“De Geest der waarheid zal in u zijn …
Ik
kom tot u  … u in Mij en Ik in u
(Joh 14:16-20)     (dl 4)

Een probleem

De Here Jezus was op aarde in menselijke gestalte. Zo hadden zijn discipelen Hem meegemaakt: zij met Hem hier en nu. Daartoe waren zij in eerste instantie ook geroepen (Mk 3:14). En wat had Maria er van genoten dat de Here Jezus met haar was, toen zij aan zijn voeten naar Hem luisterde.
Maar op een gegeven ogenblik werd haar broer Lazarus doodziek. Hij stierf ‘omdat’ Jezus nog 2 dagen bleef, waar Hij was. Zo kwam Hij ‘te laat’. Zus Marta verweet Hem dan ook: “ Here, indien U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn” (Joh 11:1-21). Jezus kon lichamelijk toch maar op één plek tegelijk aanwezig zijn?

De historische situatie

De Here had vóór zijn Hemelvaart zijn apostelen de‘grote opdracht’ van wereld evangelisatie gegeven! Weliswaar had Hij beloofd: “Ik ben met u elke dag, tot aan de voleinding van de wereld” (Mt 28:18-20). Maar hoe kon Jezus nu Zijn directe en voortdurende tegenwoordigheid te allen tijde en op alle plaatsen beloven? Zelfs zolang Hij op aarde was, was dat niet eens mogelijk. En nu zou Hij ook nog naar de Hemel gaan.
Ook had de Here Jezus al eens beloofd: “Waar twee of drie bijeenzijn in mijn naam, daar ben Ik in het midden” (Mt 18:20). Op aarde: ja. Maar zodra Hij in de hémel is, zittend aan de rechterhand van God – wordt dat dan niet een bijeenzijn op aarde zònder Hem?

De belofte van God, de Vader

*  Christus Zelf zou voortaan op een andere wijze bij hen zijn, namelijk in en door de Heilige Geest, die God beloofd had op aarde te zenden om er te wonen. Deze zou bij hen op aarde blijven. De apostelen hoefden dus niet bang te zijn dat ook deze “Bijstand, de Geest der Waarheid” na een tijdje weer naar de hemel terug zou gaan en zij dan toch “als wezen” zouden achterblijven.
Christus legde uit dat Hijzelf in en door de Heilige Geest tot hen zou komen: “Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u … Ik ga heen en (Ik) kom tot u” (Joh 14:18,28).
Op de Pinksterdag werd Christus’ Gemeente geboren, waarvan Hij het Hoofd is. Hijzelf heeft sindsdien ieder kind van God in de Geest tot zijn (geestelijk) Lichaam gedoopt ”(1Kor 12:13). De komst van de Heilige Geest op aarde is niet te scheiden van de komst van Christus in de Geest in zijn Gemeente op aarde.

*  “Hij (de Heilige Geest) zal in u zijn  – Ik in u(Joh 14:20)
Hierbij openbaarde de Heer “het geheimenis”, dat Hijzelf in de Geest in Gods kinderen zal zijn in het geloof (Joh 17:23,26; Kol 1:27). Zo is in en door de Heilige Geest een diepere gemeenschap met de Heer en Heiland in geestelijke zin mogelijk dan dat het tijdens Zijn rondwandeling op aarde mogelijk was. De inwoning van de Heilige Geest in Gods kinderen is dus nooit te scheiden van de inwoning van de Here Jezus in de Geest in hen.
Gods doel met zijn kinderen is dat zij innerlijk omgevormd worden in de gezindheid van zijn Zoon (Rom 8:5,28-29; vgl. Fil 2:5-8). De taak van de apostel Paulus was niet alleen evangelistisch. Het ging hem er om dat de gelovigen geestelijk volwassen zouden worden, ja beelddrager van hun Heer en Heiland: “Mijn kinderen (in Galatië) ter wille van wie ik opnieuw weeën doorsta, totdat Christus in u gestalte gekregen heeft…” (Gal 4:19; Ef 3:17; Kol 1:28-29).
De opdracht om getuige van Jezus Christus te zijn geldt immers niet alleen voor onze woorden, maar juist ook voor onze innerlijke gezindheid in en reactie op allerlei omstandigheden, voor onze dagelijkse wandel en levensstijl. Geestelijk vrucht dragen is alleen vanuit deze geestelijke verbondenheid met de Heer mogelijk – tot verheerlijking van God, de Vader (Joh 15:5). Dat was vóór Golgotha, Pasen, Hemelvaart en die unieke Pinksterdag nog niet mogelijk.
En wanneer Jezus Christus terugkomt, moet en zal Hij “op die dag verheerlijkt worden “in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd worden in allen die tot geloof gekomen zijn”. Daarom doet Paulus “te allen tijde” voorbede, dat “God het werk van het geloof voltooit, opdat de naam van onze Here Jezus in u verheerlijkt wordt en u in Hem, naar de genade van onze God en van de Here Jezus Christus” (2Ts 1:10-12). “Als Hij geopenbaard zal zijn, zullen wij Hem gelijk wezen, want wij zullen Hem zien, zoals Hij is”. Daarom: “Ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, zoals Hij rein is” (1Joh 3:2-3).

*  “Hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij heerst over doden en over levenden” (Rom 14:9). “Hij moet als koning heersen totdat ..” ook “de laatste vijand, de dood, te niet gedaan wordt” (Gr. katargein: vernietigen, afschaffen; vgl. Js 25:8; Op 20:14; 21:4). Dan  “zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem (God) onderwerpen … opdat God zij alles in allen” (1Kor 15:24-28).

Conclusie

God heeft zijn Zoon na zijn zoendood aan het kruis verheerlijkt door Hem op te wekken, door Hem tot Heer (goddelijk Persoon) en tot Messias te maken en door Hem de naam boven alle naam  te geven, opdat alle knie zich zou buigen … en alle mond zou belijden: Jezus Christus is Heer (God) tot eer van God, de Vader (Hnd 3:13; 2:36; Fil 2:5-11).
De Heilige Geest verheerlijkt “Jezus Christus” – alleen Hem en steeds Hem (Joh 16:14). Teken van zijn inspiratie in woord, gebed, lied en werk is, dat Hijzelf nooit verheerlijkt wordt.
Jezus Christus heeft op aarde steeds de Vader verheerlijkt (Joh 17:4). Bij zijn wederkomst wil Hij zich in en door zijn Gemeente verheerlijken (2Ts 1:10-12). Na de vernietiging van de laatste vijand, de dood, zal Hij God verheerlijken door ook Zichzelf aan God te onderwerpen “opdat God zij alles in allen”.
Een verborgen of openlijke verering van de mens, zijn werk of zijn ervaring, is uitgesloten.

Andrew Murray: “De inwonende Geest” (Joh 14:16-17)[1]

Bovenstaande korte samenvatting moge een toets zijn voor dit hoofdstuk van het boek ”De Geest van Christus” geschreven door Andrew Murray. Wat ook in het voorgaande artikel ”De doop in de Heilige Geest” (dl 3) werd vermeld geldt ook hier dat bij de noodzakelijke beoordeling van dit misleidende boek, het uiteraard niet gaat om een veroordeling van de schrijver. Wel is het voor de jongere generatie van belang om het geestelijk klimaat met een specifiek denksysteem van veel heiligingspredikers uit de 19e en 20e eeuw te leren kennen. Dat was de wegbereiding voor de pinkster- en daaruit charismatische bewegingen. Kenmerken in de praktijk zijn o.a.,loskoppeling van de Geest van Jezus Christus, waardoor “een ander evangelie”, een ‘evangelie van de Geest’, feitelijk in de plaats van “het evangelie van God over zijn Zoon” (Rom 1:2-4) ontstaan is met o.a. nadruk op ‘ervaring’ in plaats van nadruk op geloof in God en zijn geschreven Woord.                                                                                                                                                     Opvallend is dat Murray Jezus’ woorden over de Heilige Geest eigenmachtig losmaakt van Diens woorden over Hemzelf in verband met de Heilige Geest in datzelfde hoofdstuk. Dat is het gevolg van zijn uitgangspunt en doel in zijn hele boek: de Geest in het middelpunt.

Kroon op Jezus’ verlossingswerk

De inwoning van de Geest in de gelovige is volgens Murray
“vrucht en kroon van Jezus verlossingswerk. Dáárvoor had Jezus geleefd en stond Hij gereed om te sterven” (pag. 40).

We lezen wel dat de Here Jezus “na de reiniging van zonden volbracht te hebben” gekroond is met eer en heerlijkheid (Hb 1:3,7). Maar slaat die kroning op de “inwoning van de Geest” in boven-staande belofte? Moest Jezus niet sterven, om “het gebod van de Vader” te gehoorzamen en om profetieën van het OT te vervullen?[2] En de zoendood sterven om “ons te trekken uit de huidige boze wereld” en “tot God te brengen” (Gal 1:4; 1Pe 3:18; Op 5:9-10)? Openbaart Filippenzen 2:5-11 niet duidelijk de ‘kroon’ op Jezus’ verlossingswerk?

De ‘bedeling van de Geest’ ?

Volgens Murray is de ‘bedeling van de Geest’ die “van het innerlijk leven”.
“De bedeling van het Woord, de Zoon, vanaf de schepping tot Zijn menswording was alles meer uitwendig en voorbereidend … maar de mens was nog niet een woonplaats voor God geworden. In zijn Geest zendt Hij (God) zijn goddelijke kracht uit, om in ons te komen en ons van binnen uit voor te bereiden op  het ontvangen van de Vader en de Zoon.” (pag. 40)
De zogenaamde ‘bedeling van de Geest’ méér dan die van Gods genade in de Zoon? De Heilige Geest ‘wegbereider in het hart voor de Vader en de Zoon’? Of is hij via de Schrift en de verkondiging van het Woord van gericht en genade wegbereider in het hart van de zondige mèns Maakt Murray hiermee niet Gods Geest los van Gods Woord? Is niet juist het voornaamste middel het Woord van God, in het bijzonder “het woord van het kruis”, dat het levende zaad is dat door de Geest van God gebruikt wordt (Lk 8:11; Rom 1:16; 1Kor 1:18; Hb 4:12)?
We herhalen dat de idee van een ‘bedeling van de Geest’ antibijbels is. De Here Jezus Zelf bevestigde dat wij ons in “het aangename jaar des Heren” bevinden, d.i. in de periode van Gods genade in zijn Zoon voordat “een dag der wrake (oordelen) van onze God” begint (Lk 4:16-22; Js 61:1-2).

Murray schrijft:
“O, laten we ons geloof in de Vader aanwakkeren en oefenen, wiens ene gave door de Zoon is de Geest in onze harten. En ook ons geloof in de Zoon, wiens hele persoon, werk en heerlijkheid zich concentreren op de gave van de inwonende Heilige Geest … Laat onze aanbidding van onze verheerlijkte Heiland steeds trachten dít heerlijke antwoord op te vangen dat Hij elke bidder geeft als het zegel van onze aanneming, als belofte van diepere kennis van
onze God, van inniger gemeenschap en rijkere zegeningen: De Heilige Geest woont in u” (pag. 42).

Jezus Christus concentreerde zich echter volledig op de wil en de verheerlijking van de Vader (Joh 4:34; 6:38; 13:31;17:4). De Schrift focust helemaal op Jezus Christus, de Zoon. God “heeft ons in Hem gezegend met iedere geestelijke zegen in de hemelse gewesten”, waaronder de Heilige Geest als gave. Daarom: “geloofd zij God”!
God heeft ons “verzegeld met de Heilige Geest der belofte” als Zijn eigendomsteken op het ogenblik van de geestelijke geboorte uit Hem. Om deze verzegeling ‘bidden’ is een zonde van ongeloof in de Schrift. Dat zegel betekent ook géén bron van ‘diepere kennis van God’, laat staan van ‘rijkere zegeningen’ (2Kor 1:21; Ef 1:13).

Naar de Bijbel is ons lichaam een tempel van de Heilige Geest – volgens Murray echter is die
“tempel in ons binnenste … Binnen in u! Binnen in u! in uw binnenste! Dit was Gods belofte … zijn innige
tegenwoordigheid in iedere gelovige” (pag. 45).

De Bijbel spoort ons nergens aan om ons oog op de Heilige Geest de richten, laat staan op de Geest,
die in ons woont. God beware ons ervoor, een dergelijke ongezonde mystiek te verbreiden, laat staan er naar te verlangen. Niet de blik naar binnen, maar naar Boven. Immers (Hb 12:2):
“Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus,
de leidsman (Grieks: bewerker) en voleinder van het geloof ”.

 

Els Nannen, november 2013

 

 


[1] Andrew Murray: De Geest van Christus, Hoofdstuk 6, pag.40-45: De inwonende Geest.
[2] Joh 10:17-18; Lk 24:26-27,32,44-46