toen trof het gezaghebbende Woord het hart, maar de reactie was precies tegenovergesteld aan die op de Pinksterdag: “Hun harten werden doorboord. Zij knarsten de tanden tegen hem … wierpen hem de stad uit en stenigden hem” (Hand 7:51-60; vgl. 5:33). De waarheid moet tot zwijgen gebracht worden.

 5. Kracht om Joden de Gekruisigde te verkondigen

Het waren niet de apostelen die zich afvroegen ‘Wat moeten wij doen’ – doen om ‘de mensen van vandaag’ op deze feestdag te bereiken? Zij beraadslaagden niet dat de mensen ‘sneller tot geloof zouden komen’ door spectaculaire genezingen of demonenuitdrijvingen, zoals dat tegenwoordig heet, zij het volkomen onterecht. Zoiets kwam niet eens in de apostelen op. De apostelen hadden voor ogen dat “Het God heeft behaagd door de dwaasheid van de prediking hen te redden, die geloven”. Weliswaar “begeren Joden tekenen” voor het oog, maar Paulus schrijft: “Wij verkondigen een gekruisigde Messias voor de Joden een aanstoot” (1Kor 1:21-24; vgl. Rom 1:16-17). En dat was precies wat Petrus als eerste deed, juist ook op die unieke Pinksterdag. Hij was, samen met de andere apostelen immers door de Here Jezus gezonden om te verkondigen en getuige te zijn van de gekruisigde en opgestane Jezus  Messias te Jeruzalem (Mk 16:15; Lk 24:47; Hand 1:8)!

6. Kracht om godsdienstige Joden tot bekering op te roepen

De joodse feestgangers verschuilden zich na deze ingrijpende, gezaghebbende prediking niet achter: “Wij hebben het niet geweten” of “Wij hebben nog zoveel vragen” of ook: “Ik zal er eerst over nadenken”. In hun geweten getroffen hadden zij maar één vraag: “Wat moeten wij doen?” Persoonlijk en concreet. Petrus gaf geen goedkoop antwoord, niet zoals ‘U hoeft alleen maar een gebed na te zeggen dat ik u zal voorzeggen’. Volkomen in de lijn van het Oude Testament, van Johannes de Doper en van de Here Jezus Zelf was op die ene vraag Petrus’ ene antwoord: “Bekeert u met berouw[5] tot vergeving van uw zonden en ieder van u late zich dopen op de naam van (deze) Jezus Messias! Dan zult u de gave (inwoning) van de Heilige Geest ontvangen … Laat u redden uit dit verkeerde geslacht” (Hand 2:36,38,40). Er werden ca. 3000 mensen aan de Gemeente van Christus toegevoegd die de Woordverkondiging van Petrus aanvaard hadden. Christelijk Pinksteren: een geestelijk eerstelingenfeest! Ook in zijn tweede toespraak tot de Joden riep de apostel der Joden op tot berouwvolle bekering: “Komt dan tot berouw en bekering[6], opdat uw zonden uitgewist worden …” (Hand 3:19). Opnieuw een wonder van God met eeuwigheidswaarde: ca. vijfduizend Joodse mannen die het Woord gehoord hadden, werden gelovig (Hand 4:4).

Waar horen wij op ònze Pinksterfeestdagen nog de boodschap van berouwvolle bekering tot vergeving van zonden? Of vieren wij voor onze stemming liever zogenaamd ‘het feest van de Geest’? Laten wij ons liever ‘oppeppen’ door liederen uit pinkster-liederenbundels met handen omhoog in plaats van op de knieën?

 7. Kracht om nuchter te blijven

Het is de moeite waard om in Petrus’ eerste brief na te gaan, in welk verband hij liefst driemaal gelovigen vermaand om nuchter te zijn. Deze Bijbelse nuchterheid heeft hijzelf moeten leren, juist ook op de Pinksterdag. Op die historische, unieke dag had hij voor het eerst van zijn leven niet in zijn moedertaal, Aramees, en ook niet in de ‘heilige’ taal Hebreeuws God om Zijn grote daden aanbeden, maar in een ‘heidense’ taal. Van alle kanten “liep de menigte te hoop” omdat iedere buitenlandse Jood de apostelen in zijn eigen taal hoorde spreken (niet: preken! Hand 2:5).

Petrus, van oorsprong visser uit “het Galilea der heidenen” (Mt 4:15), stond nu in Jeruzalem, hoofdstad en godsdienstig centrum, voor een grote menigte. Alle ogen waren op hem gericht, toen hij “zijn stem verhief” en tot hen begon te spreken. Wat opwindend allemaal. Hoe gemakkelijk had Petrus zich door zijn ‘oude mens’ kunnen laten leiden en zijn eigen ‘grote daden’ of zijn bijzondere ervaringen hebben kunnen groot maken. Het was immers niet zomaar dat de apostel Paulus, zijn eigen hart kennende, later moest vermanen: “Want krachtens de genade die mij geschonken is, zeg ik tegen ieder van u: koestert geen hoogmoedige (trotse) gedachten, maar gedachten tot bezonnenheid (nuchterheid) …” (Rom 12:3). Paulus wist dat alles genade is die door de Heer geschonken is.

En dat wist Petrus op dat unieke moment ook. De Heilige Geest werkte als vrucht  “zelf beheersing” in hem (Gal 5:22). Zo kon hij de unieke gelegenheid te baat nemen en – onvoorbereid, maar geleid door de Heilige Geest – Gods Woord met de juiste passages daarin aan die menigte verkondigen. Als dat geen ‘pinksterwonder’ is!

8. Kracht voor het evangelie van lijden

De voorgeschiedenis

Nadat Petrus openlijk beleden had dat Jezus “de Zoon van de levende God” is, begon de Heer “van toen af” zijn discipelen er op voor te bereiden “dat Hij in Jeruzalem veel moest lijden door … , gedood moest worden en ten derde dage opgewekt moest worden” (Mt 16:21). Dat alles dus als een goddelijk “moeten” (Joh 10:18). Daarop meende Petrus Jezus “ter zijde” te moeten nemen om Hem om Zijn lijdens – en stervensweg te “berispen”. Daarmee had hij zich boven zijn “Heer” (vers 22) verheven, die hij vlak te voren als “Zoon van de levende God” had beleden!  Was het dan niet tot Petrus doorgedrongen dat zijn broer Andreas Jezus gevolgd was op het woord van Johannes de Doper: “Zie het (offer)Lam van God”, namelijk om “de zonden van de wereld weg te nemen”? Het was toch in dat verband dat Andreas getuigd had: “Wij hebben de Messias gevonden(Joh 1:29,36,40,42)!

Jezus ernstige woorden over het navolgen van Hem nadat Hij Petrus berispt had (!), waren en zijn niet mis te verstaan: “Wie achter Mij wil komen die moet zichzelf verloochenen, moet zijn kruis op zich nemen en volgen …” (Mt 16:24-27). Dat was toch niet iets geheel nieuws. Had Petrus dan met ‘dove oren’ Jezus’ woorden bij zijn eerste uitzending gehoord: “Wie zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, is Mij niet waardig”? En had Jezus zijn discipelen niet uitgezonden als “schapen midden onder de wolven” (Mt 10:16; Lk 10:3; zie ook Rom 8:35,36; 2Kor 4:7-12; 6:4-10) – dus inclusief lijden? Hij had hen toch niet uitgezonden als Romeinse krijgsheren met de waan: ‘Ik kwam, ik zag, ik overwon’!  Moeten ook wij niet Jezus’ vermaning: “Zie toe, hoe u hoort”(!) steeds weer opnieuw ter harte nemen?  Hebben wij ons wel eens afgevraagd met welk menselijk of religieus voor-oordeel wij selectief luisteren of de Bijbel lezen? En laten wij ons corrigeren (2Kor 13:11b)?

Lijden in de eerste brief van Petrus

Door de Schrift, het voorbeeld van de lijdende Heer en in de leerschool van het lijden in diens dienst is Petrus psychisch en geestelijk rijper en realistischer geworden. Hij heeft meer over het lijden van de Gemeente van Christus en haar leden geschreven dan de anderen! Hij heeft het evangelie van het lijden niet verdoezeld, laat staan vervangen door een zogenaamd ‘evangelie van heerlijkheid en glorie hier en nu’, ook niet een ‘evangelie’ van een of andere ‘welvaart’ of van ‘tekenen en wonderen’.
Het is zeer de moeite waard om het evangelie van het lijden door allerlei beproevingen – in het Westen meestal weinig bekend – nu al goed te bestuderen, opdat wij niet overrompeld en ontrouw worden, compromissen sluiten of zelfs eens daags Jezus de rug toe keren (Mt 13:21). Onze ‘oude mens’ is niet beter dan die van de apostel Petrus. Ook wij kunnen, geconfronteerd met lijden en sterven aan ons zelf (Joh 12:24), plotseling van getuigen van Jezus Christus tot spreekbuis van de tegenstander worden. Deze kan echter alleen bij een nog heersende ‘oude mens’ aanknopen.

9. Kracht om Jezus te volgen uit dankbare liefde

Het is een leerzame studie van uitingen van Petrus vóór de confrontatie met zijn ‘oude mens’ op weg naar Christus’ kruis en van datgene, wat hij in zijn brieven ná berouw en terugkeer (of omkeer; niet: bekering, zoals HSV helaas in Lk 22:32 schrijft!) zegt. Nadat de rijke jongeling bedroefd over Jezus’ radicale voorwaarden voor het volgen van Hem wegging, nam Petrus het woord en zei tot Hem: “Zie wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn?” (Mt 19:27). Was zijn navolging dan zijn eigen actie, zijn eigen prestatie, waarvoor hij loon mag verwachten? Of was hij veeleer uit genade door de Here Jezus tot navolging geroepen en was zijn navolgen reactie daarop?

Bovendien openbaarde de Here Jezus aan de discipelen dat zij ranken aan Hem, de ware wijnstok, zijn. Zonder Hem kunnen zij helemaal niets doen. Hierbij gaat het niet om loon voor de ranken, ook niet om hun ‘successen’, maar om vrucht door de wijnstok via de ranken (Joh 15:1-8). Getuigde de apostel Paulus immers terecht: “Want ik zal het niet wagen van iets anders te spreken dan van hetgeen Christus door mij bewerkt heeft om …” (Rom 15:18)!

Er bestaat wel in een ander opzicht: ‘Voor wat – hoort wat’: “De liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn dat één voor allen is gestorven. En voor allen is Hij gestorven opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die voor hen gestorven en opgewekt is” (2Kor 5:14-15)! Heeft de Here Jezus niet recht op ‘loon’ voor zijn “moeitevol lijden” en voor zijn plaatsvervangende dood aan het kruis? (Js 53:10-12)?

Alle christenen hebben nog dezelfde ‘oude mens’ in zich en kunnen in principe op dezelfde wijze als Petrus in een loon-denken voor dienst aan de Heer en Heiland gevangen zitten en – in tegenstelling tot Petrus – daarnaar handelen. Er zijn vandaag daarvan genoeg voorbeelden. Beschamend. Maar door de werking van het met Christus gekruisigd zijn en door het werk van de Heilige Geest schrijft Petrus: “ … Weest nuchter en vestigt uw hoop volkomen op de genade die u bij de openbaring van Jezus Christus gebracht wordt” (1Pe 1:13). Iedere eventuele beloning is immers uitsluitend geschonken genade en geen eigen verdienste!                                                                                                                                                                                                                                                                               Vanuit deze innerlijke gezindheid kan Petrus dan ook met gezag de oudsten vermanen: “ … hoedt de kudde van God, die bij u is … naar de wil van God, niet uit schandelijk winstbejag, maar bereidwillig … als voorbeelden van de kudde” (1Pe 5:1-4).

10. Kracht tot nederigheid

Tijdens de Paasmaaltijd bereidde de Here Jezus zijn discipelen er op voor: “U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, want er staat geschreven …”. Daarmee stelde Petrus zich niet alleen boven de Schrift, maar ook boven de elf medediscipelen op, Hem antwoordende: ”Al zouden ook allen aanstoot aan U nemen, ik zal nooit aanstoot aan U nemen” (Mt 26:31-33).

Had Petrus vergeten dat de Here Jezus eens gezegd had: “Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen zal verhoogd worden” (Mt 23:12)? Weliswaar zei de Heer dit tot de scharen en tot zijn discipelen, maar in verband met de schriftgeleerden en Farizeeën. Gold dat dan niet ook Petrus? Ik las eens dat een predikant een ernstige preek gehouden had. Hij had duidelijk vanuit de Schrift allerlei zonden aangewezen. Na afloop zei een echtgenote daarover: ‘Jammer dat mijn man dat niet gehoord heeft. Dat wat was nu net iets voor hem”. Jezus’ ernstige woorden: “Ziet dan toe hoe u hoort” was haar blijkbaar ontgaan (Lk 8:18).

Na de innerlijke gebrokenheid door zijn verloochening van de Heer op weg naar het kruis zal Petrus zich zeker deze ernstige woorden van Hem herinnerd hebben. Hijzelf schrijft de jongeren ten aanzien van de oudsten: “Omgordt u allen jegens elkaar met nederigheid, want God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Vernedert u dan onder de machtige hand van God, opdat Hij u te zijner tijd moge verhogen” (1Pe 5:5-6). Dat was geen theorie, maar doorleefde kennis en ervaring.

Tot slot

De werking van ‘de oude mens’ in de apostel Petrus

De tegenstander kent de zwakke punten in ons karakter. De oude mens is weliswaar rechtens mee gekruisigd, maar tot aan ons overlijden feitelijk nog aanwezig. De oude mens in ons is bij de geboorte uit God niet ‘vervangen’ door de nieuwe mens. Hij is met zijn eigenschappen ook niet een ‘demon’ die ‘uitgeworpen’ kan en moet worden. Er is maar één weg voor een christen t.a.v. zijn oude mens: het kruis! “Beschouw uzelf als dood voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus” (Rom 6:14). Dat houdt in: “zichzèlf verloochenen en dagelijks zijn kruis op zich nemen” en zo Jezus dagelijks volgen (Lk 9:23).

Het zwakke punt bij Petrus was vrees voor mensen. “Vrees voor mensen spant een strik” (Spr 29:25). Dat hebben niet alleen Abraham en koning Saul aan den lijve moeten ondervinden (Gen 12:11-13; 1Sam 15:24,23). Een keer trok Petrus, die met heidenen (dus ‘onbesnedenen’) gegeten had, zich terug en zonderde zich van deze af toen sommigen uit de (joods-christelijke) kring van Jakobus gekomen waren. Hij was bevreesd voor hun kritiek (vgl. Hand 11:3). Zijn voorbeeld volgend, huichelden de overige Joden met hem mee. Zelfs Barnabas liet zich meeslepen door hun huichelarij (Gal 2:11-16). Hierin moest de apostel Paulus de apostel Petrus weerstaan omdat hij en die andere joodse christenen niet de rechte weg naar de waarheid van het evangelie bewandelden, dat is: “gerechtvaardigd uit geloof alléén”, niet: door werken der wet. Paulus’ terechtwijzing was uit goddelijke liefde die “blij is met de waarheid” en dus tegelijkertijd “afkerig van het kwade” is (1Kor 13:5; Rom 12:9). Paulus roept ook ons als gewone gemeenteleden op om elkaar te lren en terecht te wijzen.

“Laat u terecht wijzen, laat u vermanen … en de God der liefde en des vredes zal met u zijn” (2Kor 13:11)   

                   

E. Nannen

2006, 2013

 


[1] De werkwoorden heengaan en verkondigen staan de in Griekse tijdsvorm aoristus d.i. een afgesloten handeling in het verleden. De werkwoorden meewerken en bevestigen zijn deelwoorden, behorend bij de werkwoorden heengaan en verkondigen in de tijdsvorm aoristus: de Here Jezus meewerkende en bevestigende. Hetzelfde geldt voor Hebreeën 2:3-4: “ zulk een groot heil … door hen (de apostelen) die het van Hem gehoord hadden (aoristus participium) was bevestigd (aoristus passief), God meewerkende (behoort dus bij “was bevestigd”) door tekenen en wonderen …”. Zowel Jezus Christus als God bekrachtigde de heilsboodschap van het Nieuwe Verbond in Jezus’ bloed door apostolische tekenen en wonderen, samen met het getuigenis van de Heilige Geest (Joh 15:26).

[2] Grieks: metanoia: verandering van gedachten (t.a.v. zichzelf en van Jezus Christus), berouw, inkeer, omkeer

[3] In het Duits zegt men: Das Kreuz ist der Strich durchs eigene Ich

[4] Grieks: metanoia: berouw, inkeer, omkeer

[5] Grieks: metanoein

[6] Grieks: metanoein; (zich) omkeren, zich bekeren, terugkeren: epistrephein