Uit Gods hand  –  in Gods hand

Naar de vreedzame gemeente in Filadelfia (Ned. “broederliefde”) komen, zo zegt de Here Jezus in Openbaring 3:9, sommige mensen “uit de synagoge van de satan”. Wat zullen deze mensen wel in de school van hun leermeester hebben geleerd? De satan of duivel (diabolos of ‘in de war gooier’) richt dáár verwarring, tweedracht en chaos aan, waar hij maar ingang vindt. Ook dat zullen zijn leerlingen van hem geleerd hebben. Die arme gemeente van Filadelfia, wanneer zulke satansleerlingen komen! Wat zal er dan wel met haar gebeuren?

Heb jij niet ook al eens met ‘satansleerlingen’ te maken gehad? Met mensen die je het leven moeilijk maken? Over wie je geklaagd en gezucht hebt? Vast en zeker ken je ze wel. Je zou wellicht verschillende rustverstoorders met naam en toenaam kunnen noemen. Wat heb jij met hen gedaan? Je hebt je over hen geërgerd en opgewonden, zodat je er ’s nachts niet van kon slapen, niet waar? Ze hebben je immers veel moeite bezorgd.

Ook ik heb dat meegemaakt. Wat hebben zulke ‘satansleerlingen’ aanvankelijk mij het leven zuur gemaakt. Maar toen hielp God mij door Openbaring 3:9 om de juiste houding tegenover hen aan te nemen en niet meer onder die situatie gebukt te gaan, maar er innerlijk boven te staan en mij niet meer over hen op te winden. Wat betekent nu dit vers?

“Zie ….”

De Heer begint met een “Zie”. Wat bedoelt Hij daar mee? We herinneren ons nog wel wat onze onderwijzer op school deed, wanneer hij onze aandacht op zichzelf wilde doen vestigen. Misschien waren we bezig in ons schrift te schrijven of te rekenen, maar nu wilde hij onze aandacht hebben. Daarom tikte hij een paar maal met zijn sleutel of zakmes op het bureau. Dat betekende: “Hierheen kijken”. Aller ogen richtten zich dan op hem. Zo betekent ook het “Zie” in de mond van de Here Jezus zoveel als “hierheen zien”.

Wij begaan namelijk de fout om op de ‘satansleerlingen’ te blijven staren. We kunnen onze ogen helemaal niet meer van hen afwenden. Steeds weer moeten wij ons met hen bezig houden – en ons over hen opwinden. In die situatie nu roept de Heer ons zijn “Zie” toe: Jullie moeten niet op de ‘satansleerlingen’ zien, maar op Mij! Ik wil jullie een raad geven wat jullie met die ‘satansleerlingen’ moeten doen!

Uit Gods hand

En dan volgen twee belangrijke woorden: “Ik geef”. Wie geeft dus ‘satansleerlingen’? Het is de Heer Zelf die ze geeft. Kan het iets slechts zijn, dat de Heer geeft? Wij zingen toch: “Wat God doet dat is welgedaan”? Dus dan moeten de ‘satansleerlingen’ toch iets goeds betekenen: zij moeten ons een dienst bewijzen in de naam van God.

Welk doel kan de Heer dan met deze ‘satansleerlingen’ hebben? Het antwoord staat in Romeinen 8:28-29, waar de apostel Paulus schrijft: “Wij weten echter dat God alle dingen doet meewerken ten goede voor hen die God liefhebben. Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon.” Hoe zag dat beeld van Gods Zoon er op aarde dan uit?

Steeds weer wordt de Zoon van God voorgesteld als het Lam, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. De profeet Jesaja vergeleek de Heer met “het Lam dat ter slachting wordt geleid” (Js 53:7). Johannes de Doper noemt Hem “het Lam dat de zonde der wereld wegdraagt” (Joh 1:29, 36). De apostel Petrus tekent Hem als een “onberispelijk en vlekkeloos Lam” (1Pe 1:19). De grote schare uit alle volken die niemand tellen kon, stond voor de troon en voor het Lam …en riep met luider stem: “De redding is van onze God, die op de troon gezeten is, en van het Lam”(Op 7: 9-10). In de hemel wordt “het lied van het Lam” gezongen dat door alles heen klinkt: “Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof” (Op 5:12-13).

Naar dit beeld van het Lam nu moeten wij veranderd en omgevormd worden. En daartoe gebruikt God “alle dingen”, in het bijzonder ook ‘satansleerlingen’.

Indien alle mensen lief en vriendelijk tegenover ons zouden zijn, dan zou nooit het beeld van het Lam in ons gestalte krijgen. Juist deze onruststokers, de onaangename chef, de moeilijke collega’s, de luie ondergeschikten, de boze buren en wie het verder ook mogen zijn, heeft de Heer daarvoor nodig. Ik houd van een gedichtje van Gerhard Tersteegen:

Wat gaat ’t mij aan, wat deez’ of gene doet,
men tegen mij zich keert en woedt?
Mijn doen goed zij, sta ik maar als een wachter,
word ik maar klein, word ik maar zachter –
dan schure ieder wat hij kan:
God geeft’t en leidt – ‘k bemin de man

Een (aan)klager

Jaren geleden kreeg ik eens bezoek van een onderwijzeres. Zij klaagde steen en been over haar schoolhoofd. Ik zou mij niet kunnen indenken, wat dat wel voor een man is. Hij duldt ten opzichte van het hele schoolsysteem geen enkele andere wil dan alleen de zijne. En men kan het hem nooit naar de zin maken. Wat voor moeite zij er ook voor doet om bij de inspectie haar beste beentje voor te zetten – altijd heeft hij wel wat om op te vitten en over te mopperen. Heel breedvoerig zong zij haar klaaglied over haar schoolhoofd voor en ik heb haar geduldig aangehoord. Toen zij eindelijk uitgesproken was, verwachtte zij dat ik haar zou troosten omdat zij met zo’n man moest samenwerken.

Maar in plaats daarvan overviel ik haar met de vraag: “Hebt u God al voor uw schoolhoofd gedankt”? Zij herhaalde het laatste woord met een langgerekte ‘a’: “Gedááánkt? Voor zo iemand dank je toch niet!” Ik antwoordde: “Maar dat staat toch in de Bijbel!” “Waar staat dat?” vroeg zij? Ik antwoordde: “Bijvoorbeeld in Efeziërs 5:20: “Dankt te allen tijde voor alles God, de Vader, in de naam van onze Here Jezus Christus”! En het staat ook nog eens in 1Tes 5:18: “Dankt onder alles, want dat is de wil van God in Christus Jezus ten opzichte van u!” “Staat dat dan in de Bijbel?” vroeg zij? “Jawel, dat staat er in! Hebt u dat dan nog nooit gedaan?”. “Nee, ik moet eerlijk toegeven dat die gedachte nooit bij mij opgekomen is”.

Ik reageerde: “Daarover verwonder ik me zeer. U bent toch al lang gelovig?” Dat beaamde zij. “Nu, dan wordt het tijd dat u heel serieus op Gods Woord leert in te gaan. Ziet u, toen u mij uw klachten over uw Hoofd uiteenzette, heb ik u een beetje zitten bestuderen. Waarom vindt u dat zo onaangenaam dat uw schoolhoofd geen andere wil duldt dan de zijne? Niet waar, u wilt graag dat u ook eens een beetje uw eigen wil kunt doorzetten?” Zij knikte. “ En waarom vindt u dat zo naar dat u het er bij de schoolinspecties niet met een tien afbrengt, zoals u dat graag zou willen? Niet waar, u zou zo graag willen dat u – ik wil niet zeggen ‘als de beste’, maar dan toch als één van de beste leerkrachten zou worden gewaardeerd?” Weer knikte ze.

Ik vervolgde: “Ziet u, er steekt nog zo allerlei van de ‘oude mens’ in u: lichtgeraaktheid, stijfkoppigheid, eerzucht enz. Nu heeft God in zijn genade dit schoolhoofd in uw leven toegelaten om u dat te laten zien, opdat u daarvan vrij wordt. Zo is dit schoolhoofd uw opvoeder, uw weldoener. U hebt de fout begaan door naar hem te blijven kijken in plaats van hoger op naar de Heer die hem in uw leven heeft geplaatst om u door middel van hem op te voeden en om te vormen in het beeld van het Lam. Daarvoor moest u God toch dankbaar zijn!”

Zij zweeg een ogenblik, maar God gaf genade voor dit gesprek. Zij leerde om niet meer op het schoolhoofd, maar op de Here Jezus te zien en Hem te allen tijde en voor alles te danken.

Na een tijdje schreef ze mij een brief: “Stel u voor, ik heb een heel nieuw schoolhoofd gekregen.” In werkelijkheid was hij nog steeds het oude schoolhoofd die in de vakantietijd wel helemaal niet veranderd was. Eigenlijk had ze geen ander schoolhoofd, maar een paar andere ogen gekregen: Zij zag niet meer op het Hoofd, maar op de Heer. En zij nam deze voor haar zo moeilijke man met dankbaarheid uit Gods hand.

Dat willen wij goed onthouden: Wanneer wij voor de moeilijkheden beginnen te danken, houden wij op om ons daarover te ergeren en op te winden. Werkelijk: Te allen tijde en voor alles danken is een recept tegen ergernis. Probeer het maar eens! Ik heb het gedaan en dit recept als probaat gevonden. Daarom heb ik in mijn Bijbel aan de rand naast Op 3:9 geschreven: “Uit Gods hand”. Wil jij dat niet ook doen? Maar het gaat er niet alleen maar om deze drie woorden er aan de rand bij te schrijven. Het gaat er om dat wij moeilijke mensen en weerzinwekkende omstandigheden uit Gods hand leren nemen en Hem daarvoor danken. Dan gaat men er niet meer onder gebukt; dan klaagt en zucht men niet meer, wanneer men er voor heeft leren danken, men staat er innerlijk boven.

In Gods hand

Er is echter nog een belangrijk aspect van de les in verband met ‘satansleerlingen’. Wanneer wij hen uit Gods hand hebben leren nemen en voor hen God danken, ontstaat de vraag: Wat moeten wij doen? Moeten wij hen aanklagen, een aanklacht tegen hen indienen?

De Here Jezus geeft ons daarop een duidelijk antwoord: “Zie, Ik zal maken dat zij … .“ Opnieuw dus een “Zie”. Wij moeten nòg een keer opzien naar Hem die ons weer iets belangrijks te zeggen heeft. Wij hoeven ons helemaal niet met ‘satansleerlingen’ in te laten. Dat wil de Heer doen! Wij mogen hen aan Hem overlaten. Hij zal met hen klaar komen, want Hij zegt: “Ik zal maken dat zij zullen komen en zich aan uw voeten neerwerpen en erkennen dat Ik u heb liefgehad.” Wij hoeven ons helemaal niet met hen in te laten, wij mogen hen in Gods hand teruggeven. Hij heeft hen gegeven, Hij zal tot hen spreken. En Hij zal het ook maken dat zij om vergiffenis komen vragen voor datgene, wat zij ons hebben aangedaan, omdat zij tot het inzicht gekomen zijn dat God met ons is. Is dat niet een kostbaar voorrecht? Wij hoeven hen er niet toe te bewegen dat zij ons om excuus vragen; dat wil de Heer Zelf doen.

Wat hebben Paulus en Silas ’s nachts in de kerker in Filippi gedaan? Hebben zij het stadsbestuur aangeklaagd, een klacht ingediend? Zij zouden het recht daartoe hebben gehad. Romeinse burgers mochten immers niet geslagen worden. Maar beide ondernamen niets om de heren hun onrecht voor ogen te houden. Dat deed de Heer. Hij sprak tot hen en deed hen van hun onwettig handelen bewust worden. Daarom stuurden zij een boodschap naar de gevangenbewaarder dat hij de gevangenen moest vrijlaten, want het was een vergissing geweest om hen te arresteren en te slaan. Maar de apostel Paulus zei: ‘Zo eenvoudig gaat dat niet. De hoofdlieden hebben ons zonder vorm van proces in de gevangenis geworpen; nu moeten zij zelf komen en zich tegenover ons verontschuldigen, zoals dat betaamt.’ En zij kwamen – de Heer had hen daartoe gebracht.

Indien ik met ‘satansleerlingen’ te maken krijg – en dat komt niet zelden voor – dan geef ik de zaak in de handen van de Hemelse advocaat: “Wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechter hand Gods is, die ook voor ons pleit” (Rom 8:34; Hb 7:25). Hij is mijn advocaat, mijn voorspraak. Hem geef ik de zaak in handen en dan ben ik er van af. Dan kan ik rustig slapen. Het is immers helemaal niet meer mijn zaak, maar Zijn zaak. Hij komt er mee klaar. Geef ook jij je zaak getroost in Zijn hand! Hij zal de rechtszaak voeren.

Getoetst en beproefd

Christus heeft in mijn leven de rechtszaak dikwijls heel wonderbaarlijk gevoerd. Slechts één voorbeeld. In een van mijn vroegere gemeenten was een onderwijzer die ikzelf erheen had geroepen. Deze wilde graag dat ik met hem aan het politieke leven zou deelnemen. Maar ik zag dat niet als mijn taak. Dat ergerde hem. Hij verklaarde dat ik tot de lauwe christenen behoorde die de Heer uit zijn mond zou spuwen (Op 3:16). Hier en daar in de gemeente maakte hij mij verdacht. Hij trok ook zulke broeders van mij af die ik tot Christus had mogen leiden.

Dat was een moeilijke tijd voor mij, want ik had de les uit Openbaring 3:9 nog niet geleerd. Deze zaak heeft mij menige slapeloze nacht bezorgd. Maar ze droeg er ook toe bij om mij inniger dan ooit te voren aan de Heer vast te klampen. Op die manier werd mij deze kwestie toch tot zegen.

Later kwam ik naar diezelfde plaats voor een evangelisatiedienst. Op een dag zat ik in de kamer, waar ik ondergebracht was. Er werd geklopt. Ik riep: “Binnen!”, maar er kwam niemand. Daarom ging ik naar de deur om open te doen. Drie mannen die ik van destijds nog goed kende, stonden voor de deur, snikkend en huilend. Ik nodigde hen uit om binnen te komen en te vertellen, wat hen zo beweegt. De een zei dat hij enige dagen geleden met de onderwijzer had gesproken die mij zo verdacht had gemaakt. Omdat mijn komst op handen was, was het gesprek op mij gekomen. De onderwijzer was zich weer in sterke uitspraken over mij te buiten gegaan. Deze man had mij toen in bescherming genomen en gezegd: “Dat geloof ik echter toch, dat dominee Modersohn in de hemel komt!” De onderwijzer had daarop gezegd: “Dat wil ik u zeggen: als die in de hemel komt, dan wil ik daar niet zijn!”

De man was geschrokken dat die onderwijzer een dergelijke haat tegen mij koesterde. Toen was het hem opeens duidelijk geworden dat ook alle vroegere verdachtmakingen niet waar geweest waren. En daarom stonden deze drie voor mijn deur om vergiffenis te vragen voor het onrecht dat ze mij aangedaan hadden. Vanzelfsprekend vergaf ik hen van harte. Maar toen hadden zij nog een verzoek. Ik moge hun en de andere vrienden toch het bewijs leveren dat ik hen werkelijk vergeven had door voor hen een Bijbelstudie op de mannenvereniging te geven. Ik beloofde het. Dat werd één van de merkwaardigste uren van mijn leven. De deelnemers hadden onophoudelijk gesnikt.

“g.b.”

Toen schreef ik in mijn Bijbel aan de rand “g.b.”. Dat heb ik van een oude schoenmaker geleerd. Telkens als hij een Bijbelse belofte getoetst en beproefd had, schreef hij een “g.b.” aan de rand: “getoetst en beproefd”. Zo heb ik Op 3:9 getoetst en beproefd. De Heer is een Waarmaker van zijn Woord.

Leg ‘satansleerlingen’ getroost “in Gods hand”. Hij zal maken dat zij komen en erkennen dat God aan jouw kant staat. En ook jij zult vroeg of laat aan de rand van je Bijbel kunnen schrijven: ‘Getoetst – beproefd’.

Dat komt niet voor

Twee woorden heb ik van een beeldhouwer, die in mijn eerste gemeente woonde, geleerd die voor mij voor mijn hele leven belangrijk zijn geworden.

Toen ik eens langs zijn werkplaats kwam, werd een tamelijk groot blok marmer uitgeladen. Ik bleef staan en vroeg hem: “Wat wilt u daarmee gaan doen, meneer Schmitt?” Daarop antwoordde hij: “Daar zit een gestalte in. Alleen het vuil moet worden verwijderd!” Met het oog van een kunstenaar zag hij al een figuur in het steen – hij moest alleen het vuil weghakken, het overtollige gesteente, dan kwam een gestalte te voorschijn.

Deze stak er inderdaad in. Al na enkele dagen kon men zien dat er een figuur uit de plompe omtrekken zichtbaar werd. Na weer enkele dagen herkende men al een gestalte die inderdaad uit het steen tevoorschijn kwam.

Fijnheden

“Nu bent u zeker klaar?” vroeg ik meneer Schmitt op een keer? Deze begon daarop te lachen en zei: “Nu begint het pas!” Toen legde hij de beitel ter zijde en nam een kam met ijzeren tanden in zijn hand. “Nu komen de fijnheden aan de beurt”, zei hij. Deze woorden zijn in mijn oren blijven naklinken. Ik heb ze niet kunnen vergeten. Lijken wij gelovigen niet op een dergelijk grof blok, waar een gestalte in zit? Alleen, “het vuil moet weg!” Al dat zondige, zelfzuchtige wezen moet ‘weggehakt’ worden, opdat uiteindelijk het beeld van de Here Jezus Christus naar buiten toe zichtbaar wordt.

Dan neemt de Heer de beitel van verdrukking en lijden om ons van het ‘vuil’ te ontdoen. Had het marmerblok kunnen schreeuwen, dan had men zijn geschreeuw in de hele gemeente hebben kunnen horen. Maar wij kunnen schreeuwen en doen het ook, wanneer de Heer de beitel ter hand neemt om ons te behouwen. Hoe dwaas is dat toch van ons!

Een gedicht zegt:

“Onder lijden prent de Meester
in de harten, in het wezen
Zijn al geldend beeltenis  … “
Laat Hem stil zijn gang gaan.

God wil iets tot lof en eer van zijn Naam uit u maken (Rom 8:28-29)! Verzet u niet, weiger niet. Het zijn slagen uit Goddelijke liefde (Dt 32:39; Job 5:17-18; Spr 3:11-12; Js 38:17; Hb12:5-11; Op 3:19).

Nooit fouten 

Op een keer toen ik weer eens toekeek, vroeg ik de beeldhouwer: “Wat gaat u doen als u iets te hard geslagen hebt zodat er een groot stuk van het marmer afgesprongen is?” Ik wilde graag weten of dan het hele werk tevergeefs geweest was, of hij dan weer van voren af aan moest beginnen of dat er ook middelen bestonden om de schade weer te herstellen. Toen schoof hij zijn korte pijp naar de andere kant van zijn mond en zei: “Dat komt nooit voor!”

Ik liet mij echter niet zo gauw van de wijs brengen en herhaalde dezelfde vraag met andere woorden, ja met nog meer woorden dan de eerste keer. Maar ik kreeg steeds hetzelfde antwoord: “Dat komt niet voor!” Toen ik hem voor de derde keer dezelfde vraag stelde, werd hij onwillig en antwoordde: “Hoe vaak moet ik het u dan nog zeggen? Dat komt niet voor!”

Dat was een preek voor mijn hele leven. Of het bij beeldhouwer Schmitt nooit voorgekomen is, weet ik niet. Wel weet ik: Bij onze God komt het niet voor dat Hij te hard slaat. Hij weet precies hoeveel kracht en nadruk Hij het hakken van Zijn beitel moet geven, precies als het op dat ogenblik nodig is. God hakt er niets van af, wat er niet vanaf moet. Er gaat niets in de vuilniszak wat er niet in hoort.

Ach, hoe vaak hebben wij allen al wel eens gedacht dat God het toch ‘te bont’ maakt: de ene rampspoed na de andere. Dat is toch wel een beetje te bont! Maar meester Schmitt heeft gelijk: “Dat komt niet voor!” God maakt geen fouten bij de wijze, waarop Hij ons leidt. Dat staat vast. De woorden van beeldhouwer Schmitt zijn voor mijn hele verdere leven tot zegen geworden. Daarom wil ik ze u graag doorgeven opdat ze ook u tot zegen zijn. Deze woorden zijn: “Er steekt een gestalte in – alleen het vuil moet er uitweg.” Zo is het beeld van het Lam in ons als wij op Bijbelse wijze bekeerd en wedergeboren zijn en zodoende Christus in ons woont door de Heilige Geest (Hnd 26:18-20; Joh 3:5-7; 1Joh 5:11-12; Gal 4:19; Kol 1:27b-29). Alleen datgene waardoor dat Beeld niet naar buiten toe zichtbaar wordt, moet verwijderd worden.

“Dat komt niet voor!” Het komt niet voor dat God bij de leiding van het leven van zijn kinderen een fout maakt. Wees daarop volkomen gerust en laat alle angst varen! Laat alles heel rustig aan de Here Jezus Christus over, Hij maakt alles wel. Dat Hij een keer een vergissing zou (kunnen) maken, komt niet voor!

Ds. Ernst Modersohn
Uit het Duits vertaald,
Els Nannen

 

Het beeld van het Lam o.a.

“Neemt mijn juk op u en leert van Mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (Mt 11:29-30).

“En nieuw gebod geef ik u: dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb, dat u ook elkaar liefhebt” (Joh 13:34).

“Hieraan hebben wij dé liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan ons leven in te zetten voor de broeders” (1Joh 3:16).

“Wandelt in de liefde zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, God tot een welriekende reuk” (Eph 5:2).

“ Maar als u goed doet en dán lijden moet verduren, dát is genade bij God. Want hiertoe bent u geroepen, daar ook Christus voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten heeft, opdat u in zijn voetstappen (van reactie op lijden) zoudt treden; … Die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt” (1Pe 2:20b-23).

De verrader “Judas zei: Wees gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem. Maar Jezus zei: Vriend, …”(Mt 26:50).

“Worden wij gescholden – wij zegenen; worden wij vervolgd – wij verdragen; worden wij gelasterd – wij blijven vriendelijk …” (1Kor 4:12-13).

“Vergeeft elkaar … zoals ook de Here u vergeven heeft, doet u evenzo” (Kol 3:13; Eph 4:32).

“Jezus zei tot allen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij” (Lk 9:23).

“Ik sterf elke dag” (1Kor 15:31; Joh 12:24; Ps 116:15). “Te allen tijde het sterven van Jezus in het lichaam omdragende, opdat…Want voortdurend worden wij die leven aan de dood overgeleverd, om Jezus’ wil, opdat ook …” (2Kor 4:8-12).

“Tot ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik uw Woord” (Ps 119:67; Js 26:16).

“Het is goed voor mij dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik uw inzettingen zou leren” (Ps 119:71).

“Ik weet, o Here, dat … U in trouw mij hebt verdrukt” (Ps 119:75).

“Laat die gezindheid in u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die …Zichzelf vernederd heeft en is gehoorzaam geworden tot de dood …” (Fil 2:5-8).

“Nu u Christus Jezus, de Here, ontvangen hebt, wandelt in Hem, geworteld en opgebouwd in Hem …overvloeiende in dankbaarheid” (Kol 2:6).

“Ieder onzer trachte zijn naaste te behagen, ten goede, tot opbouw, want ook Christus heeft niet Zichzelf behaagd” (Rom 15:2-3).

“Wie zegt dat hij in Hem blijft, moet ook zelf zó wandelen als Hij gewandeld heeft” (1Joh 2:6).

“Deze zijn het die het Lam volgen, waar Hij ook maar heengaat. Deze zijn gekocht, weg uit de mensen, als eerstelingen voor God en het Lam” (Op 14:4).

Samengesteld door Els Nannen