Beproevingen, verdrukkingen en lijden – Wat zegt de Bijbel?

 De Bijbel spreekt enerzijds over beproeven, toetsen, op de proef stellen[1] en over beproeving als test enanderzijds over verzoeken om te verleiden en verzoeking, verlokking..De satan wordt “de verzoeker” genoemd[2] (Mt 4:3; 1Ts 3:5). Probleem is dat dit ene (werk)woord beide kan betekenen. Het verband laat zien of het om verzoeking gaat of om beproeving. Ook moeten wij altijd Schrift met Schrift vergelijken.[3]

Er zullen nog tijden van beproeving van ons geloof en onze trouw op ons afkomen. Het is hoogste tijd dat wij onszelf en anderen daarop voorbereiden door ons serieus af te vragen: Wat zegt de Bijbel over verdrukking en beproeving? Gods Woord is immers de enige autoriteit en maatstaf – niet wat mensen in het openbaar of in tijdschriften en boeken beweren. Wanneer we oprecht de Bijbel over beproevingen bestuderen, zullen we ons moeten afkeren en ons denken laten reinigen van alle verkondiging van succes, rijkdom en gezondheid enz.
Moeten wij ons misschien ook ter harte nemen, waartoe de apostel Paulus de gemeenteleden in Korinte opriep: “Stel uzelf op de proef of u wel in geloof bent, onderzoekt uzelf of u in (levend) geloof staat. Of bent u niet zo zeker van uzelf dat Jezus Christus in u is? Want anders bent u afgewezen” (2Kor 13:5; Rom 8:9; 1Kor 9:27).[4] Dan zoekt Gods tegenstander mogelijkheden om te verzoeken. Wie is dan daartegen bestand?

I   God beproeft de Zijnen

I.1. God beproeft Zijn kinderen altijd ten goede, al lijken Zijn wegen en middelen van beproeving ons soms erg moeilijk en haast onbegrijpelijk, zoals ziekte, zwakte, verdrukking, onrecht (zoals bij Jozef), smaad, lijden, Zijn kastijding.[5] Voor degenen die God liefhebben moeten echter alle dingen ten goede meewerken opdat Gods heilig doel met Zijn kinderen bereikt wordt: de omvorming van hun karakter en reacties in de gezindheid van Zijn Zoon, het Lam van God (Rom 8:28-29; Fil 2:5-8; Joh 13:15; Rom15:1-3).
God beproeft ook de Zijnen opdat zij tot inzicht komen in wat er in eigen hart leeft en daardoor tot oprecht berouw tegenover Hem komen (Hand 13:19; 2Kor 7:9-11). Zij kunnen immers alleen belijden en zodoende vergeving ontvangen, wanneer door Gods Woord hun ogen voor zichzelf geopend worden (Hand 26:18-26; 1Joh 1:9). Zij kunnen ook alleen onbijbels of door een dwaalleer besmet denken en doen afleggen (2Kor7:1) en geestelijk verdiept worden, wanneer zij daarvoor een open oog krijgen.

I.2.  De satan verzoekt de mens, ook de christen (Mat 22:35; 26:1). Gods tegenspeler en vijand verzoekt altijd om de mens van God, van Zijn Woord en Wil af te trekken, hem in een valkuil te lokken, hem een strik te spannen, vooral een christen (Rom 5:12-13; Dt 13:5; 2Kor 11:1-4; 1Ts 2:14-16). Hij kan daartoe zelfs (vrome) mensen uit de eigen gelederen en familieleden misbruiken.[6]

Duidelijk is dat Gods vijand nooit op eigen houtje een gelovige kan verzoeken. God staat boven zijn vijand, Hij moet een verzoeking toelaten, zoals bij Job en de apostel Petrus. Bovendien, wat de duivel ten kwade bedacht heeft, kan God zelfs weer ten goede gebruiken (Job 42:1-6,12-17; Fil 1:12-14!).

Aan de andere kant moeten wij zó dichtbij en met de Here Jezus leven en Gods Woord kennen, dat wij een verhindering van bijvoorbeeld een bepaalde dienst leren onderkennen als komende van de tegenspeler die ons daaraan wil trachten te verhinderen. Decennia geleden vertelde een prediker in Oost Europa dat het opvallend was hoe hij bijvoorbeeld door familie omstandigheden zoals ziekte dreigde verhinderd te worden om de afgesproken dienst (een Bijbelstudieweek of evangelisatie) elders in het land te doen. Uitgaande van de belofte in Jakobus 1:5 bad hij dan om wijsheid en zei: ”Here Jezus, als deze verhindering van U komt, neem ik deze uit Uw hand. Is het echter de vijand die deze diensten verijdelen wil, dan bid ik U dat U hem afwijst. Uw wil alleen geschiedde.”
 

I.3. Verzoekingen door de eigen ‘oude mens’

Van Israël in de woestijn wordt gezegd: ”Zij bleven verder tegen Hem (God) zondigen …zij verzochten God in hun hart” (Ex 17:7; Ps 78 17-19;106:14-15).

En Jakobus verheldert: “… zo vaak iemand verzocht wordt, kom dat uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte. Daarna, is die begeerte bevrucht, baart zij zonde, en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort” (1:13-17; vgl. ook Gal 6:7-8).
Paulus waarschuwt: “Wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schandelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want een wortel van alle kwaad is de geldzucht. Doordat sommigen daarnaar haken, zijn deze van het geloof afgedwaald en hebben zichzelf met vele smarten doorboord” (1Tim 6:8-12).
De apostel Petrus moest al kort na het Pinksterfeest in de gemeente in Jeruzalem Ananias ondervragen:
“Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld om de heilige Geest te bedriegen en iets achter te houden van de opbrengt van het stuk land?”, dat zij verkocht, maar slechts een deel daarvan voor de dienst van de apostelen afgegeven hadden (Hand 5:1-11). Dat bedrog moest Ananias met de lichamelijke dood bekopen. Evenals zijn vouw die loog wat betreft de verkoopprijs. Dat was een “verzoeken van de Geest des Heren”, die “de Waarheid” in Persoon is.
De Bijbel openbaart dat ieder mens zelf leugenachtig is (Rom 3:4). De satan is echter de leugenaar van den
beginne (Joh 8:44). Zo zoekt hij een aanknopingspunt bij ‘de oude mens’- ook in de gelovige. Het echtpaar Ananias en Saffira is er een voorbeeld van.
“Wanneer iemand op een overtreding betrapt wordt, help u die geestelijk bent, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; u zou ook zelf eens in verzoeking kunnen komen” (Gal 6:1; zie ook 1Tes 5:14-15; Jak 6:19-20). Niemand kan van zichzelf garanderen dat hij nooit verzocht zal worden.

1.4. Gods’ recht om de mens te beproeven – juist ook Zijn kind

God is niet alleen Schepper, maar ook Wetgever en Rechter (Jak 4:12). God heeft het recht om de mens, als eerste Adam, in zijn instelling ten opzichte van Hem en Zijn Woord (gebod, verbod, Gen 2:15-17) te toetsen.  Liefde van de mens, Gods schepsel, moet zich uiten in respect voor zijn Schepper en in gehoorzaamheid aan Zijn Woord. Helaas heeft Adam deze toets in het paradijs niet doorstaan. Hij is ongehoorzaam tegenover zijn Schepper en diens Woord geworden  – met alle consequenties van dien voor het menselijke nageslacht (Rom 5:12e.v.; 6:23a; Hb 9:27). Van natuur is nu ieder mens een “kind van de ongehoorzaamheid” en daarom “een kind van Gods toorn”(Ef 2:3; Titus 3:3).

God beproefde Abraham, zijn liefde tot Hem, zijn geloof in Zijn belofte en zijn gehoorzaamheid aan Zijn Woord (Gen 15:1-6; Rom 4:3-5,9-24; Hb 11:17), toen Hij hem de opdracht gaf, zijn zoon “uw enige, die u lief hebt, Isaak, Hem tot een brandoffer te offeren” (Gen 22:1-19; Hb 11:17-19). Abraham doorstond de toets en “het geloof werd hem tot gerechtigheid gerekend” (Gen 15:6; Rom 4:3,9; Jak 2:23).

De heilige God beproefde Israël bij de Sinaï met de “donderslagen en bliksemstralen, bij de klank van de bazuin en rokende berg ook, opdat er vrees, respect voor Hem ”over het  verloste volk zou komen opdat het niet zondigt” (Ex 20:18-21; Dt 4:7-12,33-36). Het volk moest niet denken dat hun uittocht uit Egypte (Ex 12) ‘goedkope genade’ was en God alleen de ongehoorzame Egyptenaren strafte.
Daarom is Gods opdracht na Jezus’ zoendood aan het kruis en opstanding niet alleen de verkondiging van redding uit genade in de Naam van Jezus, maar ook het gericht door Hem (Hand 10:42; 17:31).
 
Israëls woestijnreis –  40 jaar beproeving van eigen hart
Vlak voor zijn dood hield Mozes het volk Israël voor: “Gedenk dan de hele weg, waarop de Here, uw God, u
deze veertig jaar geleid heeft om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was”.
Natuurlijk had niet God veertig jaren nodig om te weten wat in het hart van zijn volk verborgen was (Jer 17:9-10; Spr 21:2). Maar het volk moest door zijn reactie op de diverse beproevingen tijdens de doortocht door de woestijn tot zelfkennis komen en leren beseffen dat God niet alleen genadig is, maar ook heilig (vgl. Ps 119:67,71,75). Gedurende de tijd in Egypte konden ze de omgeving (de Egyptenaren) en de omstandig-heden (het zware werk) de schuld voor verkeerde reacties geven. Maar in de woestijn waren ze alleen met zichzelf en werden ze zonder enige moeite dagelijks door God van voedsel voorzien. Dus ontbrak een ‘zondebok’ buiten de Israëlieten.
God beproefde Israël bij Mara in de woestijn,  evenals bij de voorziening van het dagelijkse Manna uit de
(hemel of het volk zijn God zou vertrouwen en diens inzettingen en verordeningen zou gehoorzamen uit dankbare liefde voor Zijn verlossing (Ex 15:22-27; 16:1-8). Toetssteen van het hart was: Was Gods voorzienigheid met Manna uit de hemel hun genoeg of begeerden zij ‘meer’? – de oerverzoeking in het paradijs: ‘er is méér’.
“Het volk begon te klagen”, hetgeen Gods straf veroorzaakte. Maar blijkbaar had de gezindheid van hun hart al invloed gekregen op “een menigte van allerlei slag” die met het volk Israël meegetrokken was (Ex 12:38). Deze werden “met gulzig begeren vervuld”. Van de weeromstuit  begonnen ook de Israëlieten weer te jammeren: “Wie geeft ons vlees te eten? Wij denken terug aan de vis die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers, de meloenen …Maar nu drogen wij uit, er is helemaal niets, wij krijgen alleen dit man te zien” (Num 11:4-10).
Gods reactie op deze uiting van ondankbaarheid was opmerkelijk: “Zij werden met  lust bevangen in de woestijn en verzochten God in de wildernis. Hij gaf hun wat zij begeerden, maar Hij gaf tering in hun zielen” (Ps 106:14-15). Ondanks dat hun bede “tot zonde werd” (Ps 109:7b; vgl. Spr28:9;1Pe 3:12), verhoorde God de bede met vlees. Misschien dat men daarop Halleluja riep, maar had niet in de gaten dat het ten koste van hun innerlijke verhouding tot God, hun Verlosser, ging!
Bij de pleisterplaats Refidim stelde het volk met zijn ‘waaromvraag’ tegen Mozes (in figuurlijke zin) zelfs God op de proef (Ex 17: 1-7; Ps 95:8-11; Heb 3:7-11).

Hoeveel tijd kost het meestal voor men tot Bijbelse zelfkennis komt, eerlijk voor God en zichzelf wordt en met oprecht berouw belijdt: “Vader, ik  heb gezondigd …”, ik heb uw liefde en genade niet met gehoorzaamheid uit liefde en met dankbaarheid beantwoord. Ik wilde méér (Luk 15:8,21; 2Kor 7:9-11).

Israëls beproeving door welvaart in het beloofde land
Maar niet alleen de reacties van het volk tijdens de moeilijke woestijntocht waren een ‘spiegel voor eigen
hart’. Ook de reacties op voorspoed in het beloofde land zouden zo’n ‘hartspiegel’ zijn: “Neem u ervoor in acht dat u de Here, uw
God niet vergeet … door Zijn verordeningen en inzettingen te verwaarlozen …en uw hart zich niet verheft en u de Here, uw God vergeet, wanneer uw bezit zich vermeerdert … Zeg niet bij u zelf: mijn kracht en de sterkte mijner handen hebben mij dit vermogen verworven …” (Dt H. 8).

Israëls beproeving door valse profeten en dromers
God liet in Israël valse profeten en dromers toe, die een teken of wonder niet alleen aankondigden, maar ook tot stand brachten! Waarom? Om het volk “op de proef te stellen om te weten of u de Here, uw God lief hebt met uw hele hart en met uw hele ziel”. De echte dankbare liefde tot God moet tot uitdrukking komen in gehoorzaamheid aan Zijn Woord:  “De Here, uw God, zult u volgen, Hem vrezen (!), Zijn geboden houden en naar Zijn stem (in het Woord) luisteren: Hem zult u dienen en Hem aanhangen”(Dt 13:1-4).
Moest niet de Here Jezus een keer verwijten: “Wat noemt u Mij Here, Here en doet niet, wat Ik u zeg?”  (Lk 6:46-49;Mt 7:15-23!).

“Heeft ooit een god beproefd te komen om zich een volk te nemen – uit het midden van een ander volk – door beproevingen, door tekenen, door wonderen én strijd, met een sterke hand en een uitgestrekte arm …zoals de Here, uw God, om uwentwil dit alles in Egypte voor uw ogen heeft gedaan? U heb het te zien gekregen, opdat u zou weten, dat de Here de enige God is, er is geen ander behalve Hij”.[7]

II   Dè verzoeker: de satan.

Niet de satan is oorzaak van de zonde van ongehoorzaamheid (de zondeval) van de mens!! Het is Adam zelf. Hij zelf is er daarom volledig verantwoordelijk voor. De mens kan nooit de schuld op de satan afwentelen, zoals Eva deed. God riep als eerste Adam ter verantwoording, omdat Hij hem het gebod gegeven had: “Hebt u van de boom gegeten, waarvan IK u verboden had te eten?” (Gen 3:12). “Het loon van de(ze) zonde van ongehoor-zaamheid is de dood” (Rom 5:14,17a; 6:23; Hb 9:27). Van natuur is daardoor ieder mens een “kind van de ongehoorzaamheid” en daarom “een kind van Gods toorn” (Ef 2:1-3; Titus 3:3).

II.1.  God liet de verzoeking van Job door de satan toe. Deze wilde weten of de godvrezende Job, “de rijkste van alle bewoners van het Oosten” zonder bijbedoelingen “God vreest” (Job H.1en 2).
De apostel Paulus onderkende later dat “velen winst maken uit het woord van God” en deze niet, zoals hijzelf “uit zuivere bedoelingen” het evangelie brachten.[8] Hij moest zelfs de gelovigen in Filippi schrijven dat “sommigen Christus prediken uit nijd en twist… uit eigen belang, met onzuivere bedoelingen om mij de gevangenschap zwaar te maken” (Fil 1:15-17; ook 2Kor 2:17;).
 
II.2.  De Here Jezus liet de satan toe Petrus “te ziften als de tarwe” (Lk 22:31). Dat was nodig om hem tot diepere, tot geestelijke zelfkennis te brengen, om nog meer alles van Gods genade te verwachten (1Pe 1:13).
Door voorbede en genade bewaarde Jezus hem in de verzoeking (niet: bespaarde hem de verzoeking!).

II.3. Satans verzoeking van de Gemeente van Jezus Christus door valse apostelen.
De apostel Paulus was zeer bezorgd om Christus’ gemeente in Korinte die hij met Gods Woord had mogen stichten. Als bruidwerver had hij die gemeente “aan één echtgenoot verbonden om haar als een reine maagd voor Christus”, de Bruidegom van de Gemeente, te stellen. “Maar”, zo vreesde hij, “ zoals de slang met haar sluwheid Eva (de vrouw van de eerste Adam) verleidde,uw gedachten van de eenvoudige toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden”. De ‘dienaren’ van de satan “als lichtengelen” waren pseudo-apostelen  met een aantrekkelijke boodschap van “een andere Jezus .. een andere geest .. een ander evangelie” (2Kor 11:2-4). Deze verzoeking is in onze tijd wereldwijd verbreid. “Waakt en bidt”, vermaande de Here Jezus, “dat u niet in verzoeking komt” geldt terdege ook ons nu (Mat 26:41).

Sinds de dood van Johannes, de laatste apostel, zijn allen die zich apostel noemen, valse apostelen, ook nu!

II.4.  De Here Jezus voorspelde de gemeente te Smyrna dat de duivel sommigen van hen in de gevangenis zal werpen, “opdat u beproefd (getoetst) wordt en u zult tien dagen verdrukking  hebben”. De Here bespaarde die gemeente beproeving (Gr. peirasmos) en verdrukking (Gr. thlipsis) niet, maar bemoedigde om trouw te zijn tot de dood en beloofde “de kroon des levens” (Op 2:8-11; Mat 10:22; 24:9-10; Lk 21:12).

II.5.  De Here Jezus Zelf gaf in de gemeente in Filadelfia “sommigen uit de synagoge van de satan” – Hij bespaarde de gemeente dat niet. Maar “omdat u het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook Ik u bewaren temidden van de ure van de verzoeking (niet: verdrukking!) die over de hele wereld komen zal om hen te beproeven die op de aarde wonen” (Op 3:10).

Een wereldwijde verzoeking zou wel eens een niet te stuiten stroom van vluchtelingen uit landen met een andere cultuur en religie naar het Europa van de Reformatie kunnen worden, zodat een sociaal-religieus evenwicht gaat wankelen door de absolute tolerantie en vrijheid van godsdienst. Moslems bv. zijn trouw aan zowel hun profeet en de Hadith als aan de Koran, die loochent dat Jezus Gods Zoon is en God de Vader van Jezus (1Joh 2:22-23). De ergernis over het goddelijk Zoonschap van Jezus en zijn zoenoffer aan het kruis hebben zich sinds Mohammed tot een regelrechte haat tegen de Bijbelse Jezus en zijn kruis ontwikkeld. Maar de Here Jezus gaf de zekerheid dat “de poorten van de Hades (dodenrijk) zijn Gemeente niet kunnen overweldigen” (Mt16:18).
Al in september 2014 heeft men vastberaden aangekondigd om door te stoten naar Europa. Dan zouden zij echter een unieke kans kunnen krijgen om met discipelen van de Here Jezus in contact te komen, die Hem als “het Lam van God volgen waar het ook heen gaat” en zodoende “kruisdragers”zijn (Lk 9:31; Joh 10:27; 1Pe 2:21; Op 14:4).
Maar dat is nu juist het grootste probleem dat er zoweinig bekeerde, wedergeboren christenen zijn die zichzelf verloochenen, dagelijks hun kruis op zich nemen en Jezus volgen (Lk 9:23; 14:25-27,33). En die ook aan het Bijbelse getuigenis vasthouden: Jezus alléén, de Bijbel als het schriftelijke Woord van God alléén, uit genade alléén en door geloof alléén.
God heeft het recht om te toetsen, op de proef te stellen (Jak 1:2-4; Rom 5:3-5; 1Pe 1:6-7). Dan zal openbaar worden of men zich naar Jezus’ woorden op Bijbelse wijze bekeerd heeft (van…tot…) en dienovereenkomstig werken van berouw gedaan heeft (Hand 26:18-20) of wie alleen een ‘zondaarsgebed’ nagebeden en ‘Jezus aangenomen’ heeft. Immers, men kan alleen in een dergelijke verzoeking als in Filadelfia de gekruisigde en opgestane Jezus,Gods Zoon  trouw blijven, als door bekering en geboorte uit God Christus in de Heilige Geest inwoont (Rom 8:9).

De Here Jezus Zelf immers openbaart in Zijn gelijkenis van de zaaier en het zaad: “De op steenachtige
plaatsen gezaaide is hij die het woord met blijdschap aanneemt; maar hij heeft geen wortel in zich, hij is
iemand van het ogenblik; wanneer echter verdrukking of vervolging komt ter wille van het Woord, komt hij
terstond ten val”, ook door zorgen, rijkdom en alle andere begeerte (Mat 13:18-23; Mk 4:13-20; Lk 8:13).
“De in goede aarde gezaaide is hij, die het Woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig”. En: “Dan weet de Here de godvruchtigen te midden van  (Gr. ek) de verzoeking te redden … “ (2Pe 2:9; Judas 15). De godvruchtigen wordt de verzoeking dus niet per definitie bespaard, wel dat zij er midden tussenuit gered worden.
 
II.6De apostel Paulus schrijft, dat echtparen elkaar niet moeten onthouden dan alleen voor een bepaalde tijd van gebed, ”opdat niet de satan u verzoeke wegens gemis aan zelfbeheersing” (1Kor 7:5).

 
 
Els Nannen, januari 2015
 
 
 


[1] Gr. peirazoo; peirasmos
[2] Gr. ho peirazoon
[3] Wij zijn de Nederlandse vertaling “en leidt ons niet in verzoeking” gewend (Mt 6:12). Maar “God zelf verzoekt
niemand” (Jak1:13)! Hij toetst de echtheid, stelt op de proef, loutert (Gr. dokimazoo, o.a.1Pe 1:6-7; vgl. Jes 48:10).
[4] Hb 3:12-13; Lk 8:11-12-13; Joh 3:36; 1Joh 5:12
[5] Ps 118:13-14,18,21; 119:67,71,75; Jes 26:16; Heb 12:2-3,7-11; Kol 3:12-14
[6] Dt 13:12-13-14; vgl. Mt 24:5,24-25; Hand 20:30; 2Kor 11:2-4,13-15; 1Joh 2:18-23; 3Joh 9-11
[7] Dt 4:34-35, 39; 6:4;7:9; Jes 43:10; Mk 12:32; 1Kor 8:4
[8] 2Kor 2:17; 4:2; 1Tim 6:3-6; Titus1:10-16; Rom16:17-18