Jakobus 5:14-18

Jakobus was een halfbroer van de Here Jezus, menselijk gezien. Maar hij was er niet trots op. Als afzender van deze brief stelt hij zich ootmoedig voor als “knecht (let. Slaaf, lijfeigene) van God en van de Here Jezus Christus” (1:1). Hij weet dat hij niet zichzelf toebehoort (1Kor 6:19-20).
Deze innerlijke gezindheid behield hij ook toen hij een van de steunpilaren van de joods-christelijke gemeente in Jeruzalem werd en ook de apostelvergadering leidde (Gal 1:19; 2:9; Hnd 15:13). Daar ging het om de vraag of een christen uit de niet-joden eerst Jood zou moeten worden, respectievelijk zich eerst volgens de Joodse wet moest laten besnijden voor hij een volwaardig christen kon zijn.
Het antwoord was en is een duidelijk ‘nee’. Reformatorisch uitgedrukt: Gods genade in zijn Zoon is genoeg, Jezus Christus en zijn voltooid offer aan het kruis zijn genoeg evenals geloof in Hem. Wel laat Jakobus in zijn brief aan de twaalf stammen(Israëls) in de verstrooiing door vervolging, dus aan Joodse christenen, een zeker joods stempel zien. Zijn brief is de enige in het NT, waarin nog sprake is van een synagoge (2:2). Volgens ds. John MacArthur bevat deze kleine brief meer dan 40 toespelingen op het Oude Testament. Die achtergrond mogen wij, waar van een in het Jodendom bekende therapeutische zalving met olie sprake is, niet uit het oog verliezen.

 

“Diverse beproevingen”

Sommige christenen lijken wel alleen gebed om genezing aan het eind van de brief te kennen. Maar de brief begint met de belangrijke Bijbelse boodschap van de plaats en het doel van “diverse beproevingen” in het leven van een christen, zoals ook de apostelen Paulus en Petrus dat doen (Jak 1:2-4; Rom 5:3-5; 1Pe 1:6-9). Wij leren daaruit:

  •  dat beproevingen gewoon tot het leven van een wedergeboren christen (1:18) behoren en dus niet per definitie ‘weggebeden’, laat staan ‘als een demonische invloed uitgedreven’ moeten worden;
  •  dat tot ‘allerlei’ beproevingen in Gods Ministerie van Onderwijs en Opvoeding volgens Rom 8:28 “alle dingen” behoren, daaronder ook (erfelijke) ziekte, zwakte, handicap, ouderdomskwalen,armoede;
  • dat ze een goddelijk doel  hebben, bv. met de persoon in kwestie zelf en/of zijn omgeving: innerlijke groei tot geestelijke volwassenheid, zodat Christus meer en meer  gestalte krijgt en de christen zodoende meer en meer een “brief van Christus” wordt door “volharding” in zulke omstandigheden (5:9-11, 13; Hb 10: 35-36);
  •  dat onze innerlijke reactie daarop ons aan onszelf wil ontdekken. Er kan immers alleen uit ons hart (uit de oude òf uit de nieuwe natuur) komen, wat er in zit (vgl. Dt 8:2). “Uit het hart”( uit de oude mens) komen ..” openbaart de Here Jezus. Hij zegt niet: door de moeilijke medemensen of omstandigheden komen …  (Mk 7:20-23).

Wanneer een gelovige rebelleert tegen God, zijn medemensen en omstandigheden, loopt hij gevaar om zich te verharden. De beproeving kan dan tot verzoeking tot een uitvlucht naar “zijn eigen begeerte” te worden (Jak 1:12-15).
De beproeving kan echter ook tot zegen worden, want “God is getrouw, die niet zal gedogen dat u bóven vermogen beproefd wordt, want Hij zal met de beproeving ook voor de uitkomst zorgen, zodat u haar doorstaan (uithouden, verdragen) kunt” (1Kor 10: 13; vgl. 2Tim 3:10-11; 2Kor 1:5-6; 1Pe 2:19-21; Ps 34: 20; 37: 39-40).

Jak 1:13 Innerlijke medicijn tegen lijden door onrecht of vervolging – en tegen de reactie van de eigen oude mens daarop – is: meteen in gebed de gemeenschap met en geborgenheid in de Hemelse Vader zoeken.

Maar wat bedoelde Jakobus in het laatste gedeelte van het laatste hoofdstuk van zijn brief te zeggen en wat niet?

 Jak 1:14: Is iemand bij u ziek? (Grieks astheneoo: zwak of ziek zijn)

Jakobus gaat er dus van uit dat ook een wedergeboren christen in dit leven op aarde ziek kan worden en ziek kan zijn. De bewering dat een kind van God niet ziek hoeft te worden of te blijven, mist iedere Bijbelse grond. Nu heeft het nog een vernederd lichaam. Ook christenen “zuchten bezwaard” in hun aardse lichaam, ook zij moeten sterven. Het lichaam is nog niet verlost. Daarom wachten zij op de verlossing van het vergankelijke lichaam, dat eens door de Here Jezus Christus “aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig gemaakt” zal worden (Fil 3:21; 2Kor 5:1-6). “In die hoop zijn wij behouden. Maar hoop die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op wat men ziet?” (Rom 8:23-25). De dood, en dus ook ziekte, handicap, zwakheid en ouderdomskwalen e.d. bestaan pas op de nieuwe aarde niet meer (Op 21:4).

 ‘God wil dat Zijn kinderen gezond zijn’?

Ook de bewering ‘God wil dat wij gezond, gelukkig en rijk zijn’ (zgn. prosperity gospel, welvaartsevangelie) mist iedere N.T. grond. Hoewel een christen met alles, dus ook met zijn ziekte, naar zijn Here en Heiland mag gaan, blijft de bede: ‘Uw wil geschiede, late Uw naam op Uw wijze in mij en door mij verheerlijkt worden!’ Wij weten immers niet altijd wat Gods bedoeling met Zijn kind is. Wij mogen persoonlijk om wijsheid bidden of voorbede voor wijsheid doen opdat onderkend wordt, wat in de concrete situatie de wil van God, de Vader, is (Jak 1:5; Rom 12:1,2; Ef 5:17; Kol 1:9). Het NT kent echter geen algemene belofte van gezondheid, die een christen zou mogen of zelfs moeten ‘claimen’ of ‘met volmacht uitspreken’.

De apostel Paulus schrijft wel: “Dat wil God: uw heiliging, …”! (1Tes 4:3). Gods uitdrukkelijke doel met Zijn kinderen is dat zij omgevormd worden tot gelijkvormigheid aan het karakter, aan de gezindheid van Zijn Zoon Jezus Christus. Daarom “weten wij dat God alle dingen doet meewerken ten goede” (Rom 8:29-30). Zwakheid en ziekte worden bij “alle dingen” niet uitgezonderd. “De wil van God in Christus Jezus” is eveneens onze dankbaarheid onder alle omstandigheden (1Tes 5:18).

 Om welke zieke gaat het hier eigenlijk?

In vers 15 wordt de zieke nader aangeduid als ‘lijder’ (Grieks: kamnoon: “de gebruikelijke aanduiding voor stervenden en gestorvenen”, F. Rienecker, Sprachlicher Schlüssel zum Griechischen Neuen Testament). Het gaat hier dus speciaal om een doodzieke gelovige, die daarom te zwak is om zelf naar de oudsten te gaan. Dus niet iedere zieke moet de oudsten van de gemeente tot zich roepen, maar een ernstige zieke met een fysieke tuchtiging van God, die tot de dood leidt. Bovendien wil deze ernstig zieke christen zelf vóór zijn heengaan nog een pastoraal gesprek. Zie de vergelijking met Gods tuchtiging met de drie jaar droogte in Israël (vers 17). In Jak 5 gaat het dus om een heel specifieke situatie en niet om een ziekbed in algemene zin.

Een direct verband tussen Gods tuchtiging vanwege niet beleden zonde enerzijds en zwakheid, ziekte en dood van gelovigen anderzijds vinden wij in 1Kor 11:27-34. De rijkere christenen zondigden bij het Avondmaal tegenover hen die hongerig aan tafel zaten. “Daarom zijn er onder u velen zwak en ziek en er ontslapen niet weinigen”. Opmerkelijk, dat Paulus, apostel der heidenen, deze vooral heidenchristelijke gemeente niet het joodse gebruik van medische zalving met olie voorschrijft.

 Schuldbelijdenis op het sterfbed

“En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden. Belijdt daarom elkaar uw zonden …” (5:16a). Het woord “daarom” laat zien dat in vers 15b ook sprake is van schuld die de doodzieke nog graag wil belijden. Daaruit mag natuurlijk nooit de conclusie worden getrokken dat er bij elke ziekte een concrete persoonlijke schuld in het spel moet zijn.

 De oudsten van de gemeente

Waarom moeten juist de oudsten van de gemeente worden geroepen? Waarom niet een willekeurig andere christen, eventueel uit een andere plaats, uit een ander land of ook uit een andere gemeente, bv. met een gave van genezing?

De oudsten zijn leidinggevende en verantwoordelijke gelovigen, die waken over het innerlijke leven van hun gemeenteleden, dus ook over dat van (ernstige) zieken. Zij moeten rekenschap afleggen van deze taak (Heb 12:17). Van hen wordt geestelijke rijpheid en geestelijk inzicht verwacht, zodat zij kunnen onderscheiden of de schuldbelijdenis volledig en het berouw oprecht is – niet een schijnvertoning als bij koning Saul (1Sam 15:30).
Jakobus spreekt van oudsten (meervoud), misschien in verband met Dt 19:15; Mt 18:6; 2Kor 13:1. Als christenen uit de Joden wisten zij maar al te goed dat een niet beleden zonde in het leven van één het geheel aangaat, zoals bv. in Jozua 7 blijkt. De oudsten zijn gezaghebbende vertegenwoordigers van de gemeente, waartoe de (ernstige) zieke behoort. Vooral de oudsten zijn als vertrouwenspersonen tevens tot geheimhouding verplicht.

 De initiatiefnemer

Het initiatief moet van de ernstige zieke uitgaan: “Laat hij de oudsten tot zich roepen”, als teken dat hij met God en de naaste in het reine wil komen. Juist daarom moet hij de oudsten met hun pastorale taak roepen. In alle andere ziektegevallen mag vanzelfsprekend ook iedere christen voorbede voor een ziek gemeentelid doen. Er zullen wel nauwelijks gelovige echtgenoten, (groot)ouders, kinderen, vrienden en kennissen zijn, die nog nooit in geval van ziekte voorbede hebben gedaan. En is er ooit een predikant of voorganger die nog nooit voor een ziek gemeentelid gebeden heeft? Gebed voor zieken in de gemeente hoeft op zich dus niet ‘herontdekt’ te worden.

 De voorbede van de oudsten

Na oprechte, concrete en grondige schuldbelijdenis doen de oudsten voorbede (“opdat zij over hem bidden”). De ernstige zieke blijft in verband met zijn zwakte bij de voorbede in bed liggen. Er is geen sprake van handoplegging (in het NT uitgedrukt door επιθεσις των χειρων of επιτιθημι την χειρα /τασ χειρασ). Tot het profiel van oudsten behoort ook niet een bijzondere gave van genezing (1Tim 3:2-7; Tit 1:6-9). Er staat bovendien “de” oudsten in algemene zin.

  • De olie (Grieks: elaion, 1. olie, als in Mt 25: 3,4;  2. zalfolie, als in Lc 7:46 en Jak 5:14)

In Israël hield men veel van geurige zalven. Men gebruikte het voor de dagelijkse verzorging, reiniging en het parfumeren van het lichaam. Het achterwege laten van een dergelijke zalving was een teken van rouw (Dan 10:3). In de tijd van het Nieuwe Testament placht men ook gasten te zalven. Dat gebeurde op het hoofd als teken van eerbied of van liefde en dankbaarheid (Lc 7:46,47; Mt 26:6-13, Gr. muron, zalfolie). Voor ‘cosmetisch zalven’ van het hoofd bij vasten zie Mt 6:17.

  • De (religieuze) zalving van een bepaalde persoon voor een bepaalde taak in het oude Israël

Bepaalde mensen zoals koningen, priesters en de profeet Elisa werden voor hun bepaalde taak in Israël afgezonderd, toebereid en gewijd. Niet alle koningen ontvingen de zalving tot koning, alleen Saul, David, Salomo, Jehu en Joas.
De enige keer dat de zalving tot koning gepaard ging met een directe werking van Gods Geest is die van David: “Van die dag af greep de Geest des Heren David aan” (1S 16:13). David noemde zich zelf: “Zijn (Gods) gezalfde” (o.a. Ps 18:51). Omgekeerd noemde God David “mijn gezalfde” (Ps 132:17). De bewering dat deze zalving met olie in het OT ‘steeds gepaard’ ging met een werking van Gods Geest, en ‘olie daarom’ een door God gegeven ‘geestelijk symbool’ is of een ‘symbool van de heilige Geest’, ‘dus ook’ in Jakobus 5, is onjuist. In Jakobus 5 is geen sprake van zalving tot een bepaalde taak.

  •  De (therapeutische) zalving (Grieks: aleiphoo) in de gezondheidszorg in het oude Israël

Er werd met olie gezalfd ter voorbereiding voor de begrafenis (Mc 14:8; 16:1; Joh 11:2; 12:3) als ook voor het balsemen van lijken (zoals dat bij Jakob is gebeurd). Zalven met olie deed men tevens ter verzachting van pijn, ter behandeling van wonden (desinfecteren) en genezing (vgl. Lc 10:34; 2Kr 28:15; Js 1:6). De door de Here Jezus uitgezonden discipelen “zalfden vele zieken met olie en genazen hen” (Mc 6:13). Daarom sprak Jakobus tegenover de joods-christelijke oudsten over het bij de Joden gebruikelijke therapeutische zalven (Grieks: aleiphoo: insmeren met olie).

Wij leren daaruit dat het “gelovige gebed” en medische hulp elkaar niet uitsluiten! Het is niet alleen onverantwoord, maar ook onrechtmatig om tegen een zieke te zeggen: ‘Als je wilt dat wij naar Jakobus 5 met je bidden, moet je stoppen met alle medicijnen en met iedere medische behandeling, je mag ook niet meer naar de dokter gaan’. Maar het gebruik maken van de gezondheidszorg is niet automatisch een teken van ongeloof. Het is naast gebed een teken van verantwoordelijkheid.
Aan de andere kant moet men waken voor bijgeloof in de olie (‘heilige’, ‘gewijde’ of ‘gezegende’ olie!), en/of in de zalving (als ‘helend sacrament’). Bijgeloof is ook daar, waar men beweert dat de huidige praktijk ten aanzien van zieken “gereduceerd is tot pastoraat en gebed”. Olijfolie is geen wondermiddel en zalving geen voorwaarde voor Gods ingrijpen! Het Joodse gebruik van medische zalving met olie is op zich bijzaak en geen noodzaak. Hoofdzaak zijn de oprechte, concrete en grondige schuldbelijdenis van deze ernstige zieke en het gelovige gebed van de oudsten. In deze specifieke situatie is er de belofte dat het gelovige gebed de doodzieke zal redden (Grieks: sooizoo:1a voor de dood bewaren; 1b. uit een levensbedreigende situatie redden; enz. W. Bauer in: Wörterbuch zum Neuen Testament). En de Here zal hem oprichten zodat hij kan opstaan. Voor oprichten vgl. Mc 1:31; 9:27. In direct verband met de verzen 14-16 volgt het voorbeeld van Elia: God kan de Zijnen tuchtigen, maar wil Zijn tuchtiging opheffen na ernstige voorbede in aansluiting op verootmoediging en schuldbelijdenis (vers 18).

Jakobus 5 is geen beschrijving van een ‘methode’, waarmee men genezing van zieken ‘in zijn greep’ kan krijgen. Het garandeert niet genezing van zieken in algemene zin. Wij moeten ons binnen de perken van de gegevens uit Jakobus 5 houden.

De nieuwtestamentische gelovige en de (geestelijke) zalving (Grieks: chrioo) met de Heilige Geest (1Joh 2:20-27)

Er zijn opmerkelijke verschillen tussen de zalving tot een bepaalde taak in het OT en de zalving in Jak 5.

In het OT werden slechts enkele, bepaalde mensen met olie gezalfd, en wel voor een bepaalde taak en tijd. In het NT. is ieder kind van God gezalfd met de heilige Geest, maar niet voor een bepaalde taak en tijd. Ze staat in verband met de mogelijkheid en noodzaak om antichristen te onderscheiden, ook als zij uit de gemeente voortkomen en loochenen dat Jezus Christus waarachtig God en waarachtig mens is (1Joh 2:22-23; 4:1-3).

‘Anti’ betekent echter niet alleen ‘tegen’, maar ook ‘in de plaats van’. Iedere verkondiging en zielszorg, waarbij de mens (zijn verstand, zijn gevoel, zijn ervaring), Maria of ook de Heilige Geest met Zijn bijzondere gaven in het centrum staat, dus in plaats van Christus Jezus, zijn in feite antichristelijk. Om dat geestelijk te kunnen onderscheiden zijn grondige Bijbelstudie en deze zalving met de Heilige Geest onmisbaar. Dat is uiteraard niet een uiterlijke, lichamelijke kwestie met olijfolie (zoals bv. in Jak 5, Gr. aleiphoo), maar een innerlijke, geestelijke zaak (Grieks: chrioo)!
Een ander groot verschil is dat het uitsluitend God Zelf is, die Zijn kind geestelijk gezalfd heeft, en wel direct bij de geboorte uit Hem (2Kor 1:21-22). Daar komt geen mens aan te pas! Ook daarom kan in Jak 5:14 van zalven door een méns met ‘olie als symbool’ of ‘teken (van de gaven) van de heilige Geest’ nooit sprake zijn! Er is dan ook geen enkel Bijbels voorbeeld van een persoonlijk gebed om of voorbede voor de nieuwtestamentische zalving met de heilige Geest. Immers: “De zalving, die u van Hem ontvangen hebt, blijft op u” (1Joh 2:27). Deze door God gegeven geestelijke zalving is echter geen vervanging van grondige Bijbelstudie en een geheiligde levensstijl!

De zalving van Gods kind met de heilige Geest met het oog op hen “die u misleiden” (1Joh 2:26) verschilt ook principieel van Gods zalving van Jezus voor Zijn unieke taak met Zijn unieke legitimatie als de door God beloofde Messias en Zoon van God (Js 61:1-3; Lc 4:18-21: “heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld”; Hnd 2:22; 10:38).

Het is misleidend om beide op één lijn te stellen om daarmee zogenaamd te ‘bewijzen’ dat wij ‘dezelfde’ taak en volmacht hebben als de Here Jezus naar Jes 61. Toevoeging aan de Schrift is niet geoorloofd (Spr 30:6)

 

Els Nannen

 

Vgl. Richard Mayhue: De belofte van genezing (Voorwoord van ds. John MacArthur).