III  Jezus’ verzoekingen 

III.1. Jezus’ verzoeking (beproeving) door de duivel in de woestijn (Mat 4:1-11).

Jezus, de tweede Adam, werd door de Heilige Geest (niet: door de satan!) naar de woestijn geleid om verzocht (op de proef gesteld) te worden door de duivel. Voor de zichtbare en onzichtbare wereld moest al aan het begin van Jezus’ openlijke dienst op aarde openbaar worden dat Hij God, de Vader, en Diens Woord eerde door gehoorzaamheid – tot de dood toe, ja tot de dood aan het kruis (Fil 2: 8).
In tegenstelling tot vele christenen in hun ‘bevrijdingspastoraat’ of bij hun zogenaamde ‘geestelijke strijd tegen de satan en demonen’ was het niet de Here Jezus die een ‘oorlog’ tegen de satan begon, laat staan dat Hij hem met eigen woorden verbaal trachtte te overwinnen. Jezus’ enige wapen – zelfs tegen satans misbruik van de Schrift in – was Gods gezaghebbend Woord zelf: “Er staat geschreven”– tot drie keer toe (Mat 4:1-11). De juiste Schriftplaatsen kon de Here citeren, omdat Hij thuis was in de Schriften!

Uit deze verzoeking blijkt dat de satan de Bijbel goed kent, maar teksten uit hun verband rukt en verdraait. Daarom houdt hij van een ‘dialoog’, juist ook over religieuze zaken. Maar zowel het woord als ook de praktijk van dialoog komen in de hele Bijbel niet voor! De Here Jezus gaf zijn apostelen dan ook nooit de opdracht ‘dialogen’ te voeren, maar om Zijn getuige te zijn (Hand 1:8). Dat is dus ook voor ons en onze tijd een duidelijk bevel, waarin de Bijbel als één van de vele religieuze boeken word voorgesteld, die allen ‘gelijke rechten’ hebben. De Bijbel is echter de enige goddelijke, objectieve waarheid, waaraan alles getoetst moet worden.

 III.2. Jezus’ verzoeking door Joodse geestelijke leiders

Voortdurend trachtten overpriesters, schriftgeleerden, Farizeeën en Sadduceeën Jezus in een val te lokken om Hem te kunnen veroordelen en zo de mond te snoeren. Zij deinsden er niet voor terug om daarvoor ook telkens weer Jezus Christus bij zijn onderricht te interrumperen.
Vooral het evangelie naar Johannes laat de botsingen tussen de Joodse leiders en de Here Jezus zien – dat zelfs ca. een halve eeuw na Zijn Hemelvaart en ca. 15 jaar na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem geschreven is. In geen ander evangelie staat zo vaak de uitdrukking “de Joden”.

Enkele schriftgeleerden en Farizeeën trachtten Jezus te verleiden om uit Zichzelf buiten het bevel van de Vader een teken te doen. De verzoeking was groot dat door een wonderteken in plaats van door Zijn Woord en leven de Joodse leiding in de Here Jezus zou gaan geloven (Mat 12:38-42). Maar Bijbels geloof komt nu eenmaal uit het Woord – niet: uit een wonder of ervaring (Joh 12:37; Rom10:16-17; Jes 53:1;6:10). Daarom verkondigde Paulus “het woord van geloof” en niet: een ‘woord van wonderen’ of van gevoel (Rom 10:8).
Daarna kwamen Farizeeën en Sadduceeën tot de Here Jezus om Hem te verzoeken “een teken uit de hemel te tonen”. Na een raak antwoord zei de Here Jezus tot hen: “Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, en het zal geen ander teken ontvangen dan het teken van Jona”. In aansluiting daarop waarschuwde Hij Zijn discipelen: “Ziet toe en wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën en Sadduceeën” d.i. “voor hun leer” (Mat16:1-12).
Weer kwamen  Farizeeën om de Here Jezus te verzoeken, nu met een vraag of echtscheiding geoorloofd is (Mt 19: 1-12). Ook overpriesters en oudste mengden zich in de kritiek toen de Here Jezus de tempel reinigde van handelaren, geld en dieren: “Wie heeft u deze bevoegdheid gegeven?” (Mat 21:23-27). Hoe durfde Jezus zoiets te doen zonder hun toestemming!
Na de gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal “gingen de Farizeeën heen en beraadslaagden, hoe zij Hem in een strikvraag konden vangen”. Jezus, ”hun valsheid doorziende”, reageerde: “Wat verzoekt u Mij, huichelaars …” (Mat 22:15-22). Nog diezelfde dag kwamen enkele Sadduceeën en “ondervroegen Hem” wat betreft de opstanding, die zij ontkenden. Jezus’ antwoord was zo treffend dat “de scharen, die dat hoorden, versteld stonden over zijn leer” (Mat 22:23-33).
Velen hebben ergens over Jezus’ antwoord op de vraag van een Farizeeër gehoord wat “het grootste gebod in de wet ” is. Niet dat hij oprecht naar een antwoord zocht; hij kwam tot Jezus om Hem “te verzoeken”, op de proef te stellen! De vraag was dus bedoeld als een strikvraag.
Aangezien de vraag een gebod uit de wet van Mozes gold, antwoordde de Heer met een gebod uit deze wet. Het was dus niet Zijn gebod! Het is dus beslist onjuist hier te beweren: ‘Jezus leerde ons …’.

Onze nieuwe historische basis voor liefde.
Sinds Jezus’ komst en werk op aarde is de basis van liefde tot God en tot elkaar volkomen veranderd. “Hierin is
de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een zoenoffer voor onze zonden” (1Joh 4:9-10). Nieuwe basis is dus Gods Offerliefde, Zijn Redderliefde in de Zoon.
Onze nieuwe maatstaf: De Here Jezus zegt: “Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb”(Joh 13:34-35; 15:12,17; 1Joh 3:23). Dat is dus een streep door de oude maatstaf van onze aangeboren eigenliefde, waar mede daardoor er “in de laatste dagen zware tijden” zijn (2 Tim 3:1).

Ook in het evangelie naar Lukas lezen we over verzoekingen van de Here Jezus. Zo “letten de schrift-geleerden en de Farizeeën op Hem of Hij op de sabbat genas, om een aanklacht tegen Hem te vinden” (Lk 6:6-11;13:10-17;14:1-6). En na Jezus’ pittige ontmaskering van de Farizeeën en schriftgeleerden, begonnen deze Hem heftig aan te vallen en Hem over vele dingen uit te vragen Hem een strik spannende om Hem te vangen in iets, dat Hij Zich zou laten ontvallen” (Lk 11:37-54).
De schriftgeleerden en Farizeeën brachten een overspelige vrouw naar de Here Jezus, zoals Johannes vermeldt, “om Jezus te verzoeken (op de proef te stellen) opdat zij iets hadden om Hem aan te klagen” (Joh 8:1-11). Anders dan in dit geval ging het onder de wet om een ondertrouwd meisje dat nog maagd is (Deut 22:23-24).
 
“U bent het, die steeds bij Mij gebleven bent in Mijn beproevingen” zei de Here Jezus tot zijn discipelen (Luk 22:28). Heel bijzonder is hun trouw aan hun Meester bij alle kritiek, smaad, haat, geraffineerdheid van de kant van hun Joods-geestelijke overheid. Zeker verhoring van Jezus’ gebed voor hen! (Joh 15:18,21; 17:14).

 III.3. Jezus’ verzoeking door Zijn discipel Petrus (Mat 16:15-25)

Op de vraag, wat “de mensen zeggen, dat de Zoon des mensen is”, waren alleen namen van mensen genoemd. Maar op Jezus’ vraag aan Zijn eigen discipelen: “Wie zeggen jullie, dat Ik ben?”, antwoordde Petrus: “U bent de Christus (de Gezalfde), de Zoon van de levende God”. Precies dat antwoord vond de Here het juiste aanknopingspunt om Zijn discipelen komend  Zijn lijden, dood en opstanding in Jeruzalem te onthullen, zij het deze eerste keer nog zonder alle details.
Wel had de Here Jezus al in het algemeen over de ”afbraak en opbouw” van de tempel van Zijn lichaam gesproken (Joh 2:18-22) en over de verhoogde slang in de woestijn als verwijzing naar Zijn kruisdood (Joh 3:14-16). Wel had Jezus zelf voortdurend Zijn zoendood aan het kruis voor ogen gehad, het was immers “het gebod van de Vader”, waaraan Hij gehoorzaam wilde zijn (Joh 10:17-18; Hb 10:5-7).
Maar in de geloofsbelijdenis van Petrus op grond van Gods openbaring zag de Here het juiste moment om met Zijn discipelen over Zijn komend lijden en sterven te spreken. Daarvoor had Hijzelf al een volkomen “Ja, Vader” – maar zijn discipel Petrus bleek een volkomen ‘nee Here’ te hebben. Het is immers menselijk niet te vatten, dat Gods Zoon niet door bv. sluipmoordenaars, maar uitgerekend door de Joods-geestelijke leiding, door de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden gedood zou worden. En dat het zelfs in Jeruzalem moest plaatsvinden.
Bovendien, God straft toch alleen schuldige mensen? Zeker kenden de discipelen Jesaja’s profetie over de lijdende Knecht des Heren: “Om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf .. was op Hem” (Js 53:5). Maar algemene, verstandelijke Schriftkennis betekent nog geen geestelijk inzicht in de concrete situatie en evenmin concrete toepassing. Herkennen wij ons daarin?

Opnieuw trachtte de satan de Here Jezus te verzoeken – uitgerekend door een trouwe discipel – om de onontkoombare zoendood aan het vloekhout te ontlopen. Afwijzing van het kruis is afwijzing van het Lam van God, dat de zonde der wereld wegneemt” (Joh1:29). Een theologie van de heerlijkheid (theologia gloriae) blijkt vijandschap van de theologie van het kruis (theologia cruxis) te zijn en dus vijand van Gods uitdrukkelijke wil. Geldt dat niet ook voor de innerlijke instelling van veel discipelen van Christus nu? Volgen zij de Here Jezus, het geslachte Lam “als lammeren temidden van wolven”? Lezen wij niet in het nieuwe Jeruzalem over de troon van God en van het Lam en Zijn slaven[1], die Hem, het Lam Gods zullen dienen en zullen heersen” (Op 22:3-4)?
 

III.4. Onze Hogepriester, Jezus – beproefd als wij

“Wij hebben een grote Hogepriester …, Jezus, de Zoon van God”, die met onze zwakheden kan mee voelen”. Onze Hogepriester is “in alle dingen op gelijke wijze verzocht geweest, maar: zonder te zondigen (Joh 7:18; 8:46; 2Kor 5:21; 1Pe 2:22; 1Joh 3:5). Laten wij dáárom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen op de juiste tijd” (Heb 4:14-16; 2:18).

 *  Petrus, Johannes en Jakobus  – verzocht in Getsemane (Mat 26:36-41)
Toen (daarop) ging Jezus met hen (zijn discipelen) naar een plaats genaamd Getsemane. Vlak voor Zijn gevangenneming en kruisdood wilde de Here Zichzelf innerlijk biddend daarop voorbereiden. Hij wilde bovendien met de Schrift Zijn discipelen voorbereiden op de komende ernstige gebeurtenissen: “In deze nacht zult u allen struikelen (aan Mij aanstoot nemen). Want er staat geschreven …” (Zach 13:7). Daarop reageerde alweer Petrus afwijzend, niet alleen op de Here, zoals in Matteüs 16, maar ook op Gods Woord: “Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit!”. Alle medediscipelen achtte Petrus daartoe in staat, maar zichzelf  “nooit”.
Van de elf discipelen nam Jezus ook nu uitgerekend Petrus mee, evenals Johannes en diens broer Jakobus.
 
Johannes en Jakobus hadden andere plannen voor de toekomst dan Jezus. Na Jezus’ (volgens Markus) vierde (!) lijdensaankondiging kwamen deze beide broers tot hun Meester en verlangden van Hem dat zij de één aan Jezus’ rechterkant en de ander aan zijn linkerkant in Zijn heerlijkheid zouden mogen zitten. Hadden zij niet al eens, samen met Petrus, een blik in Jezus’ heerlijkheid mogen slaan? (Mat 17:13). Maar hadden deze discipelen toen al hun oren bewust voor het moeten van Jezus’ lijden toegestopt, waarover Hij onmiddellijk na Zijn verheerlijking op de Berg sprak (Mat 17:13)?

Ook nu weerden zij zich innerlijk tegen de boodschap van het lijden en droomden zij van heerlijkheid zonder kruis. Maar Gods weg gaat alleen door sterven tot vrucht (Joh 12:24), door lijden tot heerlijkheid, door kruis tot kroon (Lk 24:26). Wanneer wij dat “moeten” verstaan, pas dan gaan ogen, hart en mond open voor Gods genade in Jezus Christus: “De genade van God is verschenen, reddend voor alle mensen Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te kopen van alle wetteloosheid …” (Titus 2:11-14).

Was niet hun vleselijke reactie op Jezus’ lijdensaankondigingen een welkome valstrik voor de verzoeking van de duivel om ook nu zich af te sluiten voor Jezus’ kruislijden door letterlijk de ogen te sluiten? Hoewel de Here Jezus hen gevraagd had: “Waakt met Mij” vond hen “slapende” (vers 43).[2] “De geest is wel gewillig, maar het (eigen) vlees is zwak”. Het vlees van de mens is zelfs vijandschap tegen God, tegen Zijn uniek heilsmiddel (de Zoon), tegen Zijn exclusieve heilsweg (het kruis), tegen “uit genade alleen” en tegen het kanaal: “uit geloof alleen”! Vgl. Rom 8:5,7,8; Fil 3:18-19.
 
“Waakt en bidt dat u (discipelen!) niet in verzoeking komt” (Mat 26:41; Mk 14:33-38). Er is geen ander evangelie dan het evangelie van God over Zijn Zoon, het Lam van God (Rom 1:1-4,16; Fil 2:5-11).[3]
 

 IV  Vroege verkondigers van het evangelie der genade

 IV.1.  De apostel Paulus en beproevingen

Als geen ander wist de apostel Paulus over verdrukking mee te praten: “dienende de Here met alle nederigheid, onder tranen en beproevingen die mij overkwamen door de aanslagen der Joden” (Hand 20:19; ook 2Kor 11:23-29).). Bijzonder, dat Paulus niet verbitterd geworden is, geen haat – laat staan wraakgevoe-lens kende. Hij is ons tot voorbeeld hoe hij in de gezindheid van de Here Jezus “het Lam volgde op de voet”.
Paulus concludeerde zelfs: “Wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten dat de verdrukking volharding uitwerkt en de volharding beproefdheid en de beproefdheid hoop; en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde van (niet: tot!) God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest die ons gegeven is…” (Rom 5:3-6).

Wel was zijn lichamelijke toestand (ziekte) tijdens zijn evangelie verkonding blijkbaar “een verzoeking” voor de gelovigen in Galatië, toen hij daar voor het eerst was. Zijn ziekte was een toetsing voor de Galaten of zij hem en zijn boodschap zouden verachten en verwerpen (Gal 4:12-14; 2Kor 12:6-10). Feit is toch: “de mens ziet wat voor ogen is”. Of dachten de Galaten misschien dat een evangelist (een christen) ‘niet ziek’ hoeft te zijn? Zij bleven echter niet bij uiterlijkheden en Bijbelverdraaiingen staan. Zij namen Paulus “als een bode van God” aan, evenals zijn verkondiging van het evangelie.

 IV.2.  De apostel Petrus en beproevingen

Petrus, ‘ervaringsdeskundige’ wat betreft verzoeking (beproeving), schreef “de vreemdelingen in verstrooiing”: ”Verheugt u in de onvergankelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u …ook al wordt u nu voor korte tijd (gemeten aan de eeuwigheid!) bedroefd door allerlei beproevingen, opdat de echtheid van uw geloof kostbaarder dan vergankelijk goud,  dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijken te zijn bij de openbaring van Jezus Christus” (1Pe 1:3-9).

En als “getuige van het lijden van Christus” schrijft hij: “Geliefden, laat de vuurgloed (van de verdrukking, vervolging) die tot beproeving (Gr. peirasmos) dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds zou overkomen. Integendeel, verblijdt u naarmate u deel hebt aan het lijden van Christus, opdat u ook…”(1Pe 4:12-14; 1:6-7; vgl. Jes 48:10; Ps 66:10-12).

 IV.3.  Jakobus en beproevingen

Jakobus helpt ons zeer met zijn inzicht en bemoediging in verband met beproevingen: “Houdt het voor enkel vreugde …wanneer u in velerlei beproevingen geraakt (valt). Want u weet dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt. Maar die volharding moet wel volkomen doorwerken, zodat u volkomen en onberispelijk bent” (Jak 1:2-4).
Jakobus maakt hiermee duidelijk dat de gelovige het “vallen in velerlei beproevingen” niet zelf veroorzaakt heeft. In tegenstelling tot hen die “godsdienst als iets winstgevends beschouwen” en “rijk willen worden”. Zij vallen in verzoeking, in een strik en in vele dwaze en schadelijke begeerten …” (1Tim 6:3-10).
Jakobus waarschuwt voor misverstanden: “Laat niemand als hij (tot zonde) verzocht wordt zeggen: Ik word van Godswege (tot zondigen) verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking. Maar zo vaak als iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte …” (Jak 1:13-15).

 Apollos – “in Christus beproefd”

Dat is niet het getuigenis van Apollos over zichzelf, maar de beoordeling van niet minder dan de apostel Paulus (Rom 16:10). Beproefd in goede tijden, beproefd in moeilijke tijden. Op zijn echtheid “door vuur beproefd geloof, kostbaarder dan vergankelijk goud tot lof en heerlijkheid en eer bij de openbaring van Jezus Christus” (1Pe 1:7).
 De gemeenten in Macedonië waren:“beproefd in veel verdrukking” (2Kor 8:2). Waren er misschien daarom in de gemeente in Korinte zoveel problemen, omdat zij geen verdrukking kende? Waarschuwde niet de apostel Paulus: “Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle” (Rom 10:12)?
 
Is het niet de hoogste tijd om eerst onszelf en dan ook onze medechristenen, jong en oud, voor te bereiden op beproevingen, verzoekingen en lijden ter wille van Jezus en het onvervalste evangelie? En deze dan in Bijbels licht te plaatsen?

Waar vinden wij thema’s als ’opwekking’ in de brieven van het Nieuwe Testament, die toch speciaal aan de Gemeente van Christus geschreven zijn? Wanneer Jezus Christus, het Hoofd van Zijn Gemeente, de Zijnen op verdrukking voorbereidt – evenals de apostel Paulus deed – hoe durven wij, Zijn leden, dan iets anders verkondigen?[4] Verzoeken wij daarmee eigenlijk niet de leden van de Gemeente, zoals Petrus eens haar (toekomstig) Hoofd verzocht (Mat 16)?
Met de beproeving ook draagkracht en uitkomst” (1Kor 10:13; 2Pe 2:9).[5]  Verzoekingen en beproevingen moeten wij niet onderschatten, maar ook niet overschatten. Paulus zet ze in het juiste, Bijbelse licht:

“U hebt geen bovenmenselijke beproeving te doorstaan. En God is getrouw (1:9), die niet zal toelaten
dat u boven vermogen beproefd wordt; want Hij zal met de beproeving ook voor de uitkomst zorgen,
zodat u haar kunt doorstaan (uithouden)”!

 

Els Nannen, januari 2015

 



[1] lijfeigenen (Gr. doulos) 1Kor 6:19-20; 7:22
[2] Gr. katheudoo: (bewust) slapen. Vgl. 1Tes 5:6,7,10. In tegenstelling tot Gr. koimasthai: (onopzettelijk) in slaap
vallen, ontslapen, o.a. Hand  7:60; resp. 12:6; 1Kor 11:30;15:6,18,20;1Tes 4:14
[3] 1Kor 1:18-19,23-25; 2:2; Gal 3:1; 6:14; Kol 2:13-15; Hand 4:12!
[4] Joh 16:33; Hand 14:23; 2Kor 1:5-6; Fil1:29; 1Tes 3:3-3; 2Tim 1:8; 2:3; 3:12; 4:5; 1Pe 5:10
[5] Ps 34:19-20; 37:39-40; 66:10-12; 91:15; Job 5:17-19