De doop in de Geest (dl 3)

Johannes de Doper profeteerde met betrekking tot Jezus Christus: “Hij zal u dopen in (de) heilige Geest en in vuur” (Lk 3:16). Evenals de profeet Jesaja (61:1-2) zag hij beide feiten in één.

De “doop met vuur”

De Here Jezus echter maakte duidelijk dat “het aangename jaar des Heren” te scheiden is van “de dag van de wrake van onze God”, van Gods oordelen over deze wereld (Lk 4:17-22). ‘Vuur’ is in de Bijbel bijna altijd een symbool van Gods oordelen. Maar Jezus was “niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om haar te redden” (Joh 12:27). Daarom citeerde Hij de profetie zowel van Jesaja als van Johannes de Doper slechts ten dele. En als trouwe discipel van zijn Meester citeerde de apostel Petrus op zijn beurt letterlijk de Here Jezus, dus ook zonder de toevoeging “en met vuur” (Hnd 11:16). De ’doop met vuur’ is niet voor de Gemeente van Christus bestemd. Dus ook nooit voor één van haar leden (Joh 3:16,18; 5:24).
In de Heiligingsbewegingen en zodoende in de pinkster-charismatische bewegingen echter wordt ‘de doop met vuur’ verkondigd en wordt daarvoor gebeden – ook via liederen. Uit onbijbelse leer ontstonden en ontstaan onbijbelse ‘ervaringen’ van een zogenaamde ‘doop met vuur’.
Zouden wij niet oprecht God gebeden hebben – ook via een lied? Dat is immers tegen Zijn Woord in. Moeten wij niet oprecht aan God als zonde belijden als wij een ‘doop met vuur’ geleerd hebben? Of dit nu is gebeurd d.m.v. een tekst dat is geschreven of  wanneer wij een zogenaamde ervaring van een ‘doop met vuur’ geloofd, gekoesterd en bericht hebben – als kind van God (1Joh 1:9; Spr 28:13).

De doop in de Geest tot één Lichaam

Johannes de Doper, de laatste profeet van het Oude Testament, kon niet weten waartoe de Here Jezus in de Geest zou dopen. Immers, de Gemeente van Christus is een “geheimenis” dat pas aan de apostelen, vooral aan de apostel Paulus, geopenbaard werd (Ef 3:1-12). Schrift met Schrift vergelijkend lezen wij dat al Gods kinderen “in één Geest tot één Lichaam gedoopt” zijn (1Kor 12:13). “U bent immers allen één in Christus Jezus (Gal 3:28). Dat betekent dus uitsluitend
* eenheid in de gekruisigde, opgestane, verheerlijkte Jezus Christus de Heer, Gods Zoon
* eenheid in de waarheid. Immers, Jezus Christus is de Waarheid,
* een organische eenheid met medeleden van het geestelijk Lichaam in Hem, het Hoofd – niet
een door de mens georganiseerde, interkerkelijke, charismatische of interreligieuze oecumene,
* een geestelijke eenheid “in Christus, het Hoofd”.

Jezus’ voorbereiding op die historische doop in de Geest

De Bijbelse doop in de Geest tot Jezus’ ene geestelijke Lichaam kon pas plaatsvinden wanneer de Heilige Geest op aarde kwam om er te wonen. Dat was alleen mogelijk nadat Jezus Christus zijn zoenoffer aan het kruis van Golgota had volbracht, was opgestaan en verheerlijkt (Joh 7:39). Daarna zou Hij Gods belofte van de Geest ontvangen en deze op aarde zenden. En dat laatste is  tot slot op die historische Pinksterdag in Jeruzalem gebeurd (Hnd 2:32-33).
Op die unieke, eenmalige Pinksterdag heeft Christus, het Hoofd, zijn geestelijk Lichaam doen ontstaan door alle gelovigen, die toen bij elkaar waren, in de Geest tot zijn Lichaam te dopen.

Wie werden en worden door Jezus Christus in de Geest tot zijn Lichaam gedoopt?

Vanaf de genoemde 3000 Joden op die “Oogstdag” is ieder die uit God geboren werd en wordt, automatisch door Christus in de Geest tot zijn (geestelijk) Lichaam gedoopt. Dat is één van de heilsfeiten die niet subjectief ervaarbaar is. God verlangt geloof in zijn geschreven Woord.

 Samenvatting

*  Het is Jezus Christus, Zoon van God en zoon des mensen, die alle voorwaarden voor de
komst van de Heilige Geest op aarde volbracht heeft – niet: de gelovigen door hun ‘wachten in Jeruzalem’, ook niet door hun gebed;
*  het is Jezus Christus, het Hoofd die op die unieke, historische Pinksterdag in de Geest tot zijn geestelijk Lichaam gedoopt heeft als vervulling van de profetie – niet door de Heilige Geest. Het is evenmin de Heilige Geest die doopt. Hij is immers niet het Hoofd van Christus’ Lichaam;
* nergens staat in de Bijbel dat het een subjectieve en bijzondere ervaring kan of zelfs moet zijn;
* nergens staat in de Bijbel dat een kind van God om een ‘doop in de Geest’ moet bidden, er op
moet wachten, er voor moet vasten, zich daarvoor moet openstellen of de handen moet laten
opleggen;
* nergens staat in de Bijbel dat ‘tongentaal’, een spreken in vreemde talen, het bewijs is;
* nergens staat geschreven dat wij moeten bidden om een ‘Geestesdoop’ voor de wereld;
* nergens staat geschreven dat een kind van God een ‘doop met vuur’ kan of moet ervaren.
Elke geestesdoop ‘erváring’ is òf zelfbedrog (Spr 30:6) òf bedrog uit “een andere geest”.

Andrew Murray en Christus’ doop in de Geest (Hnd 1:5)

Bij de noodzakelijke beoordeling van het misleidende boek: ”De Geest van Christus” geschreven door Andrew Murray, gaat het uiteraard niet om een veroordeling van de schrijver. Wel is het voor de jongere generatie van belang om het geestelijk klimaat met een specifiek denksysteem van veel heiligingspredikers uit de 19e en 20e eeuw te leren kennen. Dat was de wegbereiding voor de pinkster- en daaruit charismatische bewegingen. Kenmerken in de praktijk zijn o.a.,loskoppeling van de Geest van Jezus Christus, waardoor “een ander evangelie”, een ‘evangelie van de Geest’, feitelijk in de plaats van “het evangelie van God over zijn Zoon” (Rom 1:2-4) ontstaan is met o.a. nadruk op ‘ervaring’ in plaats van nadruk op geloof in God en zijn geschreven Woord.

Andrew Murray komt tot een heel andere leer dan de Bijbelse (1Kor 12:13). Dat komt omdat hij een niet-historische interpretatie geeft van zowel de Pinksterdag als van de doop in de Geest door Jezus Christus. Hij beweert dat “het uitstorten van de Geest in de hemel geschiedde”(p.16).[1] Murray gaat van de gebeurtenis uit nadat Jezus door Johannes de Doper in water was gedoopt: “Toen Hij (Jezus)uit het water opsteeg zag Hij … de Geest als een duif op Zich neerdalen” en getuigde God van Hem als zijn Zoon (Mk 1:9-11). De Bijbel noemt deze gebeurtenis dat God publiekelijk zijn Zoon tot zijn dienst zalfde met de Heilige Geest (Hnd 10:37-39a). Volgens Murray daarentegen “
moest Christus het voorbeeld zijn van wat de doop met de Geest betekende”. Hij spreekt hier van Jezus’ “doop in de Geest als beloning voor zijn gehoorzaamheid … dat Hij zich tot hiertoe aan de leiding van de Geest had overgegeven” (Hnd 2:33; p.17). Murrays conclusie: “wat wij in Jezus zien, leert ons wat de doop met de Geest is … wat de Geest voor Jezus geweest was ná zijn doop, dat zou Hij voor hèn zijn … Wij moeten proberen te begrijpen hoe Hij het (die ‘doop met de Geest’) nodig had, hoe Hij er toe voorbereid werd en hoe Hij er zich aan overgaf, hoe Hij in de kracht ervan zijn dood stierf en weer werd opgewekt … wat Jezus ontvangen heeft en voor Zichzelf verworven heeft, is allemaal voor ons: Hij wil het tot ons werkelijk eigendom maken … Dit zijn vooral twee lessen. De ene is dat deze doop met de Heilige Geest de kroon en de heerlijkheid is van het werk van Jezus; en dat wij die nodig hebben en ook moeten weten dat wij die hebben, willen wij waarlijk als christenen leven … De doop met de Geest is méér dan het werken van de Geest in de wedergeboorte” (p.17-18). “De doop met de Geest is: de Geest van Christus Jezus die ons vrijmaakt van de wet van zonde en dood, en ons door een persoonlijke ervaring overbrengt in de vrijheid, waartoe Christus ons verlost heeft”.

De “doop in de Geest” in plaats van Jezus’ zoenoffer aan het kruis?! …

Murray: “De doop met de Geest is ‘de bekleding met kracht’ (Hnd 1:8)”. Dat is een dwaalleer (1Kor 12:13). “Geloof in Hem, op wie de Geest bleef en die vol Geest is en u zult toebereid worden voor de volle zegen van de doop met de Geest” (p.20). “Onze Heiland stierf om de Verzoener te zijn. Hij leeft om de Doper te zijn” (p.21).
De Bijbel daarentegen zegt dat Christus leeft om voor ons te bidden (Hb7:25; ook 1Joh 2:1).

Is het wel respectvol tegenover God en zijn Woord om uitdrukkingen zoals zalving of verzegeling met de Geest, doop in de Geest, inwoning van de Geest enz. die een verschillend aspect laten zien, willekeurig door elkaar te halen en dan eigenmachtig te interpreteren? Is het verheffen van de gebeurtenis aan de Jordaan tot “de kroon en heerlijkheid van Jezus’ werk” niet ontoelaatbare verdraaiing van de feiten zoals ze in Filippenzen 2:5-11 beschreven zijn?
Laten wij God eren op een Hem welgevallige wijze met eerbied en ontzag,
want onze God is een verterend vuur” (Hb 12:28-29)

 

E. Nannen, november 2013

 

 

 


[1]
Andres Murray: De Geest van Christus, uitgeverij Hoenderloo in samenwerking met Stichting “Vuur”, z.j.,  pag. 202-208.